Het windmolenoproer (#1)

‘Vroeger had je de herenboeren, nu heb je de windboeren’

Het broeit in de Drentse Veenkoloniën. Deze zomer begon er de bouw van een enorm windmolenpark, na jaren van verzet. In een drieluik peilt De Groene Amsterdammer de stemming. Wat zijn de lessen voor de energietransitie? Deel 1: het verhaal van de omwonenden.

Nieuw-Buinen, Drenthe, oktober

Het is vlak voor de zomervakantie. Over de vlakte waait een koude wind. Vanaf de herfst kan het hier één kale, zwarte lap grond zijn, maar nu bloeien er witte bloemetjes aan de zetmeelaardappelen die bestemd zijn voor de fabriek van Avebe even verderop. Langs de Drentse Mondenweg staan wat mensen te koukleumen. Sommigen blijven in hun auto. De ogen zijn gericht op de overzijde van de N379.

Dit kluitje mensen is er om getuige te zijn van een symbolische stap in het trage proces van de Nederlandse energietransitie. Vandaag wordt verder gewerkt aan de opbouw van de eerste windmolen in wat misschien wel ’s lands meest geruchtmakende en gehate windpark is.

Althans, als het weer het toelaat. Want zoals windmolens – wanneer ze dan eindelijk staan – het vooral doen onder de juiste omstandigheden, zo zijn ook windmolenbouwers afhankelijk van de weergoden. Een deel van de mast staat al rechtop. Hangt er storm in de lucht, dan blijft de rest op de legger.

Hier langs de provinciale weg tussen Nieuw-Buinen en Eerste Exloërmond ontspint zich een gesprek. ‘Ik hoop dat-ie omvalt’, zegt een man. Gegniffel. Een ander is positiever. ‘Is-ie maar zo slank? Goh, ik dacht dat die molens dikker zouden zijn.’

Het is een gesprek waaruit blijkt dat er bij de omwonenden veel onduidelijkheid is. Bijvoorbeeld over de precieze hoogte van de windmolen. (De as komt op 145 meter, met 210 meter als ‘tiphoogte’ voor het uiterste puntje van de draaiende wieken.) Of over het aantal vrachttransporten dat nodig is voor de 45 windmolens die hier in de regio komen. Duizenden, beweert iemand. Is dat niet wat veel? vraagt een ander. (Bij navraag zegt de voorlichter van het windpark dat het er 540 worden, plus nog eens zo’n vijftig betonmixers voor iedere fundering.)

Eén toeschouwer, turend door een verrekijker, brengt verslag uit: ‘’t Giet nie deur.’ Als het dan begint te miezeren, druipen de meesten af. Vier dagen later is de windmolen af.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Bas Mesters Marco Visscher over zijn drieluik over de windmolens in Drenthe. Welke lessen zijn hier uit te trekken voor de energietransitie? Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Want wat wél deur giet, wat misschien vanaf het allereerste moment al zou doorgaan, zoals steeds meer inwoners van de Veenkoloniën zich realiseren, dat is het windpark zelf.

De eerste aanzet tot dat park kwam bijna twintig jaar geleden. Toen waren windmolens nog niet zo hoog. Toen zouden het er niet zoveel worden. En toen was de provincie Drenthe faliekant tegen windmolens, omdat ze niet pasten in de landschapsvisie. Maar dat was toen. Dat was voordat het ministerie van Economische Zaken de regie overnam, in 2010, en opeenvolgende kabinetten de ambities voor groene stroom steeds verder opschroefden.

Daarna werden de protesten in het noorden feller. Boeren die investeerden in windmolens of die een stukje van hun land zouden verpachten aan een projectontwikkelaar, werden geïntimideerd. Bij een van hen vloog een schuur in brand. Er kwamen kerstkaartjes met dreigende teksten. Een loonwerker kreeg de schrik van zijn leven toen hij op het land van een windboer met de maaimachine op iets stuitte waardoor stukken metaal in het rond vlogen; was hij over een ketting gereden die met bindbandjes aan de maïsplanten was bevestigd. Een zoekactie op andere velden in de omgeving leverde nog meer metalen voorwerpen op.

