De politiek van historisch rechtsherstel

Vroeger is niet voorbij

Wereldwijd staat het herstellen van een onrechtvaardig verleden hoog op de agenda. Claims voor herstelbetalingen lopen uiteen van enkele duizenden euro’s tot honderden miljarden. Progressieve idealen zijn meer en meer gericht op het verleden, dat overal ‘present’ is. Heeft de toekomst het nakijken?

Medium gettyimages 3435135
Kenia, 1952. De politie ondervraagt een lid van de Kikuyu-stam. In 2013 erkende Groot-Brittannië schuld aan wreedheden jegens de Kikuyu © Bert Hardy / Picture Post / Getty Images

In de herfst van 1838 sloten de jezuïtische paters Thomas Mulledy en William McSherry van Georgetown College in Washington D.C. een verkoopdeal die afgelopen september, 178 jaar later, de krantenkoppen haalde, van The New York Times tot The Guardian. Voor 115.000 dollar, omgerekend naar 2016 3,3 miljoen dollar, verkochten zij 272 Afro-Amerikaanse slaven – mannen, vrouwen, kinderen, enkele baby’s – aan plantagehouders in Louisiana. Het waren financieel zware tijden. Georgetown College moest schulden afbetalen. Als eigenaar en opzichter van diverse plantages in Maryland leunde de in 1789 door jezuïeten opgerichte onderwijsinstelling al decennia op de opbrengsten van slavenarbeid. Veel van de historische gebouwen van wat tegenwoordig Georgetown University heet – een topuniversiteit met een budget van 1,4 miljard dollar en een van Amerika’s beste law schools – zijn met slavenhanden gebouwd.

Het slavernijverleden van Georgetown University was onder historici al langer bekend. De verkoop in 1838 was de eerste noch de laatste keer dat de universiteit slaven verkocht. Wel veruit de omvangrijkste en uitstekend gedocumenteerde verkoop. Toch haalde deze deal onlangs het nieuws. De universiteit, beloofde rector John DeGioia afgelopen september, zou officiële excuses aanbieden voor haar rol in het uitbaten van slavernij. Enkele gebouwen, waaronder ‘Mulledy Hall’ (vernoemd naar de rectorpater die in 1838 de verkoop sloot), zouden worden hernoemd. Maar het meest in het oog springende onderdeel van dit historische mea culpa was het besluit om de verre nazaten van de in slavernij gehouden Afro-Amerikanen actief te rekruteren voor studieprogramma’s aan de universiteit. Zij zullen voorrang krijgen bij de toelating. Hoewel tal van universiteiten spijt hebben betuigd over hun rol in het Amerikaanse slavernijverleden, waaronder Harvard, Brown en Virginia, is geen van hen zo ver gegaan in het opzetten van rechtsherstelprogramma’s als Georgetown.

***

De omgang van Georgetown University met het historische onrecht waarin zij een rol heeft gespeeld staat niet op zichzelf. Wereldwijd staat het herstellen van een onrechtvaardig verleden hoog op de agenda. Het is een betrekkelijk nieuw fenomeen dat de afgelopen twintig tot dertig jaar een hoge vlucht heeft genomen. De ‘gestolen generatie’ van Aboriginals in Australië; de verdwenen zonen van de ‘Dwaze moeders’ in Argentinië; de slachtoffers van apartheid in Zuid-Afrika; de oorspronkelijke ‘First nations’ in Canada; of de direct na de Tweede Wereldoorlog verdreven Sudeten-Duitsers in Tsjechië – het is slechts een greep uit de vele voorbeelden. Sommige zaken zijn inmiddels afgesloten, andere lopen nog, enkele zijn zeer controversieel. Hoe dan ook lijkt het eind nog lang niet in zicht.

