Het nostalgische tijdperk is aangebroken

Vroeger, toen alles beter was

‹Ja Zuster, Nee Zuster›, het Paleis voor Volksvlijt, Pietje Bell, de stamboom van Slager Stegeman, ‹Het Bureau› als hoorspel, de vijftiger en zijn Harley — we staan aan het begin van het nostalgische tijdperk. Angst voor het heden doet vluchten in een vervalst verleden. Met de desillusie als uitgangspunt.

De naam was perfect gekozen, het typografische grapje helemaal hier en nu. Reclamebureau Capital-e verenigde in zijn naam de twee dingen waar het om draaide: geld en e-business. Twee jaar, een weggevaagde nieuwe economie en een ingestorte advertentiemarkt later, maakt het bureau een doorstart. De bakens zijn verzet. «Dickson & Dickson is een metafoor om te vertellen waar we voor staan: dát niveau van creativiteit en effectiviteit. De eerlijkheid en eenvoud van het vak in de beginperiode van het huidige merkentijdperk. Ja, daar verlangen we wel naar terug.»

Remember the Sixties, De Week van de Jaren Zeventig en de We Love Eighties-dansmarathon. Musicals over The Beatles, Abba en Queen. Swiebertje staat in de dvd-topvijf, verzamel-cd’s van Elvis en de Stones in de toptien. Ja Zuster, Nee Zuster was een theaterhit, nu een bioscoop hit. ’t Schaep met de 5 pooten trekt volle zalen. De opnamen voor de Pipo de Clown-film zijn begonnen. Pietje Bell moet de kerstfilm van het jaar worden. De populairste televisieseries zijn Baantjer, over de anachronistische rechercheur De Cock, en Toen was geluk heel gewoon, met de sentimentalist Gerard Cox. Het hoorspel wordt nieuw leven ingeblazen met een bewerking van J. Voskuils Het Bureau. In Flashback — het nieuwe blad dat «leesplezier voor drie generaties» biedt — aandacht voor de Lelijke Eend, Mariska Veres toen en nu, De familie Knots en «Gezellig fonduen zoals in de jaren zeventig». Op de televisie begraaft oud-Ajacied Benny Muller zijn neus in de opnieuw in productie genomen voetbalschoen van Quick en zegt: «Schitterend hè? Je ruikt de nostalgie!»

Een betrekkelijk willekeurige, want royaal uit te breiden greep uit het aanbod van populaire cultuurproducten die teruggrijpen op «toen». Zonder een goed verhaal erbij verkoop je geen product en steeds vaker grijpt dat verhaal terug op het verleden: de traditie, het ambacht, de authenticiteit, het toen al behaalde succes. Jarenlang consumeerde borrelend Nederland gedachteloos de zielloze fabrieksworsten van Stegeman — vaste waarde in het supermarkt assortiment. Maar zie, met de laatste reclamecampagne is er een heuse Slager Stegeman opgestaan. Op tv wijst hij ons op de ambachtelijke kwaliteit van «zijn» producten. Op «zijn» website mogen we ons verdiepen in de genealogie van het stoere slagersgeslacht Stegeman, dat anderhalve eeuw terug blijkt te gaan.

Handiger nog dan zo’n verhaal uit de oude doos bij het product is het oudedoosverhaal zelf. Ja Zuster, Nee Zuster — op de televisie in de jaren 1967 en 1968 — maakt zozeer deel uit van het collectieve geheugen van Nederland dat het huidige bioscoopsucces bijna onontkoombaar was. Het verhaal werd niet, zoals vroeger nog weleens gebeurde, in de moderne tijd geplaatst of op een andere manier geactualiseerd. Het moderne aan deze Ja Zuster, Nee Zuster is dat het een hermetisch afgesloten ode aan het verleden is. De liedjes zijn nauwkeurig gekopieerd, de personages drinken Exota en wassen met Radion. Wat regisseur Pieter Kramer, geciteerd in NRC Handelsblad, betreft, gaat het om «het Annie-Schmidt-gevoel; heimwee naar een tijd dat alles overzichtelijk was, dat huisvrouwen buiten de hagelwitte was ophingen en de matten uitklopten tegen de gevel».