Ook politici moesten het ontgelden. Lokale en provinciale bestuurders werden op pamfletten afgebeeld met een nazi-pet op, compleet met hakenkruis. Hun werd kwalijk genomen dat ze de oren lieten hangen naar de kliek van windboeren en Haagse politici die de windmolens erdoor wilden drukken. Want intussen werd het ene na het andere bezwaarschrift van omwonenden van tafel geveegd. Ook door de Raad van State, die twee dagen lang hoorzittingen hield en in zo’n 150 pagina’s een doorwrochte uitspraak presenteerde. De strekking: ’t giet deur.

De hakken gingen in het zand. In de zomer van 2018 werden de eerste dreigbrieven bezorgd bij bouwbedrijven, leveranciers, banken en anderen die betrokken waren bij de aanleg van het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, maar ook bij het windpark N33, verder noordwaarts richting Veendam. ‘Wij staan niet in voor de veiligheid van uw personeel.’ Was getekend: ‘Belaagde en bedreigde burgers uit Groningen en Drenthe.’ De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding waarschuwde daarop voor radicalisering onder de noorderlingen die zich verzetten tegen windmolens. Dat was nog voordat er op diverse bouwlocaties asbest werd gevonden. Een pamflet meldde: ‘Wie wind zaait, zal asbest oogsten.’

Nee, in de toch best gemoedelijke Veenkoloniën werd het er met de komst van de windmolens niet gemoedelijker op.

Dat weten ze ook in Gasselternijveenschemond, een lintdorp aan het einde van de Drentse Mondenweg. Aan twee kanten wordt Gasselternijveenschemond ingesloten door windmolens: zes aan de zuidkant, zeven aan de noordkant. In de woorden van Jaap Munneke, die al zijn hele leven in dezelfde boerderij in het dorp woont: ‘Beroerder dan hier kan het niet.’

Dat erkent ook Jacob Bruintjes, die zich jarenlang als wethouder tegen de windmolens keerde. ‘Ik zou het mooi vinden’, zegt Bruintjes, ‘als je in de Veenkoloniën nog altijd zó kunt gaan staan dat je géén windmolen ziet. Maar of je nu de voordeur uitgaat, of in de achtertuin zit, recht vooruitkijkt of opzij: in Gasselternijveenschemond zie je ze áltijd.’

Gasselternijveenschemond is een hele mond vol voor een dorp met zo’n 650 inwoners. Bij de noordelijke ingang past de naam van het dorp net op twee regels van het bord. Ook de inwoners krijg je amper op één lijn. De molens splijten de gemeenschap, zeggen sommigen. Ze vertellen hoe er binnen families ruzies zijn ontstaan en hoe kinderen niet meer met vriendjes spelen van wie de ouders ‘windboeren’ zijn, boeren die meedoen aan het windpark. De molens hebben de kloof tussen boeren en burgers vergroot. Sommigen kopen geen eieren meer bij de kippenboer die aan de windmolens zal verdienen.

‘Rijke boeren’, zegt Anna Kampinga, ‘worden met de nek aangekeken.’ Juan Groenhof: ‘Vriendschappen zijn stukgegaan.’ Ali Edelenbosch: ‘Ruzies worden op het schoolplein uitgevochten.’ Ben van der Putten: ‘Ik houd m’n hart vast voor wat er nog meer gebeurt.’ Jaap Munneke: ‘De sfeer is verpest.’

Anderen wijzen erop dat er altijd al een kloof was tussen boeren en burgers en dat schoolruzies altijd en overal voorkomen. Miranda Bresser over de sfeer: ‘Och, het dorp is niet echt veranderd hoor.’ Egbert Huiting over zijn overbuurman, een windboer: ‘Als ik in december vijftig jaar getrouwd ben, nodig ik hem gewoon uit. Anders kun je niet leven in zo’n dorp.’ Albert de Jonge over de aantasting van het landschap: ‘Ach, dat went wel, denk ik. Het boeit me niet zo.’ Maar De Jonge werkt voor de boeren in de regio. Dan is het beter de kiezen op elkaar te houden als het over ‘die rotmolens’ gaat; je zou eens iets verkeerds zeggen.

