GESCHIEDENIS Blijf nadenken over een betere wereld

Vroeger was het niet beter

Voor veel Nederlanders hangt er een gouden gloed over het verleden. Maar die nostalgie moeten we wantrouwen. Ongeloof in vooruitgang is de grote crisis van onze tijd.

HET ZIJN GOUDEN TIJDEN voor Radio Nostalgia: in 2009 gelanceerd voor ‘de maatschappelijk teleurgestelde en gemakzoekende mens’ en nu al een daverend succes. Muziek uit de jaren vijftig en zestig, samen met stoffige anekdotes van luisteraars - een schot in de roos. 1,4 miljoen Nederlanders stemden in november af op de Evergreen Top 1000.
De nostalgie heeft de toekomst in handen.
Hoe kunnen we het succes van Radio Nostalgia verklaren? Is het slechts de behoefte aan wat oude smartlappen of ligt er een dieper verlangen aan ten grondslag? Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onlangs voor de zoveelste keer becijferd dat Nederland het gelukkigste plekje op aarde is. Toch ligt er voor veel Nederlanders een 'gouden gloed’ over het verleden. Natuurlijk, aan de top van de wereld is de afgrond diep. Maar voor historici komt de moderne nostalgie uit de lucht vallen. Niet het verhaal van verval, maar het verhaal van vooruitgang was immers het grote verhaal van de moderniteit.
Toch lijkt het oude vooruitgangsgeloof opvallend veel op haar aartsvijand, de nostalgie. Zowel de Nostalgie als de Vooruitgang is niet werkelijk geïnteresseerd in het verleden zoals dat eens was. De geschiedenis is voor beide slechts een imaginaire spiegel om het Nu mee in te kleuren. Dat het vooruitgangsgeloof zo makkelijk omslaat in nostalgie was dus misschien wel te verwachten. Maar ons pessimisme lijkt een beetje een maniertje te zijn geworden.
De nostalgie kan zich in ieder geval beroepen op een respectabele traditie. De Oude Grieken en de joden gingen ervan uit dat er eens een Gouden Tijdperk moet hebben bestaan. Dit 'vervaldenken’ vinden we terug in de mythes van Adam en Eva die uit het Paradijs werden verdreven en de jonge Pandora die de doos opendeed waarin al het kwaad van de wereld zat verpakt. Veel Grieken gingen er bovendien van uit dat de geschiedenis wordt bepaald door eeuwige cycli van vooruitgang en verval. Het lineaire geschiedbeeld ontstond pas met de komst van het christendom. Kerkvader Augustinus geloofde niet dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan aan de tirannie van de eeuwige cycli. De val van Rome maakte volgens hem juist deel uit van Gods masterplan. De vooruitgang werd daarmee onomkeerbaar, maar voor aardse vooruitgang was er binnen het christendom alsnog weinig tijd. De geschiedenis kon immers ieder moment met het Laatste Oordeel eindigen en haar uiteindelijke doel bereiken: een gelukkig hiernamaals voor een kleine groep van uitverkorenen en tandengeknars voor de rest. Er is vaak betoogd dat het moderne vooruitgangsgeloof als een onwettig kind van het christendom moet worden beschouwd. Historisch gezien is dat te simpel, maar het wijst ons wel op de religieuze wortels van het vooruitgangsgeloof. De rede nam de plaats in van God, het utopia die van het Paradijs en de toekomst die van de hemel.
Historische feiten zijn vaak huiverig om zich te conformeren aan de generalisaties van historici. Toch denk ik dat we twee vormen van vooruitgangsgeloof kunnen onderscheiden: Frans (of continentaal) en Angelsaksisch. De eerste variant kunnen we definiëren als 'utopisch’ en verwacht het 'einde van de geschiedenis’ waarin de mensheid een perfecte staat zal bereiken. Veel Franse verlichters geloofden dat de geschiedenis wordt geregeerd door eeuwige wetten. Het was de taak van de sociale wetenschapper om die wetten te onthullen en de toekomst te voorspellen. De klassieke mechanica van Newton en zijn wetten van de fysica waren daarbij het gedroomde ideaal. De eindeloze zoektocht naar de wetten van het menselijk handelen loopt van Auguste Comte en Karl Marx tot Francis Fukuyama en Diederik Stapel - en duurt nog altijd voort.
