Toneel: De Theaterkeuken

Vrolijke studies naar kinderangst

De Theaterkeuken. Zo’n titel ruikt naar die gezellige BRT-kok en zijn kwebbelende assistent Felice («maak er maar een lekker potje van»). Schijn bedriegt. De Theaterkeuken van Artemis biedt een anatomische les op angsten bij kinderen. En: een lekkere toneelmarathon.

De basiskleur van het toneelbeeld van Sanne Danz voor alle vijf de voorstellingen is wit. De speelvloer van de kinderlijke onschuld. Daar begint meteen de leugen — toneelspelers zijn overlevingsleugenaars, de nagespeelde kinderlevens zijn overlevingslevens, de grootste hindernis die moet worden genomen is de angst.

Dat moet de mooie uitdaging zijn geweest voor de twee regisseurs, de vijf schrijvers en de zes acteurs die meewerken aan De Theaterkeuken van Artemis: totaaltheater in kleine bezetting, een laboratorium waarin onderwerpen, verhalen en speelplezier zich vrijuit met elkaar bemoeien, binnen de informele sfeer die kenmerkend is voor een keukentafel. Optimale kwaliteit (áls er gegeten wordt, dan moet er wel góed gegeten worden), gegarandeerd amusement voor alle leeftijden, een inspirerend klimaat — en, als je dat wilt, mogen de deksels omhoog en kun je te allen tijde in de potten en pannen kijken. Ik zag dit goed op smaak afgemaakte project in de Rotterdamse Schouwburg. Het smaakte naar meer.

Het Bossche jeugdtheatergezelschap Theater Artemis bestaat al ruim tien jaar. De kleine troep werd opgericht door schrijfster Pauline Mol, die een uniek theaterhuis voor kinderen bouwde op basis van haar schriftuur en die van de gastschrijvers die ze er liet logeren. Zo’n vier jaar geleden volgde acteur/regisseur Matthijs Rümke haar op. Zijn belangstelling voor nieuw geschreven repertoire binnen het jeugdtheater ligt in de lijn van zijn voorgangster. Maar verder is Rümke een esthetische en artistieke omnivoor: hij sloopt met grote gretigheid de grenzen tussen het repertoire voor volwassenen en dat voor kinderen, hij schuwt de grote spektakels net zo min als de intimiteit van de kleine zaal. Zijn favoriete grap over jeugdtheater: «Belt een mevrouw de Uitlijn om een uitgaansadvies. Zegt de dame aan de lijn: wat dacht u van een voorstelling over een vrouw die haar kinderen vermoordt? Nee, vindt u niks? Dan heb ik er hier eentje over een man die zijn vrouw ziet sterven. Vindt u ook niks? Nou, dan valt het jeugdtheater af.»

De Theaterkeuken van Artemis is als onderneming een typisch Matthijs Rümke-project. Zo vroeg hij een aantal schrijvers, die nog nauwelijks of zelfs nog nooit iets voor kinderen hadden geschreven, een nieuw stuk voor De Theaterkeuken. Samen met huisregisseur Moniek Merkx en zes acteurs (plus twee vormgevers, een muzikant en vier technici) mixte hij deze vijf teksten in korte tijd tot een theatermenu, dat in één maand in vijf steden wordt opgediend — een waagstuk voor zo’n kleine toneeltroep, alleen al omdat elke acteur in drie producties meespeelt. De deuren en ramen van De Theaterkeuken staan open: er wordt, waar dat maar kan, met de kinderen gepraat over wat ze hebben gezien, er is een open oor voor de (soms schrille) protesten van volwassenen tegen de teksten, en er worden (met name in de serie in Amsterdam) aspirant-theatermakers uitgenodigd om te spreken over de manier waarop de nieuwe teksten zijn vormgegeven, geregisseerd en gespeeld.

Het jonge publiek wordt bediend vanaf respectievelijk vier, zes, acht en tien jaar. Voor de afzonderlijke auteurs was die leeftijdsgrens een indicatie, niet meer en ook niet minder. Voor zover ik weet kregen de schrijvers geen thematische of inhoudelijke beperkingen opgelegd — ze konden hun gang gaan en hun fantasie de vrije loop laten. Auteur/regisseur Koos Terpstra (artistiek leider van het Noord Nederlands Toneel) leverde in augustus onder de titel Over wat is en wat waar is een tekst aan, die het midden houdt tussen een script voor stand-up-comedians en een scenario voor een uiterst vermakelijke Publikumsbeschimpfung. Een personage, dat door Terpstra wordt aangeduid als «engelachtig meisje», roept het jonge publiek al op pagina drie van het script toe: «Er is toch geen andere constatering mogelijk. Om je heen zitten hele zielige types. Nou, jij bent net zo. Kleren die door anderen bedacht zijn. Allemaal bang er niet bij te horen. Pukkels. Beugels. Geen eigen mening. Alleen maar egoïsme en eigenbelang. Alleen maar bezig met wat ze allemaal willen HEBBEN. Klieren. Zeuren. Hangen. Vooral geen energie uitstralen. Niets leuks aan. Het beter weten. Maar wat weten jullie dan beter? Het is wachten tot je erbij hoort. Nou, troost je, je gaat er nooit bij horen.»