Intussen is er in het dorp sprake van leegloop; er staan aardig wat te-koop-bordjes in de tuinen. Eén oud-inwoner die is verhuisd vanwege de windmolens noemt zich ‘klimaatvluchteling’.

I n een voorkamer aan de Noordzijde, dé doorgaande weg in Gasselternijveenschemond, schuift Ben van der Putten het gordijn opzij. Hij had het niet verwacht, maar de eerste windmolen kan hij in de verte zien – en dat is volgens zijn berekening toch zevenenhalve kilometer. ‘Ik dacht: die valt weg achter de bomen. Dat is dus niet zo.’

Het is de rij op zo’n vierhonderd meter van zijn voordeur die hem zorgen baart. ‘Misschien valt het mee’, begint Van der Putten, ‘want de wind komt meestal uit het westen en dan staan de wieken haaks op ons huis. Maar in het voorjaar en het najaar, als de zon laag staat, zullen we waarschijnlijk wel last hebben van slagschaduw. En ik denk dat ik de molens zal horen. Of dat heel hinderlijk zal zijn, weet ik niet.’

Daarmee verwoordt Van der Putten de gevoelens van veel dorpsgenoten. Ze zijn simpelweg onzeker over de dagelijkse impact van de windmolens. Dat is ook omdat hoogbouw een vrij onbekend verschijnsel is in deze streek. Ter indicatie: de ashoogte van de windmolens ligt hoger dan de Rembrandttoren, de hoogste wolkenkrabber van Amsterdam. Gaan we uit van de tiphoogte, dan staan de Drentse windmolens in de top-vijf van ’s lands hoogste constructies, slechts afgetroefd door twee zendmasten, een meteorologische meetmast en de schoorsteen van Shell in de Rotterdamse haven. Martin van Hal: ‘Mensen hebben geen idee hoe het hier zal worden als de molens er staan.’

Zal het wennen? Waarschijnlijk wel, zeggen de meesten. Op den duur. Miranda Bresser: ‘Als je langs het spoor of naast een kerktoren woont, wen je ook aan het geluid.’ Anderen twijfelen. Volgens hen zullen de windmolens altijd last geven, uit de toon vallen en de waarde van de woningen doen kelderen. ‘Juist doordat deze omgeving zo rustig en mooi is’, zegt Van der Putten, ‘ontsieren die joekels van windmolens zo ontzettend.’

‘Het voelt als een landschap dat doodgaat. Het is een soort rouwproces. Je moet accepteren dat het straks niet meer zal zijn zoals nu’

Bij de dinsdagse hobbyclub in het dorpshuis van Gasselternijveenschemond zijn tien vrouwen in de weer met naald en draad. Ze maken borduurwerkjes, kleren, kaarten. Hoe kijken zij ertegenaan?

‘Och, die dingen zijn echt spuuglelijk. Die passen toch niet bij het landschap?’
‘Het mooie Drenthe is weg.’
‘Het is gedaan met de rust.’
‘Ons woongenot is helemaal weg, foetsie.’
‘Je kunt er wel tegen zijn, maar het helpt toch niet.’
‘Je doet er niks aan.’

‘Hier is het veen. Dit is het afvalputje’

Aan zijn keukentafel glimlacht Jan Hessel Kruit er een beetje om. ‘Je kunt wel heel negatief zijn, maar daar heb je alleen jezelf mee.’ Twee windmolens komen er binnen een straal van zeshonderd meter rond zijn woning aan het Tweede Dwarsdiep. Want, zo zegt hij een tikkeltje venijnig, ‘een van de initiatiefnemers hier vlakbij vond het wel mooi om er heel veel op z’n eigen land te hebben’.

Als stil protest hangt er een spandoek aan het hek bij de oprit. ‘Tja, je mag toch wel een signaal afgeven?’ Die spandoeken zie je veel in de regio. Toch vinden zijn dorpsgenoten dat in zijn geval dapper. Jan Hessel Kruit heeft namelijk twee broers die beiden behoren tot de initiatiefnemers van het windpark. Een van hen, Bert Kruit, is zelfs aan het park verbonden als voorzitter. Alle drie wonen ze in hetzelfde straatje.

