De misleiding van de groeicijfers

Vrolijke getallen

Het IMF publiceert deze maand opnieuw prachtige groeicijfers voor de opkomende economieën in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Maar hoe betrouwbaar zijn die getallen? ‘We hebben allemaal onze verhaaltjes nodig.’

Als Europese ondernemer ben je wel gek als je nog naar India, China of Rusland kijkt. Afrika, dáár moet je zijn. De economie van Oeganda zal de komende zeven jaar het hardst stijgen van alle economieën ter wereld, stelden onderzoekers aan Harvard Center for Economic Development. Het bnp van Ghana groeit met 8,2 procent per jaar, dat van Rwanda met 7,7 procent en dat van Nigeria met 7,1 procent. En laten we Kenia niet vergeten. Tanzania, Zimbabwe, Madagascar, Senegal en Malawi. Stuk voor stuk landen met een bruisende economie. De wereldeconomie moet het van Afrika hebben, de komende jaren. Niets geen recessie of crisis, maar een gemiddelde groei van wel zes procent volgens het imf, uitschieters als Angola halen zelfs tien procent.

De cijfers liegen er niet om. Media, onderzoeksinstituten en overheden bejubelen de groei van het continent. The Economist schreef over ‘Aspiring Africa’, in Time heette het ‘Africa Rising’. Op de website van de Rabobank concludeert columnist Joost van den Akker dat ‘maar liefst 45 van de 54 landen op het continent een economische groei van meer dan drie procent hebben laten zien. (…) Daar moeten gouden bergen te vinden zijn, of niet?’

Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, is het dat meestal ook. In het geval van Afrika lijken in de euforie van de hoge economische groei alle nuances weg te vallen. In een vol klaslokaal van de Universiteit Leiden laat hoogleraar Ian Taylor een powerpointplaatje zien van twee covers van The Economist. De eerste cover, uit mei 2000, spreekt over ‘the hopeless continent’, tien jaar later, december 2011, werd dat: ‘Africa rising’. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Steeds meer ondernemers, ontwikkelingsorganisaties en grote bedrijven bewogen zich op de Afrikaanse markt: ‘Hun aanwezigheid was een reactie op de interesse van niet-traditionele partners als China en India’, zegt Taylor. De hoogleraar internationale betrekkingen aan de Britse University of St Andrews is in Leiden om te praten over de groei van de Afrikaanse economie. The new scramble of Africa noemt hij het. Wie profiteren van die groei? Net als tijdens de conferentie van Berlijn (1884-1885) is er een continent vol potentie te verdelen.

Maar wat verdelen we nu precies? Taylor is kritisch over de groei van Afrika. De term ‘Africa rising’ noemt hij ‘problematisch’ omdat die puur is gebaseerd op de groeicijfers, die op hun beurt weer vertekend zijn door de massale export van grondstoffen als olie, ijzererts, coltan, suiker en cacao. ‘Een commodity based economy haalt weinig uit tegen armoede’, zegt Taylor. Wat wél zou kunnen helpen is ontwikkeling van de eigen industrie, maar die wordt tegengewerkt door goedkope geïmporteerde producten uit bijvoorbeeld China. Afrikaanse landen dienen hun economie diverser te maken, willen ze écht groeien, en vooral: wil de bevolking een graantje meepikken van de groeicijfers.

Een mooi voorbeeld is Ghana. Het is een van de snelst groeiende Afrikaanse landen, dankzij drie sectoren: olie, mijnbouw en cacaoteelt. ‘Het lijkt alsof het geweldig gaat, maar het gaat gewoon goed in Ghana.’ Sebastiaan Soeters van het Afrika Studie Centrum kent de cijfers en de bijbehorende nuances uit zijn hoofd. De economie van Ghana leek enorm te groeien nadat een nieuw basisjaar als uitgangspunt werd genomen. Bovendien werd de telecommunicatiesector plotseling meegenomen in de bnp-berekening. Daarbij is de prijs van grondstoffen op dit moment heel hoog, wat erg gunstig is voor het bnp, maar geen banen oplevert. ‘De werkloosheid is nog nooit zo hoog geweest’, zegt Soeters. ‘Ghana maakt een verschrikkelijk snelle groei door, maar de structuur van de economie is niet veel beter dan vroeger. Bijna negentig procent van de economie speelt zich af in de informele sector. Die sector wordt wel meegerekend in het bruto binnenlands product, maar er wordt geen belasting over betaald en er is daar weinig sociale zekerheid.’

