Vrouw op ramkoers

En toch is het een leuk boek, ook al is er van alles op aan te merken.

Was Margherita Pasquini niet in Nederland maar in de Verenigde Staten gedebuteerd, dan zou ze ongetwijfeld zijn ingedeeld in het nieuwste keurlijf voor de schrijvende vrouw: het genre smart women’s fiction. Want de ‘ik’ in haar roman Verschroeide ossobuco zuipt als een beest, rookt ondertussen stevig door, heeft de goede humor (die ook in geval van zelfspot gretig aangewend wordt) en heeft altijd overal direct antwoord op, aldus toewerkend naar 'het laatste woord’ - net als de hoofdpersonen van Helen Fielding (Bridget Jones’s Diary), Melissa Bank, Kate Christensen, Laura Zigman en Candace Bushnell dus. Maar Margherita Pasquini is niet zomaar de zoveelste hippe vrouw die in dit rijtje past, haar boek heeft veel meer te maken met de boeken die een paar jaar geleden werden geschreven door en werden gerekend tot de Generatie Nix.
Xandra Schutte schreef in 1994 in deze krant het essay 'Kijkend naar het eigen achterhoofd’, waarin ze over die schrijvers van de zogenoemde Nix-generatie zei: 'Zij zien hun achterhoofd, zij objectiveren. Zij hebben allen de neiging om met een overdosis aan zelfbewustzijn hun personages en zichzelf stevig in de tijd te verankeren.’ De ik van Verschroeide ossobuco is een tot diep in de hersenen van zichzelf bewuste vrouw, die gaandeweg het boek een rijtje mannen langs ziet komen, zich soms even lijkt te hechten maar wordt platgeslagen door de filmscenario’s in haar hoofd, de wijsheden en citaten, bagage die haar verhindert onbevangen te ervaren. Dat Pasquini daarvoor flink 'over the top’ gaat met het in alle talen citeren, werkt alleen maar versterkend. Prettig leest haar boek vooral in het begin, als het de lezer nog niet zo duidelijk is wat hier gebeurt.
Wanneer die spanning een beetje is weggeëbd, komt de af en toe losse stijl meer aan de oppervlakte. Dan valt op dat bij de door personages uitgesproken zinnetjes steeds 'zei ik’, 'grinnikte hij’, 'antwoordde ik’ en varianten als 'grijnsde’, 'snauwde’ et cetera staan. Of irriteert het dat de Italiaanse familie van de hoofdpersoon ook zo heel echt Italiaans is en dat men in Italië ook allemaal zo heel Italiaans doet (o, die Italianen in het verkeer!)? En eigenlijk is het ook niet zo heel interessant als de 'ik’ ook nog schrijft dat ze een boek aan het schrijven is en een redacteur heeft.
Doordat Pasquini op volle ramkoers vaart, weet ze toch hier en daar te verleiden. Als de 'ik’ verandert in een van de grootste clichés van de jaren negentig, de seriemoordenaar, is één van haar slachtoffers de geile islamitische slager in Amsterdam-Oost en schalt er na diens gruwelijke dood door de Von Zesenstraat: 'All you need is love. Teteredede!’