’t Schaep met de 5 pooten, geadverteerd als «feest der herkenning», is ook een nostalgische trip, zij het anders uitgevoerd. De theatermusical, gebaseerd op de tv-serie uit ’69 en ’70, is nu wél in het heden gesitueerd. Het oude café is omgebouwd tot een «retro seventies-loungeroom» en de personages zijn dertig jaar ouder. Maar aan de heiligverklaarde liedjes is expres geen komma of noot veranderd. Telkens als Door, Lena, Kootje en Lucas inzetten met Het zal je kind maar wezen wijzen ze het heden af en keren we even terug naar die goeie ouwe tijd, toen het stil was op straat omdat we met z’n allen rond de buis zaten. In die tijd wortelt de huidige nostalgiegolf.

Ja Zuster, Nee Zuster en ’t Schaep met de 5 pooten zijn remakes van series die zelf al geladen waren met nostalgie. De wederopbouw is voltooid, de pop- en televisiecultuur dienen zich aan. De uittocht naar Almere komt op gang, er komt niemand meer naar het buurtfeest, de gezelligheid van vroeger verdwijnt, het rusthuis van zuster Klivia heeft zijn langste tijd gehad, die jeugd van tegenwoordig luistert naar beatmuziek en is aan de ma-ri-hu-a-na. Nou, het zal je kind maar wezen. De desintegratie van de samenleving, die de stamgasten en bewoners van de Pruniastraat op zich af voelen komen, zet in de daarop volgende decennia door en vormt de voedingsbodem voor een steeds krachtiger stroom van nostalgische gevoelens en uitingen. Toch was nostalgia, zoals het fenomeen ook wel wordt genoemd, tot voor kort not done. Retro, de onder jongeren populaire variant op nostalgia, kon er nog mee door als een ironisch en hip commentaar op de leegheid en het gebrek aan authenticiteit van het heden. Maar welgemeend omzien naar vroeger was voor losers. Dan kon je gewoon niet meekomen in de moderne wereld van flitskapitaal, stakeholder value en beleggingshypotheek. De zeepbel van de nieuwe economie, de stille beurskrach, de gebeurtenissen van 11 september, Fortuyn en de roerige tijden sindsdien, hebben daar verandering in gebracht.

Radicaliserende wereldbeelden laten geen ruimte meer voor ironie. Optimisme is omgeslagen in pessimisme. Futurologie is vervangen door nostalgie. Nostalgia zet zich af tegen de moderne tijd, maar is er onlosmakelijk mee verbonden. Beter gezegd: ze is er onderdeel van. Ze zet zich af tegen de kille, technologische wereld van virtuele netwerken en schreeuwerige massamedia. Ze wil vluchten in de illusie van betere tijden, maar doet dat voor een belangrijk deel juist door gebruik te maken van de pc, tv, cd en dv. Dankzij internet groeide genealogie de laatste jaren uit tot een immens populaire hobby. Talloze archieven overal op de wereld zijn nu vanuit de eigen studeerkamer toegankelijk, contact maken met verre, onbekende familieleden is een peulenschil. Duizenden trotse hobbyisten presenteren hun stamboomonderzoeken op eigen homepages. Het is allang niet meer het exclusieve terrein van de vutter, die in de herfst van zijn leven nog wat wil puzzelen. Juist voor de ongewortelde veertiger in zijn anonieme nieuwbouwwijk biedt genealogie de mogelijkheid om zich in elk geval nog ergens mee verbonden te voelen. Ook schoolreünies en dienstreünies, vroeger zo moeizaam te organiseren, zijn nu rages dankzij de zoekmachine en het message board. Op je computer download je foto’s en filmpjes van vroeger, waarmee je naar eigen believen je eigen geschiedenis — «mijn tijd» — in elkaar knutselt. Volgend jaar gaat het nieuwe Aviodome-themapark bij Lelystad open. Pronkstuk van de tentoonstelling wordt de «Conny», een 54 jaar oude Lockheed Constellation — na de oorlog het vlaggenschip van de KLM-vloot. Ideaal voor de beleving van het «ik weet nog goed dat…»-gevoel. In het Stedelijk Museum in Alkmaar is Alle dagen zondag: Foto’s van Noord-Holland in de jaren vijftig, te zien. De jaren van de wederopbouw worden niet, zoals tot voor kort, voorgesteld als een tijd van bekrompenheid en benauwenis, maar als een bijna gelukzalige periode van eenvoud, veerkracht, rust en ruimte. De geïnspireerde bezoeker kan in de studio bij de tentoonstelling voor de camera zijn eigen oral history kwijt. Jeugdsentiment — je kunt er zelfs op promoveren. Althans, W. Brakkee mocht onlangs in het Utrechtse Academiegebouw zijn promotor om de oren slaan met zijn kennis van de in 1974 opgedoekte voetbalvereniging d.o.s. Hij kan zich nu officieel specialist noemen.

