Profiel: Ingrid Jonker

Vrouwe Zuid-Afrika

Dinsdag 23 mei 1994. In Kaapstad opent Nelson Mandela het eerste democratisch gekozen parlement van Zuid-Afrika. Hij draagt een gedicht voor, in het Engels, maar de verzen, getiteld Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga, zijn oorspronkelijk in het Afrikaans geschreven. De laatste regels: «die kind wat net wou speel in die son by Nyanga is orals/ die kind wat ’n man geword het trek deur die ganse Afrika/ die kind wat ’n reus geword het reis deur die hele wêreld/ Sonder ’n pas». Het is even slikken voor verzetsstrijders én het oude regime: waarom gebruikt de president een gedicht van juist een Afrikaner — van de vijand, geschreven in de taal van de onderdrukker — om zijn boodschap van opstand en bevrijding te verwoorden? De contouren van «Mandela de verzoener» blijken zich af te tekenen. Met het gedicht zet hij een stap in de richting van de «regenboognatie»-doctrine, volgens welke psychisch beschadigde mensen, zowel slachtoffer als onderdrukker, worden geacht elkaar te omhelzen in een land waar waanzin heerst.

Bijna tien jaar later blijkt er meer aan de hand te zijn geweest dan het politieke instinct van de latere winnaar van de Nobelprijs voor de vrede. Tussen de witte en zwarte politici in het parlementsgebouw in Kaapstad waarde namelijk een geest rond die wezenlijk deel uitmaakte van het politieke en literaire leven: Ingrid Jonker, schrijver van het gedicht dat Mandela voordroeg.

Haar levensloop was tragisch, maar niet zonder een bepaald soort energie: natuurkind, vurige minnares, zachte moeder, slachtoffer van machogedrag in het door mannen overheerste literaire establishment, en melancholische waanzinnige die in de nacht van 18 op 19 juli 1965 in de zee bij Drieankerbaai liep — en nooit meer terugkwam.

Ze was 32 toen ze zichzelf doodde. Toch is de dichteres Ingrid Jonker nooit verdwenen uit het politieke en literaire leven van Zuid-Afrika. Ook in Nederland wint ze aan bekend heid, met een vertaalde bloemlezing uit haar werk, een nieuwe VPRO-documentaire en een biografie in de maak.

Haar zelfmoord creëerde een mythe rond haar leven en werk, die veel weg heeft van een psychologisch drama waarin feit en fictie door elkaar heen vloeien. Ook vanuit Nederland worden pogingen ondernomen Ingrid Jonker en haar verzen te doorgronden, wat resulteert in wel erg fraaie teksten. Ingrid Jonker: Ik herhaal je is een bloemlezing uit haar werk, vertaald door Gerrit Komrij en van een nawoord voorzien door Henk van Woerden. «Nawoord» is echter misleidend. Van Woerdens levensschets van Ingrid Jonker, getiteld De dag kent een smalle schaduw, is een prachtig geschreven, gevoelvolle blik op haar leven en werk. Van Woerden, die thans aan een uitputtende Ingrid Jonker-biografie werkt, is tevens scenarioschrijver van de VPRO-documentaire Korreltjie niks is my dood van Saskia van Schaik. Deze filmbiografie munt uit in de wijze waarop de feiten van Ingrid Jonkers leven en haar poëzie puzzelstukken vormen die uiteindelijk moeten passen binnen het ziektebeeld van het land van de apartheid.

Kaapstad, eind jaren vijftig. Een kunstenaarskolonie vormt zich rond enkele prominente stemmen in de letterkunde: schrijver Jan Rabie en zijn vrouw, de schilderes Marjorie Wallace, de zwarte schrijver Adam Small, de Engelstalige auteur Jack Cope, de student beeldende kunst Breyten Breytenbach en de Afrikaanse dichter Uys Krige. Rabie vertelt vaak over zijn verblijf van zeven jaar in Parijs. Daar ontmoette hij de Vijftigers: Simon Vinkenoog, Rudy Kousbroek en Lucebert. Ingrid Jonker voegt zich bij de kolonie op uitnodiging van Rabie, die onder de indruk is van haar debuutbundel, Ontvlugting.

Weldra wordt Ingrid deel van «Clifton mafia», zoals de kunstenaarskolonie bekend staat. Clifton is de naam van het strand waar de groep vaak komt. Het is een paradijs, te oordelen naar Van Woerdens beschrijving in Ik herhaal je: «De kuststrook stijgt steil uit de zee en de witte huisjes lijken regelrecht langs de hellingen te tuimelen, naar kleine inhammen en beschutte stranden met stralend schoon zandloperstrand.» Dagen achter elkaar, vertelt Marjorie Wallace in de VPRO-film, brachten de vrienden door op het strand. Ook Ingrid, die inmiddels een dochtertje, Simone, heeft gekregen. Wallace: «Ingrid was een deerniswekkende moeder. Ze had er veel plezier in alleen maar te liggen met het kind aan de borst. En om in het zand te rollen.»

Maar er is een keerzijde. Breyten Breytenbach vindt die tijd tekenend voor een morele schizofrenie die Zuid-Afrika nog steeds teistert: «Je hebt een absolute sociale hel binnen een fysiek paradijs. We leefden hedonistisch; we lagen op het strand terwijl we wisten wat er aan de hand was in de zwarte woonwijken. Je kon weinig anders doen dan hieraan kapotgaan. Dat gebeurde met Ingrid.»

