William James, Pragmatisme

Vrolijke denkexercities

William James
Pragmatisme
Vertaald, ingeleid en geannoteerd door Rein Gerritsen
Veen Magazines, 208 blz., e 19,95

Precies een eeuw geleden hield de psycholoog en filosoof William James (1842-1910) – de oudere broer van schrijver Henry James – gedurende acht avonden achter elkaar de Lowell-lezingen in Carnegie Hall, New York. Zijn thema: het pragmatisme. Zijn publiek, in groten getale toegestroomd: de gewone Amerikaanse arbeider, dat wil zeggen dokwerkers, tunnelgravers en andere nieuwe Amerikanen en harde werkers. James, een geboren docent, was populair. Hij wilde de filosofie uit zijn abstracte ivoren toren lokken en weer onder de mensen brengen. De wijsbegeerte diende terug te keren naar het publiek, ter vertroosting en aanmoediging. Zij moest zich weer richten op de dynamische menselijke ervaring van alledag, zich afkeren van elk absolutisme en cruciale vragen stellen. Hoe te leven? Waar gaat de wereld naartoe? Kan de toekomst er anders uitzien dan het verleden? James zag de waarheid als een relatief begrip. De waarheid leeft grotendeels op krediet en is dienstig aan wisselende wijzen van denken. Waarheden en werkelijkheden veranderen voortdurend. De wereld is wat wij ervan maken, inclusief de waarheid. James’ pragmatische methode had één vast beginsel: waar is wat werkt, wat iets oplevert. Truth is what pays. En die methode, die teruggrijpt op Aristoteles en Socrates, streeft ernaar bestaande werkelijkheden te veranderen. Richard Rorty (Consequences of Pragmatism, 1982) weet zich dan ook schatplichtig aan James.

Aan het begin van zijn slotlezing in Carnegie Hall, over de verhouding tussen pragmatisme en religie, citeert James uitgebreid een lofzang op de lezer van de romanticus Walt Whitman. Whitman, de Leaves of Grass-_dichter van _I Celebrate Myself en I Contain Multitudes, wilde zijn lezers aanmoedigen en elektrificeren: «Wie u ook bent! Koste wat het kost, eis uw deel!» De lezers waren «even onmetelijk, oneindig» als de eindeloze weidegronden en rivieren. James ziet twee lees-wijzen: de monistische, die het mystieke en kosmische benadrukt, en de pluralistische, die zich concentreert op de mogelijkheden van de lezers, op hun energieke zelfvertrouwen. De pluralistische leeswijze is pragmatisch, omdat die de geest voedt met een reeks gedetailleerde voorstellen «over een mogelijke toekomst».

Wie William James een pragmatische idealist, een nuchtere anarchist, een vrije-wil-determinist of een pluralistische monist noemt zit op het goede spoor. Tegenover het feit dat de natuur voet bij stuk houdt, en dat het naturalistische race-milieu-moment niet weg te denken valt, staat de romantisch-vitalistische sponta-neïteit van Whitman die ervoor kan zorgen dat de toekomst geen duplicaat van het verleden wordt. De vooruitgang is een mogelijkheid. James’ geloof in de vatbaarheid voor de verbetering van de mensen (meliorisme) is onderdeel van zijn pragmatische methode, ondanks zijn besef dat de menselijke geest ingeklemd zit tussen de dwang van de waarneembare wereld en een ideale wereld. «De vrije wil betekent het scheppen van iets nieuws, iets wat er nog niet was.» Noem deze denkexercities maar vrolijke dialectiek, het vrijelijk jongleren met tegenstellingen dankzij een lenige geest en rekkelijke definities. De wereld is één en veel: pluralistisch monisme. De vraag die zich opdringt, niet alleen onder absolutistisch denkende rationalisten, is natuurlijk: wat betekenen die tegengestelde begrippen nog als James die zo dialectisch-gemakkelijk met elkaar laat vervloeien? «De wijsbegeerte die uiteindelijk zegeviert zal de wijsbegeerte zijn die het meeste indruk maakt op de gewone man.» Dat klinkt wel erg populistisch, modieus en opportunistisch. Wie is die gewone man dan? En hoe kan de filosofie gevrijwaard blijven van vooroordelen, bijgeloof, opportunisme of massahysterie? James, die het humanisme een warm hart toedraagt, kan toch niet bedoeld hebben dat de bewust maatschappelijk betrokken wijsbegeerte meebuigt met de waan van de dag?