Begin dit jaar nog spanden nakomelingen van slachtoffers van de Namibische Herero- en Nama-stammen een zaak aan tegen de Duitse overheid. Het trok internationaal veel aandacht. Duitsland en Namibië onderhandelen al enkele jaren over herstelbetalingen, verontschuldigingen en een gezamenlijke officiële verklaring. Het is de bedoeling dat daarin de tussen 1904 en 1908 door het Duitse leger in Duits Zuidwest-Afrika uitgevoerde massamoord als volkerenmoord wordt erkend. Woordvoerders van de Herero- en Nama-minderheden voelen zich echter buitengesloten van de onderhandelingstafel en zijn naar een Amerikaanse rechter gestapt. Ze willen voorkomen dat de financiële compensatieregeling wordt gekaapt door de in hun ogen weinig betrouwbare Namibische overheid.

Ook in Nederland kunnen we erover meepraten. In 2011 kreeg een klein aantal achtergebleven weduwen van het zogenaamde ‘Bloedbad van Rawagadeh’, een in 1947 door Nederlandse militairen aangerichte slachting onder honderden Indonesische inwoners van dat dorpje, ieder een bedrag van twintigduizend euro uitgekeerd. In 2014 kregen nog eens zeven weduwen uit Zuid-Sulawesi een vergelijkbare schadevergoeding.

Maar er bestaan ook meer omvattende claims. Het jongste initiatief op dit gebied is afkomstig van de Caribbean Community (caricom), een groep van vijftien Caribische landen, waaronder Haïti, Jamaica en Suriname. In juli 2013 richtten zij een Reparations Committee op met de opdracht een zaak voor te bereiden om excuses en schadevergoeding te eisen van westerse landen voor het leed dat is veroorzaakt als gevolg van meerdere eeuwen slavernij en kolonialisme. Er is officieel nog geen bedrag geëist, maar een van de initiatiefnemers nam de som van maar liefst tweehonderd miljard dollar in de mond. Het lijkt een lange weg te gaan worden. Hoewel in maart 2014 de caricom-landen een concreet tienpuntenplan ondertekenden, is er sindsdien weinig vooruitgang geboekt.

Het initiatief van de Caribische gemeenschap staat niet op zichzelf. In 1999 bracht de African World Reparations and Repatriation Truth Commission een verklaring uit die stelt dat de problemen in Afrika grotendeels veroorzaakt zijn door vierhonderd jaar slavernij en kolonialisme. Een advocatenteam moest een claim voorbereiden tegen West-Europa, Noord- en Zuid-Amerika. De eis voor compensatie: 777 biljoen dollar. Op de Wereldconferentie tegen Racisme van 2001 in Durban, Zuid-Afrika, werd nogmaals verklaard dat de slachtoffers van kolonialisme, slavernij en racisme ‘het recht hebben om rechtmatige en afdoende vergoeding en genoegdoening te claimen’. Sindsdien is er noch van de commissie noch van de duizelingwekkende claim van 777 biljoen nog wat vernomen.

Dergelijke bedragen zullen de meeste mensen, zelfs de voorstanders van herstelbetalingen, als absurd in de oren klinken. Doordat bij dit soort claims volstrekt onduidelijk blijft welke berekening erachter schuilgaat, wie het bedrag moet gaan betalen, en, vooral, aan wie, doen dit soort uitspraken de zaak waarvoor ze strijden eerder kwaad dan goed. Er zijn onnoemelijk veel dingen aan te merken op dergelijke claims. Maar het punt waar het mij hier om gaat is dat het vraagstuk van herstelbetalingen dus uiteenloopt van de weduwe uit Rawagadeh die twintigduizend euro krijgt uitgekeerd, tot een claim van 777 biljoen dollar voor vierhonderd jaar slavernij en kolonialisme. Het ene, zo oordeelde de rechter er althans over, is een valide eis. Met de andere zaak wordt niet eens begonnen, om goede redenen. Maar tussen deze twee uitersten zit een enorme bandbreedte van mogelijke claims waarover het oordeel niet zo eenvoudig is.

