OPERA

Vrolijke orgie in een bunker

Salome

De Oost-Duitse toneelschrijver Heiner Müller heeft zijn toneelstuk Kwartet, naar de achttiende-eeuwse schandaalroman van Laclos, een dubbele plaats- en tijdsaanduiding meegegeven: ‘De tijd: voor de Franse Revolutie / bunker na de Derde Wereldoorlog’. Dat heeft de Duitse regisseur Peter Konwitschny ongetwijfeld in zijn hoofd gehad toen hij besloot de opera Salome van Richard Strauss uit 1905 bij De Nederlandse Opera op volstrekt tegendraads te regisseren.
Decorontwerper Johannes Leiacker heeft een benauwde, kale bunker neergezet waarin alle personages gevangen zitten. Daarin spelen en zingen ze op een groteske manier het verhaal van Salome na, die als beloning voor een wulpse dans van haar stiefvader Herodes het afgehakte hoofd van Johannes de Doper verlangt. Dat gegeven wordt in het Nieuwe Testament summier aangeduid, waarbij haar moeder Herodias haar tot het kwaad aanzet. Het is door Oscar Wilde in 1896, oorspronkelijk in het Frans, tot een zinderend en schandaalverwekkend toneelstuk uitgewerkt, waarin het jonge meisje Salome verliefd wordt op de vreemde profeet Jochanaan, die weigert door haar verleid te worden tot zijn dood erop volgt. Aan het eind kan zij alleen maar zijn dode lippen kussen, waarop Herodes wanhopig beveelt ook haar ter dood te brengen. Richard Strauss (1864-1949) had de moed de Duitse vertaling van dit stuk op muziek te zetten, die tot zijn beste en meest vooruitstrevende composities wordt gerekend.
Konwitschny – in Duitsland een gerenommeerd en controversieel regisseur – breekt op verschillende manieren met de traditie. Het verhaal speelt niet in bijbelse tijden, maar nu. Er is geen paleis, geen dakterras, geen kerker, alleen maar één benauwende bunker, waar iedereen in zit opgesloten. De bleke maan waar in de tekst steeds naar wordt verwezen is hier niet meer dan een wit luchtballonnetje aan een touwtje. Er is geen buitenwereld, geen komst van een Messias, geen uitkomst. Alle spelers zitten aan een lange tafel, als tijdens een onheilig Laatste Avondmaal, ze liggen eronder te vrijen of slapen in een hoek hun roes uit. Het is een bizarre, vreugdeloze, maar komische orgie. Ook Jochanaan (Johannes de Doper) zit daar midden tussenin aan tafel, op de plaats van Jezus, maar met een papieren zak over zijn hoofd, alsof hij straf heeft. De dans van Salome – door de geweldig zingende sopraan Annalena Persson – is helemaal niet wulps. Wel zet zij alle anderen tot dansen aan, de seniele Herodes, de zinnelijke Herodias, de lusteloze soldaten en de twistende joden, zelfs de Johannesfiguur ontkomt er niet aan. Maar het hoogtepunt van de dans is geen onthullende naaktheid, maar een deur die Salome op de muur van de bunker tekent, als om haar verlangen naar vrijheid te laten zien, waarna alle anderen de contouren van deuren tekenen.
Het is verrassend maar niet onlogisch dat Johannes (bariton Albert Dohmen) hier niet wordt onthoofd, maar in leven blijft. Als Salome zijn lippen kust, zien we daarom nu ook zijn reactie, die wisselt tussen afkeer, angst, verlangen en liefde. De liefde wint. Aan het einde lopen Salome en Johannes eenvoudig van het toneel weg. Ze doen niet meer mee. De regisseur laat de slotkreet van Herodes, ‘Die vrouw moet dood’, door iemand uit het publiek roepen, als een protestkreet. Maar ik had geen aanleiding te protesteren. Deze aangename, vrolijke, chaotische opvoering maakte dat ik de ironische en parodistische elementen in Strauss’ muziek met z’n vele oriëntalismes en walsmelodieën veel beter kon pruimen. Er werd dan ook door alle solisten prachtig gezongen en door het Nederlands Philarmonisch Orkest onder Stefan Soltesz gespeeld met een enorme en ongekende intensiteit.

Salome. De Nederlandse Opera, t/m 5 december in Het Muziektheater; www.dno.nl