‘Het verbaast mensen dat een Kruit tegen de windmolens is’, weet Jan Hessel Kruit, schooldirecteur in Wildervank, bij Veendam. ‘Ik probeer dat te scheiden. We kunnen erover praten met elkaar, Bert en ik, en scherp ook. Maar we willen het niet op de spits drijven. Het is altijd positief om in gesprek te zijn, maar soms is het beter niet te lang door te gaan.’

Hij weet nog goed hoe hij voor het eerst over de windmolenplannen hoorde. Dat moet zeker vijftien jaar geleden zijn geweest. Er lag een uitnodiging in de brievenbus voor een bijeenkomst in de kantine van een boer aan het einde van de weg. Er waren die avond drie bezoekers. Zij konden luisteren naar iemand die een powerpointpresentatie gaf. ‘Het was een gelikt verhaal over hoe prachtig windenergie was’, herinnert Jan Hessel Kruit zich. ‘Het sloeg totaal niet aan. Niemand zat te wachten op een promotiepraatje. Je hebt gewoon rekening te houden met de omgeving, maar wij werden totaal niet meegenomen in het proces. En zo bleef het al die jaren gaan.’

Dat geldt voor de inwoners van Gasselternijveenschemond misschien nog wel in overtreffende trap. De rij windmolens waarvan ze de meeste last verwachten, ligt nét buiten hun eigen gemeentegrens: daar hadden ze dus nooit iets over te zeggen. In de Tweede Kamer is de naam van hun dorp nooit genoemd. Sterker, op een kaart van de plannen voor het windpark in het zogeheten ‘rijksinpassingsplan’ was het dorp niet eens te vinden. ‘Ik heb de naam er met een pen bij moeten schrijven’, zegt een nog altijd verontwaardigde Ali Edelenbosch, voormalig gedeputeerde. ‘Wij worden genegeerd!’

Miriam Ootjers rolt met haar ogen als ze vertelt over de reacties die ze krijgt als ze elders in het land zegt dat ze met haar man en negen katten in de Veenkoloniën woont. ‘Huh, de Veenkoloniën?! Bestáán die nog?’ En: ‘Wonen jullie dan in plaggenhutten?’ Ach, laat ze maar lekker, denkt Ootjers. ‘Zo blijft het hier lekker rustig en hebben we alle ruimte.’

Wat heet! Vanuit de tuin kun je al gauw tien kilometer ver kijken. Rechts een graanveld, links aardappelen: twee van de voornaamste gewassen in deze regio. Suikerbieten heb je ook veel. Verderop ziet Ootjers hier en daar wat rijen bomen. Die zijn relatief nieuw in de Veenkoloniën; lange tijd was het een vlakte van afgegraven veen, met een even uitgekiend als eindeloos netwerk van vaarwateren. Daarop was het vroeger druk met platte boten die alles vervoerden wat uit de grond kwam. Amper honderd jaar geleden telde de haven in Gasselternijveen zoveel schepen dat het behoorde tot de grootste havens van Nederland.

Nederlanders mogen dan over het algemeen weinig benul hebben van de Veenkoloniën, waar Ootjers zich op haar beurt dan weer geen voorstelling van kan maken is hoe het eruit zal zien als het windpark over ruim een jaar is voltooid. In zes rijen zullen de 45 windmolens dan in het landschap staan. Vanuit haar tuin zal Ootjers een hoop van hun wieken kunnen zien draaien. De rij met zeven stuks aan de ‘achterkant’ van Gasselternijveenschemond is dichtbij. Nog dichterbij komt de rij met negen stuks pal achter Nieuwediep, de naam van zowel het dorp als de straat waar Ootjers woont.

‘Zo veel, zo hoog, zo groot’, zegt Ootjers, turend over wat nu nog een vlakte is. ‘Het lijkt me, tja, hoe zal ik het zeggen… Het lijkt me nogal intimiderend.’

