Op de hoek van de straat waar ik vroeger met m'n vriendjes hoepelde, stond, onbeheerd en wel, een dure auto van het een of andere Japanse merk, de portieren wijd open. Waar was de eigenaar gebleven? Ik fietste verder, maar het beeld achtervolgde me. Had ik mijn burgerplicht verzaakt? Ach, je ziet spoken, zei mijn andere ik, stonden in je jeugd niet alle deuren open? Maar m'n innerlijke onrust was sterker dan ikzelf. Ik remde en reed terug. De auto stond er nog steeds, inclusief de geopende portieren. Er was ongetwijfeld een misdrijf in het spel. Ik zette mijn fiets tegen een lantaarnpaal en liep aarzelend op het voertuig af. Inmiddels was ik er van overtuigd dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Ik stak mijn neus naar binnen, op zoek naar bloedsporen of zoiets. Toen voelde ik een hand in m'n nek. ‘Blijf met je poten van m'n wagen af, ouwe lul!’ klonk een stem. Ik draaide m'n hoofd om. De vuist kwam recht op me af. Toen ik bijkwam lag er inderdaad bloed op het trottoir - van mezelf. De passanten stapten over me heen. De dag was begonnen. Ik strompelde naar de plek waar ik mijn Fongers had neergezet. De fiets was weg. De laatste vierhonderd meter naar mijn woning waren een ware marteling. Zou die meneer echt hebben gedacht dat ik iets kwaads in de zin had?