Medium webvervreemding

Zijn verzamelde lezingen, Pragmatisme: Een nieuwe naam voor enkele oude denkwijzen, vormen de kern van James’ activistische filosofie die voortborduurt op het individualisme vol burgerlijke ongehoorzaamheid van Thoreau, maar die zich eerder richt op oriëntatie (op alle menselijke ervaringen, inclusief de religieuze) dan op confrontatie met eeuwige dogma’s, onwrikbare doctrines en gesloten denksystemen. Het is zinloos te wikken tussen voorbeschikt en vrij of tussen materialistisch en spiritueel. Aan dergelijke discussies komt geen einde en ze zijn dus niet pragmatisch. Dat wil niet zeggen dat James discussies uit de weg gaat. Het gedachtegoed van Nietzsche en Schopenhauer bijvoorbeeld doet hij af met een grove oneliner: «het klaaglijk gekerm van twee creperende ratten». Dat getuigt niet van een open geest, waar James’ pragmatisme zo prat op gaat. De abstract denkende filosofen storten zich op «de schimmenwereld», terwijl de zogenaamd gewone mensen («de massa in stilte denkende en voelende mensen») écht zouden leven, écht zouden ervaren en de waarheid zouden kennen, aldus James in zijn openingslezing over de dilemma’s in de filosofie. Wat is dit, pragmatisme of proletarisch getinte romantiek? Bestaan er dan geen vervreemding, indoctrinatie en manipulatie, is er alleen zuivere ervaring van de Amerikaanse man in de straat? James’ heeft-het-nutfilosofie is wat al te eenvoudig, en niet alleen omdat die zich op de «eenvoudigen van geest» richt.

Rein Gerritsen is al jarenlang een Hollandse pleitbezorger van William James. Hij is niet alleen de auteur van het James-deeltje in de Kopstukken Filosofie-reeks van Lemniscaat, maar ook de vertaler en inleider van Pragmatisme. In zijn inleiding schrijft hij veel van zichzelf over uit zijn James-monografie. Tegelijkertijd probeert hij krampachtig actueel en polemisch te zijn door Herman Philipse’s atheïstische boekje Verlichtingsfundamentalisme?, een open brief over Verlichting en fundamentalisme aan Hirsi Ali en Donner, in een «jamesiaans betoog» te bekritiseren. De gesloten denkwereld van Philipse – die in Het atheïstisch manifest (2004) pleit voor een nuchtere hartstocht – zou intolerantie en pluralisme juist tegengaan, suggereert Gerritsen. Werkt Philipse’s boekje? Dat vraagt Gerritsen zich als James-adept af. Hoewel Philipse wel degelijk inspeelt op wat er leeft, haakt Gerritsen af waar Philipse zich te buiten zou gaan aan een geharnast atheïsme (dat godsbeelden zou stimuleren). Jammer, want -hartstochtelijk debatteren over geloof en geweld, terrorisme en tolerantie is actueel, nuttig en noodzakelijk. Zo’n debat werkt alleen als niemand afhaakt. De pragmaticus is er niet door alleen maar uit te roepen: damn the absolute!

Was Gerritsen maar dieper ingegaan op Richard Rorty, om de invloed van het Amerikaanse pragmatisme uit te leggen. Rorty’s antifundamentalisme en filosofisch-politieke partijdigheid (richt je op het doorsnee geluk van de doorsnee mens) komt uit de pragmatische traditie. Literatuur pays als die ethische verheffing oplevert (Achieving our Country, 1998). Een gedicht (van Walt Whitman bijvoorbeeld) of een roman van Dickens werkt als de lezer tot verdraagzaamheid en solidariteit wordt aangezet. Rorty koestert de filosofie als de strijd der getemperde hartstochten, een sociaal-democratisch gevecht waar de filosofie en de kunst zich dienen te richten op de gewone mens en op het haalbare. Maar wie het pragmatische nuttigheidsprincipe op de kunst en de filosofie loslaat, maakt ze willens en wetens ondergeschikt aan de ethiek van de dag. En waar blijft de esthetiek dan? Die verdwijnt in het sociaal realisme van de doorsnee mens. Noem mij maar geen wat-levert-het-op-pragmaticus, geef mij maar een nuchtere romanticus die in vervoering kan raken van «nutteloze» schoonheid, van een mooie formulering die de kern van onze existentie raakt. Maar William James blijft nuttig als een oude bondgenoot tegen al te esoterische wijsgeren.