Vijftien jaar woont Ootjers hier nu, haar man al 35 jaar. Zijn kinderen zijn hier geboren. Over verhuizen willen ze nog niet denken. ‘Misschien hebben we er helemaal geen last van’, zegt ze. ‘Maar als we er wél last van hebben, gaan we weg.’ Dan is er alleen wel een probleem. Want er zullen in dit land, schat ze, toch zeker wel een paar duizend windmolens bij moeten komen – nu telt Nederland er zo’n tweeduizend stuks – om de beloften uit het klimaatakkoord na te komen. ‘Wij houden van deze rust en weidsheid. Stel dat we zo’n plekje vinden, wie zegt ons dat daar geen windmolens zullen komen?’

Iets verderop in de straat woont een windboer. ‘Een botterik, een eikel’, zegt Ootjers over hem, en ja, dat mogen we best zo opschrijven. Al zeker honderd keer heeft ze hem in gedachten vervloekt. Die buurman krijgt straks ‘een smak geld’, weet Ootjers, want er komen de nodige molens op zijn land. Tijdens een informatiebijeenkomst in het buurthuis was zijn vrouw er ineens. ‘Vond ik wel dapper van haar’, zegt Ootjers, ‘zo tussen al die tegenstanders. Ik kreeg het idee dat zij die molens eigenlijk helemaal niet wilde. Ze vertelde dat ze aanvankelijk twee kleine windmolens wilden om zelfvoorzienend te zijn, maar dat ze zijn meegezogen in een project dat veel groter werd dan ze ooit hadden gedacht. Misschien wordt zij ook met de nek aangekeken. Zou toch heel sneu zijn.’

Een paar keer is Ootjers bij zo’n bijeenkomst geweest. Ook deed ze wel eens mee met protestacties. Veel volk kwam er doorgaans niet. Er waren wel volle zalen als het ging over de mogelijke gezondheidsschade van windmolens, maar bij echte protesten kwamen maar een stuk of tien mensen opdagen. De mooiste actie, vond Ootjers, was de avondwake, vier jaar geleden alweer, waarbij in stilte en met kaarsjes werd gewaakt ‘bij een landschap dat doodgaat’. Want zo voelt het, vindt Ootjers. ‘Het is een soort rouwproces. Je moet accepteren dat het straks niet meer zal zijn zoals nu.’

Het lijkt erop dat er langzaam maar zeker een gevoel van berusting ontstaat. Jan Hessel Kruit: ‘De strijd neemt af. Er is steeds meer een besef dat de windmolens er echt zullen komen.’ Ben van der Putten: ‘Niemand heeft nog de illusie dat dit te keren valt.’

Accepteren, berusten: dat kan nog niet iedereen. ‘Ik ga er nog steeds van uit dat de windmolens er niet komen. Maar zelfs als ze er staan, moeten ze overal maar beveiliging neerzetten. Want de mensen accepteren dit niet. Ze blazen ze nog liever de lucht in.’

De woorden zijn van Jan Nieboer. Ook wel bekend als Jan N., sinds zijn aanhouding op 19 juni op verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten rondom de aanleg van de windparken in Drenthe en Groningen. In de afgelopen jaren ontpopte Nieboer, die weer op vrije voeten is, zich tot de meest uitgesproken tegenstander. Eerder in het voorjaar sprak ik hem in zijn kantoor op een bedrijventerrein in Nieuw-Buinen. Een man met strak gekamde haren, gestoken in pak met een onberispelijk blauw overhemd en een stropdas.

Bij Nieboer – die altijd in de regio heeft gewoond – komen de woorden er, zo blijkt, heel wat makkelijker uit dan bij de gemiddelde Veenkoloniaal. Een kleine bloemlezing: ‘Dit is een vreselijke ramp, het ergste wat dit gebied treft sinds de Tweede Wereldoorlog. Dit prachtige, groene gebied verandert in één groot industrieterrein, en wel eentje waar mensen middenin wonen. Nederland is simpelweg een te klein land voor windmolens.’

