Vrolijke zelfhaat

Met zijn nieuwe boek De volcontinu grijpt Philip Snijder terug op de structuur van zijn debuut Zondagsgeld (2007). In dat laatste beschrijft hij een aantal scènes uit een jeugd op Bickerseiland in Amsterdam, in dit nieuwe werk gaat het om scènes uit een heel leven.

Medium snijder 2c philip

Jeugd (ja, op Bickerseiland), volwassenwording, familie, seksuele initiatie, aan de drugs, militaire dienst, huwelijk, vaderschap, desillusie, politiek, beroep, ontrouw en dan wordt het wachten op de dood, zou je zeggen, maar daar laat Snijder het niet op aankomen.

Deze verhalen formuleren essenties van een bestaan. Of is dit een roman? Er komen steeds dezelfde figuren in voor, neef Joop bijvoorbeeld, Merel, de eerste vrouw van de ik en zo zijn er wel meer. Op het omslag staat het er niet bij, laten we het er maar op houden dat dit een ‘verhalenroman’ is, een nieuw genre dat Snijder nu voor de tweede keer beoefent. Met meestal dezelfde blik op de wereld, die van een onhandige wegduiker, betrapte kleinburger, loser, van zelfmedelijden doordrenkte angsthaas, noem het allemaal maar op, maar gelukkig af en toe toch ook de blik van een betweter die er niet voor terugdeinst, al was het maar in zijn fantasie, om wraak te nemen op hem aangedaan al of niet vermeend onrecht. Met een blik die genadeloos registreert, ook zichzelf, en daarbij zeker weet dat zich in die registratie de verschrikkingen van het bestaan ontvouwen. En lachen kun je ook met deze naamloze figuur, waarmee Snijder ongetwijfeld niet alleen een zwartgallig beeld van zichzelf wilde neerzetten, maar ook van een bangige Elckerlyc in het algemeen. Wat willen ze van me? Ze. Uitkijken. Opletten. Wegwezen. Hij heeft het toch niet over mij?

Hoogtepunt van de beschrijvingskunst die Snijder beoefent is de minutieuze weergave van de moeizame geboorte van het eerste kind van de ik. Ik schreef eerst ‘van Snijders eerste kind’, maar zo letterlijk autobiografisch hoef je zijn werk niet te lezen. Het zijn maar verhalen, mag je jezelf laten denken, maar af en toe voel je de ervaringen meetrillen. Geloofwaardigheid staat hoog geschreven in het vaandel van deze mensvrezende schrijver. Wie zo’n geboorte al heeft meegemaakt, zoals ik, krijgt er via Snijders weergave met terugwerkende kracht alsnog de zenuwen van en wie het niet wil meemaken, moet het maar overslaan. De kracht van de vrouw in barensnood, de wanhoop van de man die het allemaal ondergaat alsof het iets is wat zich buiten hem afspeelt, zijn prima weergegeven.

Toch even een staaltje: ‘Merels loeien is overgegaan in een reutelend gegrom. Ze komt er nog net mee door de dikke deken van aanmoedigingen en bevelen waarmee de vrouwen haar continu omwikkeld houden. “Persenpersenpersen! Gadoorgadoorgadoor!” Rosita hoor ik ook nog roepen: “Kom op meid, poep dat kind eruit!” De arm de van gynaecologe komt met een schok naar achteren en trekt een fontein van bloedspetters uit Merel los.’

Een ik die zich de hele dag onbevrijd voelt en het dan maar zoekt in klein verlangen en halfzachte afweer

Het komt allemaal goed, geen zorgen, Snijder laat het verhaal met de volgende zin eindigen. ‘Het volgende moment word ik naar die buik toe geroepen door iemand die – dat hoor ik duidelijk in de ongeduldige bijklank van het engelengezang dat me bereikt – me veel, oneindig veel, te vertellen heeft.’ En ondertussen hebben we kennisgemaakt met fraaie voorbeelden van de Snijder-stijl. Details, precieze formuleringen, hij wil dat we alles goed zien, literair beeldenvertoon kom je weinig tegen.

De ik-figuur opereert hyperreflectief, hij is het centrum van de wereld, hij bereidt zich altijd voor op het ergste (ik heb aids!). Dat levert een stijl op die herinnert aan het vroege werk van Gerard Reve (Werther Nieland, De avonden). Een stijl die alles afweert, die weerzin organiseert en die het hele boek doortrekt. Let bijvoorbeeld op de precisie van de beschrijving van een doorspoelende wc. ‘Ik liep verder, deed de wc open en spoelde door, alleen maar om de vettige gladheid van het koordhandvat te voelen, de opwaartse tegendruk te ervaren bij het naar beneden trekken, en bevestigd te zien dat er een gorgelend gebruis losbrak in de stortbak en het water daarna door de schone pot kwam razen.’ Gorgelend gebruis, prachtig!

Zonder humor was dit allemaal overigens niet te verdragen, dan had je naturalisme van het ergste soort, Snijder weet dat als geen ander, hij strooit er ruimschoots mee. Juist in de zwartste passages krijg je nog een rariteit voorgeschoteld, bijvoorbeeld wanneer de ik beseft dat sommige familiebedrijven als De Slegte ook echt door familie worden geleid. ‘Alsof opeens zou blijken dat er ook een Kees Bijenkorf en een Willem Shell bestonden.’

Die naamloze ik is niet alleen zwartgallig maar ook een grapjas die je goed in de gaten moet houden. Een underdog die bijt als hij zichzelf niet meer in de hand heeft en dat gebeurt regelmatig, al komt het niet tot moord en doodslag. Er zitten risico’s aan deze aanpak. Voordat je het weet, zet je een ik-figuur neer die alles beter weet, die neerkijkt op iedereen, die alles haat. Behalve zichzelf. Maar gelukkig druipt de vrolijke zelfhaat ervan af. Het leverde al met al mooie, geestige verhalen op. Met een ik die altijd op de vlucht is, die zich niet durft uit te spreken, zich de hele dag onbevrijd voelt en het dan maar zoekt in klein verlangen en halfzachte afweer. Een ik die alle angsten van de kleinburger in zich verenigt en die tevergeefs probeert te bestrijden.


Medium philip snijder 2c de volcontinu

Philip Snijder, De volcontinu, € 19,99
Beeld: Philip Snijder door Annaleen Louwes