Eddy Becker, die in de jaren zeventig voor de NCRV berichtte over de wereld van pop en jeugdcultuur, heeft het nabije verleden ontdekt als een onuitputtelijke grondstof voor een gezonde onderneming in de vrijetijdssector. De voetbalplaatjes van Brakkee kunnen zo in het maandblad Flashback, dat Becker begin dit jaar begon.

Becker: «Wat zou er van Chubby Checker geworden zijn? Dat soort dingen begon ik me tien jaar geleden af te vragen. Bleek hij inmiddels in de borrelworstjes te zitten. Goh, wat grappig, dacht ik dan. Maar voor het idee om over dat soort dingen een blad te maken was de tijd nog niet rijp. Inmiddels is er zoveel belangstelling voor het verleden dat ik er toch mee ben begonnen. Het gaat leuk. De oplage is 50.000. Daar verkopen we er 30.000 van.»

Wat nostalgie hier en daar, nu en dan, wat is daar slecht aan? vraagt Becker retorisch. «Een avondje meezingen met Ja Zuster, Nee Zuster en de volgende dag ben je weer helemaal van deze tijd. Dan kun je er weer tegen», zegt Becker.

Maar is dat ook zo? Nostalgia beperkt zich niet meer tot de vrijetijdsindustrie. Nu de «woonconsument» meer te zeggen heeft over het huis en de omgeving waarin hij moet wonen, komt de hedendaagse architect, met zijn waarschijnlijk diepzinnige maar onnavolgbare opvattingen over functionaliteit en moderniteit, steeds minder aan bod. Omarmd wordt de «wederopbouwarchitectuur» van Rob Krier. «Normaal» is voor deze Luxemburgse architect geen diskwalificatie maar een kwaliteit. Geïnspireerd door de romantische dorpsgemeenschap van vroeger bedenkt hij omgevingen die de gebruikers niet vervreemden maar juist op hun gemak stellen. Krier, de pionier van het geruststellende bouwen, kan de vraag naar zijn werk nauwelijks aan. Zijn populariteit ligt in het verlengde van een steeds krachtiger lobby die ijvert voor het historische landschap, of dat nu stad of land betreft. Nederland is bezaaid met monumentale stadjes. De oude kernen van bijvoorbeeld Gouda, Delft en Hoorn — met hun uit de wereld van Anton Pieck weggelopen klinkerstraten en gerestaureerde gevels — bedoelen pittoreske oases te zijn te midden van het uniforme winkelketengeweld van de moderne tijd.

Ook buiten de stad wordt strijd geleverd tussen verleden en heden. Een op het eerste gezicht gewoon, saai weiland wordt steeds vaker geclaimd als een rijk historisch cultuurlandschap, waar zich in de grond een eeuwenoude infrastructuur bevindt van kerkenpaden, hessenwegen en middeleeuwse handelsroutes.