‘Klimaat is een religie geworden. Je mag niet zeggen dat je tegen windmolens bent, want duurzaamheid is verheven tot heiligdom. Daar twijfel je niet aan, daar moet alles voor wijken. Over het Energieakkoord is in de Tweede Kamer nog geen kwartier gesproken, maar het kost meer dan de Deltawerken, de Hogesnelheidslijn, de Betuwelijn, de Noord/Zuidlijn en de Joint Strike Fighter bij elkaar.’

‘Vroeger leefden we hier onder het juk van de herenboeren. We dachten van ze af te zijn, maar nu heb je de windboeren. Wíj krijgen een hogere energierekening en zíj worden schathemeltjerijk. Per windmolen verdienen ze tienduizenden euro per jaar. Dat kan in box 3, dus als een belegging, hè? Dan betaal je er geen cent belasting over.’

Over de bedreigingen en asbestdumpingen waarmee hij in verband is gebracht, zei Nieboer in mei: ‘Ik vind het slecht dat er bedreigingen zijn en ik wijs het af, maar ik begrijp het als mensen dit doen in opperste wanhoop. Zij zitten in een uitzichtloze situatie en er is niemand die voor hen opkomt. De waarde van hun huis wordt lager, hun omgeving wordt verminkt, ze zullen last krijgen van hun gezondheid: de mensen hier worden compleet geruïneerd.’

Zo uitgesproken als Nieboer zijn er niet veel in de regio. Daarom komen journalisten al jaren achtereen bij hém uit. Stond hij weer voor de camera te oreren, in zijn pak. Zo werd hij voor velen een local hero. Jan Nieboer zei wat zij dachten, maar waarvoor zijzelf de woorden en de moed niet konden vinden. Zoals een inwoonster uit Nieuwediep het zei: ‘Als niemand zijn mond opentrekt, gaan ze helemáál hun eigen gang.’

‘Als de windmolens er staan, moeten ze overal maar beveiliging neer­zetten. De mensen accepteren dit niet. Ze blazen ze nog liever de lucht in’

De opruiende woorden en protestacties in het noorden zorgden hier en daar voor een mengeling van paniek en behoedzaamheid. Bij een van de informatiebijeenkomsten moesten geïnteresseerden zich vooraf aanmelden met een persoonlijke streepjescode die per post werd toegestuurd. Binnen was prominent politie aanwezig, buiten stond een ME-busje. ‘Alsof er ik-weet-niet-wat aan de hand was’, blikt een van de aanwezigen, Rieks van der Wal uit Stadskanaal, terug. ‘Kom op zeg, wij zijn gewoon bezorgde burgers die een fatsoenlijk gesprek willen omdat ons niets wordt verteld.’

En toen de voorzitter van Greenpeace en de directeur van de Natuur en Milieufederatie Drenthe samen eens wilden rondkijken in de Veenkoloniën, kwamen ze in Gasselternijveenschemond aanzetten in een auto met geblindeerde ramen. Egbert Huiting, die hen als toenmalig voorzitter van Vereniging Dorpsbelangen ontving en zou rondleiden, zei nog: ‘Denken jullie soms dat ze je in de benen schieten? We zijn hier gewoon in Drenthe, hoor.’

Nieuw-Buinen. Hoogbouw was tot nu toe in Drenthe een onbekend verschijnsel

De bedreigingen kunnen alom op afkeuring rekenen. Er is wel begrip voor de frustratie, maar dreigbrieven gaan te ver. Dat moet wel een ‘idioot’ zijn die dat doet, en misschien is het wel ‘iemand uit heel onverwachte hoek’, zo wordt gedacht. De arrestatie van Nieboer – na drie maanden speurwerk van een team van zeker twintig rechercheurs – leidde dan ook vooral tot ongeloof. Toen ze in de krant lazen dat zijn voorarrest na twee weken met dertig dagen werd verlengd, zeiden de mensen tegen elkaar: ‘Zie je wel, ze hebben niks.’