Hoe moet de wereldwijde golf van claims voor historisch rechtsherstel worden geduid? Welke relatie tot het verleden wordt erin verondersteld? De fixatie op de erkenning en het herstel van historisch onrecht moet in mijn ogen begrepen worden binnen de bredere, haast obsessieve aandacht voor herinnering, erfgoed en historische identiteit van de afgelopen jaren. In plaats van dat het verleden een ‘foreign country’ is, om met de geschiedtheoreticus David Lowenthal te spreken, lijkt het verleden anno 2017 vooral een bron van morele genoegdoening – met de onvermijdelijke strijd over de vraag wat voor vorm die morele genoegdoening moet krijgen, wie er aanspraak op mag maken en waarom. Het verleden is niet voorbij. Het is overal ‘present’.

***

Op 22 oktober 2016 opende op de campus van Shanghai Normal University een museum zijn deuren dat is gewijd aan de zogenaamde ‘comfort women’ (‘troostmeisjes’). Dit eufemisme, dat overigens moeiteloos in het rijtje ‘politionele acties’, ‘pacificatie’ en ‘collateral damage’ past, verwijst naar de meer dan vierhonderdduizend Koreaanse en Chinese vrouwen en jonge meisjes die gedurende de jaren dertig en veertig door het Japanse leger tot prostitutie en seksuele slavernij werden gedwongen. Tijdens de openingsceremonie van het museum werd een bronzen standbeeld onthuld van twee slachtoffers – een Koreaanse en een Chinese boerendochter in traditionele kledij: een symbolische uitdrukking van de erkenning en herdenking van deze ‘misdaad tegen de menselijkheid’, in de woorden van het hoofd van het Research Center for Chinese Comfort Women.

In plaats van dat het verleden een ‘foreign country’ is, lijkt het anno 2017 een bron van morele genoegdoening

Ook hier bleef het niet beperkt tot een symbolische erkenning van slachtofferschap en historisch onrecht. Eind december 2015 had Japan al besloten om één biljoen Japanse yen (8,3 miljoen dollar) over te maken naar een Koreaanse stichting ter ondersteuning van de resterende en inmiddels op leeftijd zijnde slachtoffers. Japan hoopte dat daarmee de kous af was. De onthulling van het standbeeld viel ze rauw op het dak.

Een andere zaak waarnaar veel aandacht is uitgegaan en waarmee een flinke herstelbetaling is gemoeid, betreft het besluit van de Britse overheid in 2013 om 19,9 miljoen Britse pond (22 miljoen euro) uit te keren aan de slachtoffers van Britse koloniale wreedheden ten tijde van de zogenaamde Mau Mau-opstand in Brits Kenia. Deze antikoloniale revolte van (voornamelijk) leden van de Kikuyu-stam die zich tussen 1952 en 1960 afspeelde, werd uiteindelijk door de Britten de kop ingedrukt. Naast een gruwelijke oorlog (van beide zijden) ging het Britse koloniale bestuur ertoe over zowel rebellen als massa’s Kikuyu die weinig met de opstand te maken hadden op te sluiten in een netwerk van wrede detentiekampen en ‘enclosed villages’ (alweer een goede kandidaat voor het rijtje eufemismen voor koloniale wreedheden). De kampen, zo blijkt uit het werk van historici en recentelijk vrijgekomen archiefmateriaal, waren een toneel van verschrikkingen: martelingen, afranselingen, (seksueel) misbruik, vernedering, gedwongen arbeid, abominabele hygiëne, ziekte en honger. Schattingen van historici en de Kenya Human Rights Commission over het aantal gemartelde, verminkte en geëxecuteerde Kikuyu lopen uiteen van 90.000 tot 160.000. Anders dan lang werd gedacht was de dekolonisatie van het Britse imperium geen (relatief) schone en geweldloze aangelegenheid en waren de kampen geen vreedzame heropvoedingscentra. Na juridisch getouwtrek tot aan het Britse High Court over de vraag of de slachtoffers überhaupt een zaak konden aanspannen tegen de Britse overheid koos toenmalig minister van Buitenlandse Zaken William Hague uiteindelijk voor een schikking: 5228 Kenianen kregen ieder een bedrag van ongeveer drieduizend Britse pond toegekend als schadevergoeding. ‘De Britse overheid’, zo lichtte Hague toe, ‘erkent dat Kenianen zijn onderworpen aan marteling en andere vormen van mishandeling door toedoen van het koloniale bestuur.’ Onderdeel van de verzoeningspoging was de onthulling in september 2015 van een monument in de hoofdstad van Kenia, Nairobi. Volgens historicus David Anderson, specialist in de Britse dekolonisatiegeschiedenis, betekende het een keerpunt in Groot-Brittannië’s postkoloniale relatie tot zijn imperiale verleden. Voor het eerst bekende de Britse overheid in een officiële verklaring dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan martelingen en misbruik in haar voormalige koloniale rijk.