Ze spreekt tegen haar partner («de kleine man») regelmatig over «kutkinderen» (Manon Nieuweboer, die dit «engelachtig meisje» een zangerig zuidelijk accent meegeeft, heeft het in de voorstelling over «kidkunderen»). Regisseur Rümke heeft in de hier en daar wat looiige scheldtekst veel lucht geblazen, door de twee centrale stand-uppers openlijk aan het twijfelen te brengen over hun kanonnades, waarna een door de regie verzonnen personage, dat nog het meest wegheeft van Annie Schmidts «mislukte fee», het spel totaal overneemt — alles bij elkaar een lekker vette show.

In een vergelijkbare, recht op het publiek gespeelde, stijl — maar dan veel soberder — wordt het stuk Drie aangepakt, voor de allerjongsten, geschreven door Bodil de la Parra, gespeeld door Vincent Verbeeck, Niek van der Horst en Matthijs Rümke, die ook regisseerde. Dit juweeltje gaat over de broertjes Jonas, Jacob en Johan, een drieling van vier jaar, die besluiten van huis weg te lopen omdat ze niet op de school mogen waar ze naartoe willen, en uit solidariteit met Jonas, die «speciaal» is en die dus naar een «speciale» school moet. Jonas is te vroeg geboren en heeft daar een paar tikjes van meegekregen: hij praat in onaffe, hakkelige zinnen (die overigens geweldige, droge poëzie opleveren) en hij krijgt af en toe «aanvallen» waar pillen voor zijn — Matthijs Rümke is (als Jonas) het verstilde centrum van de vertoning, zonder dat het ook maar één moment opdringerig wordt. Op de spierwitte speelvloer staat een verhoging, daar staan drie stoelen, op die stoelen gebeurt het hele verhaal. De «avonturen» van het drietal liggen op het basale niveau van de kinderlijke verbazing over hoe lang het duurt voor een koe is uitgescheten en dat je in de open lucht geen wc’s en geen toiletpapier hebt. Het wonder van Drie is optimale verbeeldingskracht met minimale middelen. Je realiseert het je weer waar je bij zit: zo simpel en zo mooi kan toneel dus zijn!

Even simpel als mooi is ook de bewerking van Shakespeares Macbeth die regisseur/schrijver Moniek Merkx maakte, onder de titel De koning is dood, leve de koning. Opnieuw een spierwit speelvlak, een glittergordijntje, één acteur (Joost Koning) komt op met wat rinkelend ijzer en twee bierkratten, en binnen één minuut maakt hij in zijn uppie zijn openingszin waar: «Het is oorlog». Het hele verhaal over MacB. wordt met een verbluffende eenvoud verteld en de vertelling krijgt vaart via de simpelste ingrepen — zo is MacB. dol op André Hazes, en versnelt hij fabel en handeling regelmatig door middel van een liedtekst van zijn idool. Moniek Merkx heeft de plezierige gewoonte haar jonge publiek vrij snel vertrouwd te maken met de code dat toneel gewoon doen-alsof is, wat de helderheid van de vertelling zeer ten goede komt. Shakespeare-fanaten zijn niet blij met haar aanpak, de kinderen zetten zich na afloop (daartoe uitgenodigd of spontaan) aan een intensief gesprek over de vraag of die MacB. nu een goede koning is of juist niet.

Het aangename, onderzoekende klimaat van De Theaterkeuken van Artemis laat toe dat niet alles even goed hoeft te lukken. Bij de voorstelling De jongens Poe is het spel een neverending imitatie van een neverending science fictionserie, laten we zeggen Star Trek. Terwijl ze bezig zijn, passeert met een zekere regelmaat een zwijgende moeder hun kamerdeur: om er boterhammen neer te zetten of de pispot te legen. Op de een of andere manier heeft schrijver Jan Veldman die basissituatie niet vertrouwd en is hij er een subplot in gaan masseren: eigenlijk is Allan dood en Edgar compenseert het gemis van zijn tweelingbroertje — zoiets, helemaal begrepen heb ik het niet, en regisseur Moniek Merkx heeft de wankele verhaallijn niet kunnen verstevigen.

Tijdens mijn bezoek was de «uitsmijter» een tekst van Gerardjan Rijnders, net als bij Koos Terpstra zijn schrijfdebuut voor een kinderpubliek: Pang!, waarin de hele troep — inclusief regisseur Matthijs Rümke — meespeelt. Het is een diamantje van twintig minuten, kristalhelder van tekst, en even kristalhelder, bijna nuchter geënsceneerd en gespeeld. Pang! ís wat het ís, een scène over een meisje van tien dat bang is, vermoedt dat het helemaal niet bang mág zijn van haar buitenwereld, maar dat desalniettemin álle reden voor haar angsten lijkt te hebben. Als apotheose van deze theatermarathon (vijf voorstellingen in één dag) legde Pang! opeens de (niet gewilde, wel gegroeide) basis onder de hele onderneming bloot: vijf studies in kinderangsten. De angst uit onzekerheid in Over wat is en wat waar is (wie zijn we nu helemaal?), de angst uit woede in Drie (we lopen kwaad weg, maar wat dan?), de angst uit jaloezie in De koning is dood, leve de koning, de angst voor het onzekere (de dood?) in De jongens Poe. En ten slotte de angst zoals die zich het meest klemmend manifesteert: in de vraag of ze is aangepraat, of juist toch wel heel erg écht.

De Theaterkeuken staat van vrijdag 16 t/m zondag 18 november in theater De Krakeling in Amsterdam. Inl.: 020-6245123, of Artemis: 073-6123223, info
artemis.nl, www.artemis.nl.