Het Angelsaksische vooruitgangsgeloof kunnen we associëren met kapitalisme, liberalisme en democratie. Dit geloof heeft geen uiteindelijk 'einde van de geschiedenis’ voor ogen, maar voorziet wel een eindeloze aardse vooruitgang. We kunnen het traceren tot op de filosofie van Francis Bacon en het ontwikkelde zich verder in de Schotse Verlichting, met Adam Smith als belangrijkste vertegenwoordiger. De Fransen verwachtten meer van de staat, de Engelsen meer van de wetten van de markt. Het Franse geschiedbeeld was gesloten, terwijl de Engelse toekomst open bleef. Fransen geloofden in de maakbaarheid van de samenleving en de mens; de Engelsen waren meer geneigd om de donkere kanten van de menselijke natuur te accepteren.
Angelsaksische noties van economische vooruitgang zijn nog altijd dominant. Ondanks de financiële crisis ziet de westerling de vooruitgang in termen van het bnp en de verwachte economische groei. Het Franse vooruitgangsidee is daarentegen bijna helemaal verdwenen. Het geloof in universele waarden, de mogelijkheid van menselijke perfectie en een droom van utopia is vervangen door een verlangen naar culturele authenticiteit. Dat betekent niet de Verlichting overboord is gegooid, maar wel dat haar perceptie is veranderd. Moeten we de verlichtingswaarden als universele waarheden of als culturele verworvenheden beschouwen? Natuurlijk, ze zijn het allebei. Maar dat neemt niet weg dat de nadruk is verschoven van universalisme naar particularisme. Als Verlichting een product van culturele eigenheid wordt, dan moet de vooruitgang plaatsmaken voor de nostalgie. De Verlichting verlicht niet langer de wereld, maar alleen nog zichzelf - de rest blijft achter in het donker.
We hebben alleen nog het residu van het Angelsaksische vooruitgangsgeloof dat zelfs na drie jaar crisis nog overeind staat. Hoewel het vertrouwen in de markten snel is geslonken bestaat er simpelweg geen alternatief. De technocraten kunnen niet anders dan het heden repareren; dromen over een andere toekomst zijn letterlijk ondenkbaar geworden.

HET FRANSE VOORUITGANGSGELOOF had twee zwakke plekken. In de eerste plaats was het opdringerig. De Fransen hadden weinig oog voor het belang van individuele vrijheid dat zo overtuigend werd verdedigd door de Engelsman John Stuart Mill. Neem de geschiedfilosofie van Mills tijdgenoot, Auguste Comte. Toen Comte zeker wist dat hij de wetten van de geschiedenis had ontdekt liet hij geen ruimte meer over voor de mening van het individu - die zou de vooruitgang slechts in de weg staan.
Of denk aan Louis-Sébastien Mercier, die in 1774 een knaller van een bestseller schreef over het jaar 2440. Het is een jaar waarin geen slavernij meer zal zijn. Oorlog bestaat niet en alle mensen doen aardig tegen elkaar. Maar van democratie is geen sprake. Sterker nog, de vrijheid van meningsuiting is minimaal. Atheïsten worden verplicht om een stoomcursus natuurkunde te volgen. Als de goddelozen blijven volharden worden ze, als een allochtoon die zakt voor zijn inburgeringsexamen, het land uitgezet. In de scholen van 2440 wordt geen geschiedenis onderwezen. De archieven zijn vernietigd en alle oude boeken zijn in vlammen opgegaan. Het doet denken aan de profetische uitspraak die de Duitse dichter Heinrich Heine later zou doen: 'Waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen.’