Anderen zeggen dat Nieboer het randje wel steeds bewust opzocht. Zo vertelde hij aan journalisten hoe hij op de markt had opgevangen dat mensen handgranaten en andere explosieven in huis hadden gehaald en dat de fik erin zou gaan als de windmolens er eenmaal zouden staan. Maar wie dat waren, dat wist hij dan weer niet. Tjipke Paas uit Nieuw-Buinen benadrukt dat hij niets dan bewondering heeft voor de inzet en het doorzettingsvermogen van Nieboer, maar merkt ook op: ‘Voor Jan zijn de windmolens een obsessie geworden. En hij spreekt zich niet altijd feitelijk uit, maar speelt in op emoties.’

En dan zijn er nog de mensen die opgelucht leken dat zo’n lastpak werd aangehouden. Tijdens de persbijeenkomst na de aanhouding van Nieboer en twee anderen sprak een burgemeester: ‘Nu krijgen de boosdoeners een gezicht.’ Een van de windboeren was al even voorbarig toen we elkaar spraken in juli, op een moment dat Nieboer en een andere verdachte nog in voorarrest zaten: ‘Wij windboeren worden al jaren als criminelen weggezet, maar ik zeg je: de échte criminelen zitten achter tralies.’ Maar eerst moet de rechter nog een uitspraak doen.

Daar heeft alleen niet iedereen vertrouwen in. ‘De rechterlijke macht?’ schampert Louis Zeegers. ‘Ha! Dat is een verlengstuk van het ministerie van Economische Zaken!’ Zeegers is bestuurslid van Platform Storm, de actiegroep waarvan Nieboer penningmeester is. Hij tilt zijn hoofd wat naar achteren om beter door zijn brilletje te kijken. ‘Is het u dan nog niet duidelijk? De overheid doet alles om deze windmolens mogelijk te maken en giet er een legaal sausje over.’

Thuis vertelt Zeegers dat hij al jaren wordt afgeluisterd; aan de telefoon hoort hij gekke klikjes en piepjes. ‘We leven in een politiestaat’, stelt hij. ‘Alles rondom onze windmolens wordt zwaar bewaakt, want boze mensen moet je in bedwang houden door ze te intimideren. Zag u al die camera’s van BouWatch? Er zijn er net een paar weggehaald nu de kabels onder de grond liggen. Ze gaan ervan uit dat wij daar dan niet meer aan prutsen…’

Zeegers schept er zichtbaar plezier in om de grenzen van het betamelijke op te zoeken. ‘Wist u dat ze hier hekken om de windmolens gaan zetten? Hekken! In Duitsland doen ze dat niet, hoor. Daar kun je er gewoon naartoe lopen. Sterker, je kunt er zo semtex tegenaan plakken.’ Hij draait zich om in zijn bureaustoel en roept over zijn schouder naar een denkbeeldige, verstopte microfoon: ‘Oehoe! Horen jullie dat?! Sém-téx!’ Hij draait zich weer om. Een brede glimlach.

We stappen in zijn gele Peugeot om in de omgeving rond te rijden. Af en toe maakt Zeegers een korte opmerking over waar we zijn. Als we langs Gasselternijveenschemond rijden: ‘Kijk, hier zullen ze dus áltijd last hebben van slagschaduw, zeker als de zon laag staat.’ Meestal vertelt hij hoe hij naar de wereld kijkt. ‘Daarginds is het zand’, vertelt hij als we over een landelijk weggetje rijden. ‘Daar heb je de “normale mensen”. Maar híer, hier is het veen. Dit is het “afvalputje”. Hier wonen de mensen die van oudsher het zware, smerige werk deden, karig betaald en slecht gehuisvest. “Veendrenten” zijn van nature de knechten van de rijke boeren. Wie een beetje slim is, trekt weg. Daarmee verdwijnt de mondigheid en assertiviteit uit dit gebied. Dat is goed te zien in de bereidheid om te protesteren. Is het u al opgevallen dat de meeste mensen die tegen de windmolens in opstand komen niet van hier zijn? Zoals mijn vrouw en ik zijn de meesten hier jaren geleden komen drentenieren. Zij zien hoe mooi en bijzonder dit landschap is. Zij voorzagen al vroeg hoe een machtige, corrupte lobby van groene jongens en rijkelui uit de stad dit landschap naar de filistijnen helpt.’