Een ander voorbeeld: Nigeria draagt met een bbp van 450,5 miljard euro in 2012 officieel de titel grootste economie van Afrika. Maar om nou te zeggen dat de Nigerianen veel te besteden hebben? Zeventig procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens (2010). ‘De oliesector verklaart tachtig procent van de groei’, zegt Steven Brakman, hoogleraar internationale economie in Groningen. ‘Die sector haalt de zaak uit balans want ze domineert de economie. Dat is zonder meer een gevaar. Hetzelfde gold voor Cyprus waar de economie werd gedomineerd door de financiële sector. Een goede statisticus kijkt daarnaar en zet die sector apart als hij een analyse maakt.’

Wie in de cijfers duikt, merkt al snel dat groeicijfers niet altijd de waarheid vertellen. Het bekendste voorbeeld van een regering die de cijfers bewust manipuleerde is Griekenland. Toen de Griekse economie een paar jaar geleden ontplofte, bleek plotseling dat er een omvangrijke zwarte sector bestond. Inkomens werden op papier belachelijk laag gehouden, zodat er zo min mogelijk belasting verschuldigd was. Niemand stelde vragen bij de grote auto van de buurman.

Ook over de zuiverheid van de Chinese groeicijfers bestaan twijfels. In 2005 begon de Chinese overheid een nieuwe rekenmethode te gebruiken. Plotseling was de economie achttien procent groter dan werd aangenomen. In de jaren erna werd druk gespeculeerd over de oorzaken van de sterke groei, die niet leek te rijmen met de krimp van de omringende landen. Hoe konden elektriciteitsverbruik en olie-import dalen, terwijl de industriële productie steeg? En is het niet verdacht dat de Chinese regering de cijfers zo snel paraat heeft? Brakman: ‘Bij China heerst het gevoel dat het cijfer beleidsmatig naar boven of naar beneden wordt aangepast. In ontwikkelingslanden, maar ook in China, zijn de statistische bureaus bovendien niet zo goed als wij gewend zijn. De mensen zijn minder opgeleid, weten soms niet hoe ze cijfers moeten interpreteren en ramingen moeten maken.’

Het is een intensief proces om de bandbreedte tussen de ramingen en de werkelijkheid te dichten. Er zijn mensen nodig die fysiek bedrijven bezoeken en cijfers verzamelen. Griekenland uitgezonderd wordt er binnen de Europese grenzen nooit met economische cijfers gesjoemeld, beweert Brakman. In ontwikkelingslanden ligt dat anders, zegt Ian Taylor. Daar ontbreekt het zo vaak aan cijfers dat hij van een ‘Afrikaanse statistische tragedie’ spreekt.

Maar naast gebrekkig cijfermateriaal en opzettelijk gegoochel is er ook de interpretatie die, bewust of onbewust, een hoger doel moet dienen. In tijden van economische tegenspoed smachten Europeanen naar grootse verhalen over hoe het óók kan. Dan zijn de politici en de media niet te beroerd om de beschikbare feiten en cijfers naar onze voorkeur te interpreteren. Heldenverhalen uit Afrika geven de burger moed, maar ook het verhaal van Letland valt in die categorie feel good. Het Baltische staatje ging dankzij zware bezuinigingen van twintig procent economische krimp naar vijf procent groei. Daarmee was het volgens The New York Times de best presterende economie van de EU.

Philip Pilkington zet daar op de website Nakedcapitalism.com vraagtekens bij. Immers, een economische opleving van vijf procent betekent nog altijd een krimp wanneer de economie in kwestie moest opkrabbelen van een ongekend harde val van twintig procent. Zo zijn er meer statistieken waar Pilkington over struikelt. Het werkloosheidscijfer van 14,2 procent wordt door The New York Times vergeleken met datzelfde cijfer in Griekenland en Italië (25 procent). Maar, zegt Pilkington, ‘kijkend naar voorgaande trends, en het feit dat Letland een kleine, exportgedreven economie is, kun je het waarschijnlijk beter vergelijken met Ierland, waar het werkloosheidspercentage 14,6 is.’