***

Het idee van herstelbetalingen was oorspronkelijk niet van toepassing op individuele slachtoffers van historisch onrecht. Integendeel, het betrof staten na een oorlogssituatie waarin de winnende partij de verliezende partij een verplichting oplegt om geleden verliezen te vergoeden. Het archetype hiervan in de twintigste eeuw is de in het Verdrag van Versailles (1919) vastgelegde herstelbetalingen die Duitsland moest ophoesten aan de geallieerde overwinnaars. Dit veranderde na de Tweede Wereldoorlog. In plaats van aan de winnaars keerde Duitsland compensatie uit aan de verliezers, joden in het bijzonder.

De Duitse schadevergoeding en restitutie van bezit aan individuele slachtoffers van het naziregime werd het model voor moderne herstelbetalingen. Het is ook veruit de omvangrijkste en langst lopende zaak van herstelbetalingen. Nog in mei 2013 kwam het Duitse ministerie van Financiën met de Jewish Claims Conference overeen maar liefst 772 miljoen euro uit te trekken voor verzorgingstehuizen, medicatie en andere sociale voorzieningen voor in totaal zo’n 56.000 joodse holocaustoverlevenden.

Medium hh 11122808
‘Rawagadeh’-weduwe Lasmi of Ladok. West-Java, Indonesië © Donang Wahyu / laif /HH

Herstelbetalingen voor holocaustoverlevenden zijn een concreet onderdeel van Duitslands verwerking van het naziverleden. Vergangenheitsbewältigung, zoals het in het Duits zo mooi heet. Op dat gebied, zo wordt wereldwijd erkend, heeft Duitsland de standaard gezet: de mate waarin Duitsland in de loop der jaren verantwoording heeft afgelegd en de volledige, open confrontatie is aangegaan met zijn eigen pijnlijke naziverleden door middel van onderwijsprogramma’s, monumenten en publieke herdenkingen is ongekend. Onderdeel van dit collectieve leerproces waren concrete herstelbetalingen, niet aan overwinnende staten, maar aan individuele slachtoffers als tastbaar blijk van de Duitse beslissing om volledige verantwoording af te leggen.

Het tweede belangrijkste aangrijpingsmoment voor de opkomst van claims voor erkenning en herstelbetalingen waren de eisen van diverse inheemse gemeenschappen en volkeren in voormalig gekoloniseerde landen in de jaren zeventig en tachtig. Eerst in voormalige Britse koloniën zoals Nieuw-Zeeland, Australië, Canada, de Verenigde Staten, en later in Latijns-Amerika, begonnen achtergestelde minderheden mondjesmaat eigendomsrechten over land, economische hulpbronnen en cultureel eigendom, of bescherming van historische en culturele tradities op te eisen. Het ging hierbij niet alleen om de erkenning van misdaden uit het verleden, maar in bredere zin om het opeisen van de rechten van gediscrimineerde en sociaal-economisch achtergestelde minderheden.