Windmolen-drieluik

Voor deze artikelenserie keerde journalist Marco Visscher terug naar zijn Drentse geboortegrond. Sinds het voorjaar sprak hij met tientallen mensen uit de Veenkoloniën, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer: van omwonenden en actievoerders tot initiatiefnemers en bestuurders. Visscher, auteur van De energietransitie: Naar een fossielvrije toekomst, maar hoe?, werkt aan een boek over de sociale kant van de energietransitie. Dit is deel 1 van een drieluik over de windmolens in de Drentse Veenkoloniën. Volgende week deel 2, het verhaal van de windboeren.

We staan aan de achterkant van het erf. Wim Vedder, een melkveehouder met aardappelen, wijst aan waar de windmolens komen. Een lange arm zwaait schuin naar links (‘Daar komt er een’) en schuin naar rechts (‘en daar komt er een’). Dan een zucht: ‘Jammer, hè?’

Maar anders dan zijn dorpsgenoten in Gasselternijveenschemond doelt Vedder niet op het uitzicht. Als er dáár, recht vooruit, eentje zou komen, vertelt hij, dan had hij eraan verdiend. Want dát land is van hem. Maar helaas, er komt geen windmolen op zijn land.

‘Puur economisch gezien is het jammer dat we niet meedoen’, zegt Vedder – groene, opengeknoopte overall, grijs geblokt overhemd – als we met koffie op tuinstoelen zitten. De was hangt aan de lijn. ‘Maar als je meedoet is het ook niet prettig, hoor. Die sfeer…’

Zijn vrouw Sieta vult aan, ter verduidelijking: ‘Wij zijn dus géén windboeren.’

De Vedders staan er zakelijk in. ‘Je kunt er toch niets aan doen’, zegt Wim. ‘Nou, dan kun je er beter van profiteren. Dus had ik ze liever op mijn land. Nu moet ik ertegenaan kijken.’ Bij hen is geen collega-boer of projectontwikkelaar langs geweest om interesse te polsen.

Het gesprek gaat over het nut van duurzamer energievoorziening. ‘We begrijpen allemaal dat er iets moet gebeuren’, zegt Wim Vedder. ‘Maar waarom zou je niet iedere huiseigenaar in de gelegenheid stellen daar op zijn eigen manier aan bij te dragen? De één wil het huis beter isoleren, de ander wil zonnepanelen op het dak. Laat je mensen de keuze, dan had iedereen op zijn eigen manier voordeel gehad. Maar waarom moet er nu zo’n kleine groep zijn die de voordelen ziet? Dit is ons gewoon door de strot gedrukt.’

Sieta: ‘Ach, het kwaad is al geschied.’

Dat de boeren aan de windmolens gaan verdienen, daar is bij de omwonenden – de burgers, welteverstaan – best begrip voor. Annie Rispens, uit Nieuwediep: ‘Als ik boer was en al die dure machines had staan, zou ik het misschien ook wel doen.’ Miranda Bresser: ‘Als je weet hoe slecht de opbrengsten zijn voor een boer, dan snap ik het wel. Dus ik kan ze dat niet kwalijk nemen.’ En als Ben van der Putten boer was? ‘Lekker veel geld verdienen door een klein stukje van mijn land op te geven? Jahaa, dan zou ik het ook doen!’

Wat hen meer stoort, het allermeest, is dat het plan voor de windmolens erdoor gedrukt lijkt te zijn. Of, zoals ze hier in de regio zeggen: het was al gestorte pap. Juan Groenhof: ‘Wij zijn nooit serieus genomen.’ Anna Kampinga: ‘Het was allang bekonkeld, lang geleden.’ Miriam Ootjers: ‘De overheid heeft nooit naar ons geluisterd en heeft ons nooit iets verteld. Wij wisten al die tijd van niks en nog steeds weten we eigenlijk niks.’ Maar ja, voegt ze wrang toe, ‘wij zijn dan ook maar omwonenden, hè?’


Dit verhaal kwam mede tot stand met steun van Fonds 1877