Waarom heeft de auteur van nota bene de gerenommeerde New York Times niet beter gezocht naar eerlijke perspectieven? Het antwoord zit in het begin van het artikel, waar een Letse vader wordt opgevoerd. Om de operatie voor zijn zieke zoontje te betalen, koopt hij een tractor en gaat hout hakken. De Letten zeuren niet (zoals de Grieken) maar werken hard. Het is het romantische beeld van een economie in zware tijden. De boodschap: we komen er wel weer bovenop, als we maar hetzelfde arbeidsethos als de Letten aan de dag leggen.

Volgens Pilkinton begeeft de auteur van The New York Times zich op gevaarlijk terrein: ‘We hebben allemaal onze verhaaltjes nodig. Maar dit is nogal primitief. We hebben het niet over individueel lijden. We hebben het over het economisch management van een land. Letland is (…) het centrale punt van westerse fantasieën en dromen geworden: een plek waar we onze eigen economische problemen op projecteren en het zinloze beleid van onze politici rationaliseren.’

Het Westen wil maar al te graag geloven in het romantische beeld van een economie die uit het duister omhoog kruipt. Daarom doen we weinig moeite om de cijfers te nuanceren. Die hang naar succesverhalen en in sommige gevallen ook gemakzucht, kan grote gevolgen hebben.

Het Griekse drama is evident, maar wat te denken van de invloed van Afrikaanse economieën of regeringen van bric-landen (Brazilië, Rusland, India en China) in internationale organisaties? In het imf-bestuur wordt langzaam maar zeker plaatsgemaakt voor vertegenwoordigers van opkomende economieën, maar is dat terecht als de welvaart slechts bij een klein deel van de inwoners terechtkomt? Politicologe Freija Vermeer is adviseur internationale maatschappelijke vraagstukken bij adviesbureau Van de Bunt. ‘De groeicijfers zijn heel mooi, maar vanuit welk oogpunt? Hoe is het totale systeem ingericht? Ik word daar altijd een beetje kriebelig van’, zegt Vermeer. ‘Uiteindelijk gaat het om de investeringen die de overheid doet in de welvaart en in het welzijn van individuen.’

De westerse politiek laat zich volgens de politicologe maar wat graag misleiden door de optimistische groeicijfers van Afrikaanse landen. Het maakt bezuinigen op ontwikkelingshulp stukken gemakkelijker. Ook Soeters ziet de effecten van de groeicijfers in het Nederlandse beleid. ‘De Chinezen hebben laten zien dat je geld kunt verdienen in Afrika, en wij gebruiken dat model nu ook. Om onze bedrijven ook in die gigantische groei te krijgen wordt ontwikkelingshulp gekoppeld aan handelsmissies. In Ghana heeft de ambassade een potje voor voedselzekerheid. Er gaat geld naar cacao, palmolie en tuinbouw. Die eerste twee zijn geen voedsel, maar toen ik vroeg waarom ze gefinancierd werden vanuit het potje van voedselzekerheid, kreeg ik als antwoord: als boeren meer verdienen kunnen ze meer voedsel kopen.’

In werkelijkheid prevaleert het Nederlandse belang, denkt Soeters. Immers: cacaohandelaren brengen hun lading naar Nederlandse havens. ‘Zíj zijn niet de mensen die ontwikkelingshulp nodig hebben, terwijl het noorden van Ghana een van de armste gebieden van Afrika is. Maar de ontwikkelingssector is daar niet in geïnteresseerd, want het bedrijfsleven kan er niet bij aansluiten.’

De optimistische groeicijfers lijken de koopmansgeest waarmee ontwikkelingswerkers onder het nieuwe ontwikkelingsbeleid het veld in worden gestuurd te rechtvaardigen. Soeters: ‘Ik weet niet of het ministerie van Buitenlandse Zaken is misleid door cijfers, of dat ze de cijfers juist gebruikt om haar beleid te verkopen. Maar het is zeker één van die twee, en er zit weinig nuance in.’