De roep om erkenning van dergelijke etnische minderheden wordt soms geschaard onder een bredere golf van ‘identiteitspolitiek’, waaronder ook de Civil Rights Movement, de tweede feministische golf en homo-emancipatiebewegingen vallen. Deze identiteitspolitiek gaat ervan uit dat bepaalde sociale groepen, bijvoorbeeld Maori’s in Nieuw-Zeeland of Afro-Amerikanen in de VS, vanwege hun identiteit kwetsbaar zijn voor onderdrukking, marginalisatie en achterstelling. Onderdeel van identiteitspolitiek is wat de filosofen Charles Taylor en Axel Honneth de ‘strijd om erkenning’ hebben genoemd. De gedachte is dat het onthouden van respect in de vorm van erkenning van ieder individu een vorm van onrecht is. Het individu wordt daarbij opgevat als drager van bepaalde waarden en eigenschappen die geworteld zijn in een culturele en historische gemeenschap. Daaruit volgt dat de (officiële) erkenning van de geschiedenis van die gemeenschap, inclusief het historische leed, een belangrijk onderdeel is van het scheppen van een rechtvaardige samenleving waarin individuen als gelijkwaardig worden beschouwd. Het vraagstuk van herstelbetalingen ontsteeg daarmee de exclusieve sfeer van holocaustslachtoffers en raakte verbonden met vraagstukken over berouw en formele excuses voor een gedeeld koloniaal verleden.

Zo bezien zijn herstelbetalingen onderdeel van een breder palet van verzoenings- en rechtsherstelpraktijken. Deze praktijken omvatten naast financieel en materieel rechtsherstel, zoals concrete herstelbetalingen en de restitutie van kunst of culturele artefacten, ook symbolische vormen van rechtsherstel: officiële excuses, waarheidscommissies, ceremonies, monumenten – of juist de verwijdering van controversiële standbeelden en namen van gebouwen, zoals aan Georgetown University.

***

Wat verklaart nu de recente fixatie op het erkennen, (symbolisch) herstellen en compenseren van historisch onrecht? Een van de scherpzinnigste analyses die daarover in het afgelopen decennium zijn verschenen is het boek Making Whole What Has Been Smashed: On Reparations Politics (2006) van de Amerikaanse socioloog John Torpey. In zijn analyse moet de wereldwijde opkomst van claims voor historisch rechtsherstel begrepen worden als een reactie op het wegvallen van progressieve toekomstvisies. De ontideologisering, die inzette na de Tweede Wereldoorlog en verder doorzette met het wegvallen van het communisme als geloofwaardig alternatief, liet een leemte achter waarin claims voor historische rechtvaardigheid welig konden tieren. Vanuit dat perspectief is de wereldwijde roep om historisch rechtsherstel in essentie een vorm van post-utopische politiek. Waar het liberalisme, het socialisme en de sociaal-democratie voortkomen uit progressieve verlichtingsidealen gericht op de toekomst stelt Torpey dat de politiek van historisch rechtsherstel hiermee breekt. Op de hopen van stukgeslagen toekomstverwachtingen resteert de genoegdoening van herstel van een onrechtvaardig verleden.

Nu pas zien we hoe vergoelijkend de geschiedschrijving over, zeg, de Britse of Nederlandse (post)koloniale geschiedenis eigenlijk was

In dat verband kunnen claims voor de erkenning en het herstel van historisch onrecht niet los gezien worden van de onstuitbare academische en maatschappelijke aandacht voor herinneringspraktijken, erfgoed en de doorwerking van historisch onrecht in diverse maatschappelijke domeinen. De opmars van het aantal academische platforms, masteropleidingen, proefschriften, wetenschappelijke tijdschriften, conferenties, internationale netwerken, nwo-projecten en wat al niet meer over ‘herinneringsculturen’, ‘omstreden erfgoed’ en aanverwante thema’s is niet te temmen. In het publieke debat zijn de onderwerpen bekend: het uiterlijk van (Zwarte) Piet, de naam van de J.P. Coentunnel, de afbeeldingen van niet-blanke koloniale onderdanen op de Gouden Koets. Maar denk ook aan de discussies over de Cecil Rhodes-standbeelden in Kaapstad en Oxford.