Kort geleden werd in het Drents-Friese Wold, sinds twee jaar een van de achttien nationale parken in Nederland, een nieuwe overwinning op de moderne tijd behaald. Asfalt maakte plaats voor ouderwetse klinkers. De ooit slingerende straatweg met eiken erlangs werd in ere hersteld en «overgraasbaar» gemaakt voor de Schoonebeeker schapen en hun herder, die een nieuwe, «authentieke» schaapskooi hebben gekregen. Beken, in de jaren vijftig rechtgetrokken, meanderen weer als in gelukkiger dagen. Voor dergelijke projecten zijn brede maatschappelijke coalities nodig van natuurbeschermers, bewoners, politici en het bedrijfsleven. Maar dat klinkt minder ingewikkeld dan het is. Politici knippen inmiddels liever het lintje door van een stiltegebied dan van een bedrijventerrein. En de bedrijven, die in bovenstaand geval toch zomaar een goede transportverbinding kwijtraken, ach, ook daar regeert de nostalgie.

«Bedrijven vragen zich tegenwoordig heel sterk af wat nou echt hun identiteit is, waar ze vandaan komen», zegt cultuursocioloog en bedrijvenadviseur Hans van der Loo (47). «De afgelopen jaren is er te veel te snel gegaan. Juist de bedrijven die alleen maar op shareholder value koersten, laten nu oud-medewerkers interviewen, op zoek naar de loyaliteit die er vroeger op de werkvloer wél was. Visie en missie werden tot voor kort niet serieus genomen. Dat werd uitbesteed. Nu is er een gigantische belangstelling voor.» De nostalgiegolf is nog maar net begonnen, denkt Van der Loo. «Kijk naar de VS. Daar is al een enorme nostalgie-industrie uit de grond gestampt. De vraag wordt gestimuleerd door de babyboomers, die nu massaal de heilige plaatsen van hun generatie afgaan. Ook in Nederland gaat het die kant op. Je hebt het hier over 2,5 tot drie miljoen consumenten, die rijk en gezond zijn, en veel tijd hebben. De gemiddelde leeftijd van een Harley Davidson-rijder is 52. Er worden retro-marketing-congressen georganiseerd. Nou, dan weet je het wel.»

Twintig procent van de bevolking in de geïndustrialiseerde landen is nu zestig-plus. In de jaren vijftig was dat minder dan twaalf procent. De prognose voor 2050 is 35 procent. Een groeimarkt dus, waar de industrie, die zich net had ingesteld op de jongerencultuur, nog aan moet wennen. Anderzijds, nostalgie is niet voorbehouden aan babyboomers. De jaren negentig zullen de popgeschiedenis ingaan als het retrotijdperk, waarin nieuwe megasterren als Lenny Kravitz en Oasis miljoenen mensen aan hun voeten kregen met het schaamteloos plunderen van het oeuvre van The Beatles. Jonge grotestadsmensen zijn pas hip als hun interieur bestaat uit «vintage» meubelen — de voor grof geld uit oude boedels weggesleepte lampen en banken van twintig tot veertig jaar geleden. In een recent televisieportret van Koos van Zomeren merkte de weemoedige schrijver zelf op: «Toen mijn grootvader negentig werd, concludeerde hij dat de wereld onherkenbaar veranderd was. Mij overkwam dat op mijn 55ste. Bij mijn kinderen van 27 en 30 begint de nostalgie nu al toe te slaan.»

En zo neemt de nostalgie de omvang aan van een epidemie. In de politiek overstijgt nostalgia de grenzen tussen links en rechts. De nieuwe leider van de PvdA schurkt bewonderend aan tegen het beeld van de grote voorganger Den Uyl — icoon van het rode hart op de goede plaats, het socialisme in beter tijden. Ondertussen neigt de zwevende kiezer naar de SP. Niet vanwege het radicale partijprogramma, maar omdat de SP nog het meest doet denken aan zo’n goeie ouderwetse zuil van vroeger.

Het normen-en-waarden-debat, aangezwengeld door rechts, wordt beheerst door het «we moeten terug naar de tijd dat…»-sentiment. In Rotterdam wordt binnenkort een plaquette onthuld voor meester Bint, hoofdpersoon in het gelijknamige boek van Bordewijk. Niet om de literaire kwaliteiten van de schrijver te bezingen maar, aldus de Stadspartij, die met het initiatief kwam, om erop te wijzen dat «orde en tucht» niet nieuw zijn in de stad. We hebben een premier die met inzet van zijn gereformeerde jaren-vijftiguitstraling opnieuw de verkiezingen gaat winnen. Voor zijn kiezers is Balkenende godzijdank niet bezoedeld door het verderfelijke tijdperk van progressief cultuurrelativisme en bandeloos individualisme, waar we nu de wrange vruchten van plukken. Achteraf waren die verzuilde tijden zo gek nog niet. Je kende je plaats, de wereld was overzichtelijk. Je had nestgeur. Nostalgia is, tenslotte, ook van alle klassen.