Toch is het anachronistisch om de massamoorden van de twintigste eeuw op de naïeve maar goedhartige Franse utopisten te projecteren. Een verlangen naar een wereld van vrede en overvloed is niet hetzelfde als de wens om anderen het zwijgen op te leggen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de utopisten overal de schuld van gekregen. Prominente denkers als Hannah Arendt, Isaiah Berlin en Karl Popper wisten het zeker: het utopische vooruitgangsgeloof eindigt altijd in genocide. Die analyse baseerde zich meer op de ideologische tegenstellingen van de Koude Oorlog dan op historische feiten. Toch is ze ook nu nog populair.
Het tweede probleem met het Franse vooruitgangsgeloof was dat het te specifiek was. Links werd verweten dat het te veel ideeën had (de kritiek op de ideeënloosheid van de Occupy-beweging is niet zonder ironie). De Fransen gingen uit van blauwdrukken die ze aan het nu ontleenden en zo raakten ze al snel gedateerd. Links moest uiteindelijk wel terugvallen op de clichés van pluralisme en multiculturalisme die al eerder door Berlin en Popper waren verdedigd. Omdat de oude ideeën van vooruitgang hadden teleurgesteld, werden in plaats daarvan alle ideeën omarmd. Die oplossing bleek echter weerloos tegen het verwijt van cultuurrelativisme, dat aan het begin van deze eeuw aan kracht won. Natuurlijk, ruimte voor verschil is een essentieel onderdeel van iedere beschaving. Maar zonder verdere idealen en verhalen blijft het pluralisme leeg en is de toekomst niet meer dan een spiegel van het heden. En wat hebben we aan de vrijheid van meningsuiting als er alleen maar onzin wordt geroepen? Pluralisme is een heilig middel, geen doel op zich.
Een soort religieuze impuls, die het verleden en de toekomst betekenis geeft en in zijn lineaire vorm teruggaat op het christendom - zo'n zingevend elan ontbreekt in onze samenleving. Om de vooruitgang een toekomst te geven moeten we de goede elementen uit de twee ideeën van vooruitgang combineren. De Engelsen gaven ruimte voor verschil van mening en individueel initiatief. Hun toekomstbeeld was open, maar toch optimistisch. Het probleem is echter dat als de vrijheid leeg blijft, de hebzucht uiteindelijk zal overwinnen. Adam Smith zorgde voor de morele rehabilitatie van het verlangen naar winst, maar winst alleen kan een samenleving niet vooruit helpen.
Dus daar komen de Fransen met hun dromen en idealen. Niet te specifiek, want voor we het weten zitten we weer met een beklemmende blauwdruk. De joodse filosoof Theodor Adorno schreef dat we het paradijs niet moeten zoeken in concrete visioenen, maar in de afwijzing van een slechte werkelijkheid. Juist die 'negatie’ wijst ons de weg naar een betere wereld.
Dat de samenleving niet maakbaar zou zijn is gewoonweg onzin. Stap voor stap-hervormingen gaan prima samen met een vaag vooruitgangsgeloof: aan elkaar ontlenen ze hun kracht. De geschiedenis van vooruitgang laat zien dat vooruitgang vaak een selffulfilling prophecy is geweest. Maar wat geldt voor optimisme geldt ook voor pessimisme. Ongeloof in vooruitgang wordt van gevolg tot oorzaak en gaat zo tot de grote crisis van onze tijd behoren.
In het christendom ligt de morele wijsheid besloten dat wij wel in de wereld zijn, maar niet van de wereld. Het beleven van aardse dingen zonder erdoor te worden opgezogen, zonder in de ketenen van Rousseau, de ijzeren Kooi van Weber of de zinledigheid van het einde van de geschiedenis te belanden - dat is waar het vooruitgangsgeloof ons in kan helpen. Maar de nostalgie moeten we wantrouwen, want hoe graag we het ook zouden willen: vroeger was het niet beter. Vraag maar aan het Sociaal en Cultureel Planbureau.