De geschiedtheoreticus Chris Lorenz spreekt van een veranderende zienswijze op de samenhang van verleden, heden en toekomst. Sinds de jaren negentig, observeert Lorenz, staat de veronderstelling van een ‘verleden dat voorbij is’ steeds meer onder druk. Dat verklaart hij, deels in navolging van John Torpey, door te wijzen op het wegvallen van ideologische vergezichten gericht op de toekomst. We leven in een steeds sneller veranderend heden, waardoor de toekomst ‘inkrimpt’. Het gevolg is dat er in toenemende mate wordt teruggegrepen op het verleden dat vervolgens meer en meer het heden in wordt getrokken. Dat schuurt met geschiedenis als academische discipline. Die gaat uit van een ‘verleden op afstand’. De groeiende afstand in tijd zorgt ervoor dat, in Lorenz’ woorden, het verleden ‘afkoelt’. Alleen een verleden dat voldoende is afgekoeld kan een object van (historische) kennis worden.

Vandaag de dag valt de ‘politiek’ van historisch rechtsherstel – herstelbetalingen, excuses, monumenten – echter steeds vaker samen met het wetenschappelijke streven om de historische feiten op een rijtje te krijgen. Een goed voorbeeld is de zaak tegen de Britse overheid over de wreedheden begaan tegen de Keniaanse Kikuyu. Daarin was een cruciale rol weggelegd voor de Amerikaanse historica Caroline Elkins. Het historische onderzoek dat zij uitvoerde als promovenda aan het geschiedenisdepartement van Harvard werd bewijsmateriaal in de rechtszaak tegen de Britse overheid.

Critici, zoals Martin Sommer in de Volkskrant, betreuren deze ‘juridisering’ en ‘politisering’ van de geschiedschrijving. Een historicus hoort in zijn ogen het verleden met gepaste distantie te ‘beschrijven’. Dat lijkt mij een naïeve gedachte. Sommer vergeet dat de manier waarop geschiedenis wordt gepresenteerd continu vorm geeft aan het heden en dat geschiedschrijving daarom altijd als een politieke activiteit moet worden beschouwd. De politieke lading van een geschiedsopvatting is niet in alle gevallen direct inzichtelijk. De geschiedschrijving van de Britse dekolonisatie als een relatief vreedzaam proces (in vergelijking met Frankrijk of België) werd lange tijd in brede kring als ‘objectief’ beschouwd. Totdat historici lieten zien wat er werd weggelaten, waarover niets werd vermeld, hoe beperkt, selectief en arbitrair het gebruikte bronnenmateriaal was.

Nu pas, bijvoorbeeld door nieuwe studies als De brandende kampongs van Generaal Spoor over het geweld van Nederlandse zijde in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van de Zwitserse historicus Rémy Limpach, zien we hoe ‘politiek’ en vergoelijkend de traditionele geschiedschrijving over, zeg, de Britse of Nederlandse koloniale en postkoloniale geschiedenis eigenlijk was. Het verschil is dat de politieke kaarten nu vaker gewoon open op tafel liggen. In eerdere geschiedschrijving was de politieke stellingname alleen tussen de regels te lezen (of daarbuiten). Maar politieke strijd om het verleden is niet per se onwenselijk. Het is zelfs onvermijdelijk. Onze kijk op het verleden verandert immers continu en komt nooit tot stand in een maatschappelijk vacuüm.

In dat opzicht schiet Torpey’s analyse van de opkomst van de ‘politiek’ van historisch rechtsherstel te kort. De politiek van historisch rechtsherstel veronderstelt namelijk niet alleen een rechtvaardigheidsbegrip dat gericht is op het verleden. De argumentatie achter erkenning en herstel is ook op de toekomst gericht: het erkennen en in sommige gevallen herstellen van historisch onrecht is een stap in de volwassenwording van pluriforme en inclusieve democratieën.