Nostalgia, afgeleid van nostos — naar huis terugkeren — en algia — verlangen — wordt dus veroorzaakt door onvrede met het hier en nu. De moderne mens voelt zich vervreemd van zijn omgeving, zijn bestaan. Hij heeft er geen vat op. Hij verlangt terug naar «huis». Naar de authenticiteit en het waarachtige leven dat hij zich van vroeger meent te herinneren. Komt nostalgia daaraan tegemoet? Het verleden is in ieder geval wél onder de knie te krijgen. We kunnen elke versie van «mijn tijd» maken die we willen. Voor veel mensen is nostalgie een vorm van «er even helemaal tussenuit». Het is ontspanning, soms misschien van therapeutische waarde. Het is geen verhuizing maar een visite aan «vroeger toen alles beter was». Na je bezoek keer je, naar je hoopt, verkwikt terug in het moderne leven. Het is ook een antidotum voor de waan van de dag, een protest tegen de zichzelf overschreeuwende verkondigers van een betere toekomst. Niets mis mee. Maar daar houdt het op. Nostalgia is niet hetzelfde als wezenlijke belangstelling voor de geschiedenis. Het (eigen) verleden wordt niet gebruikt om lering te trekken, het dient niet als inspiratiebron om in het nu tot creatieve daden te komen. Dickson & Dickson bekt aardig maar het is een nepidentiteit. Het is goede sier maken met de palmares van twee dode mannen in de hoop dat daarvan iets op jou afstraalt. Dat jij ook een beetje authentiek lijkt. Want dat ben je blijkbaar niet. Net zo min als worstenfabrikant Stegeman dat is. De historische stadjes, met hun pittoreske haventjes, aangeveegde straatjes en zoete museumpjes, zijn façades van authenticiteit. Doodse openluchtmusea in plaats van levende steden. Ze geven een vals beeld van het straatbeeld van vroeger, dat eerder werd gekenmerkt door verval, afval, stank en armoede. Wouter Bos flirt met de liefdevolle herinnering aan Joop den Uyl, maar het gedachtegoed van de oude roerganger vertalen naar het hier en nu is er niet bij. Van alles wat we als natuurlijk of menselijk ervaren, is het oorspronkelijke het voortreffelijkst, schrijft de filosoof George Steiner in zijn laatste boek Grammatica van de schepping. Van daaruit maakt hij een onderscheid tussen inventiviteit en creativiteit. Kort door de bocht komt dat hierop neer dat inventiviteit hetzelfde is als bestaande elementen met elkaar combineren, terwijl creëren neerkomt op scheppen — uit het niets en in vrijheid. Nostalgia behoort, op z’n best, tot de eerste categorie. Het verwijst naar oorspronkelijkheid en creativiteit maar brengt die niet voort. Ja Zuster, Nee Zuster, Oud Hoorn en de klinkerweg te Wold zijn re-creaties — uitingen van een cultuur die niet in staat is om zijn eigen wereld te scheppen. Nostalgie is geen inspirerende herinnering maar een luie fantasie, ingegeven door angst en onmacht. De nostalgie-industrie springt daar op in en maakt er booming business van. Dat betekent dat de onvrede over het hier en nu telkens moet worden aangewakkerd om maximaal exploitabel te zijn. We staan waarschijnlijk aan het begin van het nostalgische tijdperk. Nostalgia is de wolf in schaapskleren. Een reactie op de vervreemding maar tegelijkertijd de vervreemding zelf. Je keert terug naar een thuis dat niet bestaat. Het onbehagen blijft en neemt bij elke nieuwe nepbevrediging toe. Uiteindelijk wordt de desillusie ons uitgangspunt. Het geloof in eigen kunnen hebben we dan opgegeven.