***

Hoe moeten we, ten slotte, aankijken tegen huidige en toekomstige claims voor historisch rechtsherstel? Ten eerste: diverse historici hebben niet alleen bezwaren geuit over de ‘juridisering’ van de geschiedschrijving, maar ook over de juridisering van de omgang met historisch onrecht. Rechtszaken over specifieke geweldsdaden zouden zich te veel richten op ‘individueel’ slachtofferschap (in plaats van collectief) en de ‘uitzonderlijkheid’ van excessen benadrukken (in plaats van de bredere en systematische cultuur van direct én indirect geweld). Bovendien zou het nemen van verantwoordelijkheid te veel neerkomen op het afdwingen van de erkenning van juridische schuld in nauw omschreven gevallen. Het nemen van een bredere, oprechte morele verantwoordelijkheid blijft achterwege.

Deze kritiek snijdt maar ten dele hout. Rechtszaken en de publieke aandacht die ermee wordt gegenereerd hebben de potentie om een langdurig stilzwijgen open te breken en publieke debatten aan te zwengelen. In het geval van de rechtszaken tegen de Britse overheid in naam van de Kikuyu-slachtoffers heeft het er zelfs toe geleid dat complete archieven, waarvan het bestaan enkel vermoed werd, onder juridische druk zijn opengesteld – en een nieuwe generatie historici een schat van bronnen heeft opgeleverd. Relatief overzichtelijke zaken zoals die van de overlevenden van Rawagadeh en Zuid-Sulawesi roepen juist grotere en complexere vragen op en kunnen historici ertoe bewegen een stap verder te zetten.

Ten tweede moeten we af van het idee dat erkenning, excuses of herstelbetalingen, zoals de Japanse en Nederlandse overheden hebben gesuggereerd, een definitieve punt zetten achter het afleggen van rekenschap en verantwoording over het verleden. De Utrechtse hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen Beatrice de Graaf merkte eerder in NRC Handelsblad terecht op dat Vergangenheitsbewältigung ‘nooit klaar’ is. Het is gericht op verleden, heden én toekomst.

Uiteindelijk moeten we accepteren dat herstelbetalingen in de praktijk altijd een beetje ‘murky business’ zijn. Het draait in deze discussies nooit enkel en alleen om de ‘zuivere’ vraag naar morele genoegdoening en herstel van historisch onrecht. Geopolitiek, verschuivende machtsverhoudingen en ordinaire discussies over (de verduistering van) geld spelen altijd mee. Of het nu gaat om de betalende partij of de ontvangende partij. Zo hebben de Amerikanen bijvoorbeeld veel druk uitgeoefend op Japan om berouw te tonen over de geschiedenis van de ‘comfort women’ en tot herstelbetalingen over te gaan om zo de verhoudingen met Korea te verbeteren. Een goede verstandhouding tussen Japan en Korea is voor de Amerikanen cruciaal om de invloedssfeer van China in te dammen.

Of neem de Jewish Claims Conference die vaak kritiek te verduren heeft gekregen omdat ze geen duidelijk inzicht geeft in de financiën (we hebben het over miljarden) en uitbetaling aan holocaustoverlevenden. Ook blijkt er al gesjoemeld te zijn met het geld dat de Britse overheid heeft uitgekeerd aan Keniaanse Kikuyu. Ten slotte kiezen overheden in rechtszaken over herstelbetalingen vaak voor schikkingen en wijzen ze juridische verantwoordelijkheid af, juist om erger te voorkomen. Denk, met andere woorden, niet dat erkenning en herstel, zowel toekennen als ontvangen, altijd netjes verloopt en vanuit zuivere motieven gebeurt. Herstelbetalingen zijn een imperfecte oplossing voor een imperfect verleden in een imperfecte wereld.

René Koekkoek is als historicus en publicist verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 2016 op een onderzoek naar laat achttiende-eeuwse debatten over burgerschap in het licht van de Franse Terreur en de Haïtiaanse Revolutie