De witte stranden en het verlichte denken van haar vrienden zijn voor de jonge, aantrekkelijke vrouw een wereld verwijderd van haar jeugd. Weinig is bekend over het huwelijk tussen Beatrice en Abraham Jonker, behalve dat Beatrice «onberekenbaar» was en dat Abraham snel carrière maakte als journalist en rechtse politicus. Toen Ingrid elf werd, overleed haar moeder aan kanker. Jonker werd parlementslid voor de partij van D.F. Malan, Zuid-Afrika’s eerste apartheidspremier. Jonker doet denken aan een typische «super-Afrikaner»: witte mannen die dachten door middel van het intellect Zuid-Afrika’s problemen op te lossen, maar die in werkelijkheid bedwelmd door macht en geld blauwdrukken ontwierpen voor geweld en rassenhaat. In elk geval was het leven van zijn dochter het laatste waar Abraham Jonker zich voor interesseerde. Tegen Ingrid zei hij: «Als je oud genoeg bent om te schrijven, dan ben je volwassen genoeg om op eigen benen te staan.»

Ingrid gaat werken als secretaresse en vertaalster. Ze trouwt met de zeventien jaar oudere schrijver Pieter Venter, maar het wordt een stormachtig huwelijk dat niet zal standhouden. Bij haar vrienden bij Clifton ontdekt Ingrid zichzelf als kunstenaar. De gedichten in haar debuutbundel zijn donker, bijna romantisch-gotisch. Uit Graf: «In haar soektog raak haar hande/ aan die onkruid op die strande… hurk sy roerloos vasgerank/ toegemaak deur wier en sand.» En Ontvlugting: «Ek is die seevoël wat verhongerd daal/ en dooie nagte opdis as ’n maal… My lyk lê uitgespoel in wier en gras/ op al die plekke waar ons eenmaal was.»

In de kleine uren van een mistige nacht dwaalt een mooie vrouw door donkere straten, op blote voeten, gekleed in nacht japon en jas. Een man komt haar tegen op de boulevard aan het strand bij Kaapstad, een journalist die de vrouw herkent. «Kan ik iets voor je doen?» vraagt hij bezorgd. Ze kijkt afwezig, antwoordt: «Ik ben te lang gebleven. Ik moet gaan. Straks zijn ze naar me op zoek.»

Een paar uur later spoelt het lichaam van Ingrid Jonker aan tussen het wier en het gras bij Drieankerbaai. Abraham Jonker wordt meteen gebeld. Zijn reactie is pijnlijk: «Wat my betref kan hulle haar terugstoot in die see.»

Waar is Ingrid Jonker aan kapotgegaan? Aan het paradijs, aan het Zuid-Afrika waar de hel nooit ver weg is? Bijvoorbeeld de laatste scène van de VPRO-documentaire: een televisiecamera in de woonkamer van een zwarte vrouw, Leonora Manjathi. Ze is de zuster van het jongetje dat in 1960 bij Nyanga, Kaapstad, door de Zuid-Afrikaanse politie door het hoofd werd geschoten. Manjathi vertelt hoe haar moeder op de grond lag met het bebloede lichaam van haar broertje. Maar ze wist niets van het gedicht van Ingrid Jonker, Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga, dat Nelson Mandela in 1994 voorlas in het parlement. Niemand heeft ooit de moeite genomen haar of haar familie op de hoogte te brengen van de allegorische betekenis van de dood van haar broertje, dat één jaar en zes maanden werd.

Of is Ingrid Jonker kapotgegaan aan de mannen in haar leven, behalve haar vader ook de schrijvers Jack Cope en André Brink met wie ze stormachtige affaires had? «Er hing elektriciteit in de lucht wanneer Ingrid binnenkwam», vertelt Brink in de VPRO-documentaire. Brink, die op dubieuze wijze afstand nam van Ingrid: door een telefoontje waarin hij vertelt dat hij had besloten zijn vrouw te verlaten — niet voor Ingrid, voor een andere vrouw.

De waanzin van Ingrid Jonker kan worden gezien als symptomatisch voor de abnormaliteit van apartheid. Over dit thema schrijft Henk van Woerden overtuigend in Een mond vol glas, een biografische roman over het leven van Demitrios Tsafendas, moordenaar van de apartheidspremier Hendrik Frensch Verwoerd. Maar Jonkers weerloosheid roept een andere vraag op: brandt een leven zoals dat van Ingrid per definitie snel uit? Van Woerden: «Ingrid maakt van meet af aan geen onderscheid tussen leven en dichten.» Dat doet denken aan het gedicht van Sylvia Plath, ook geciteerd door A. Alvarez in het werk over literaire zelfmoord The Savage God: «Dying/ Is an art, like everything else./ I do it exceptionally well/ I do it so it feels like hell./ I do it so it feels real./ I guess you could say I’ve a call.»

Sterven als kunst, als roeping. Lees Jonkers Korreltjie sand: «Pyltjie geveer in verskiet/ liefde verklein in die niet/ Timmerman bou aan ’n kis/ Ek maak my gereed vir die Niks. Korreltjie klein is my woord/ Korreltjie niks is my dood».

Vergeefs zocht ze naar iets. In een hard land vond ze niets, behalve soelaas in haar verzen. Ik herhaal je: «Ek herhaal jou/ sonder begin of einde/ herhaal ek jou liggaam/ Die dag het ’n smal skadu/ en die nag geel kruise/ die landskap is sonder aansien/ en die mense ’n ry kerse/ terwyl ek jou herhaal/ met my borste/ wat die holtes van jou hand namaak».
Ingrid Jonker: Ik herhaal je wordt uitgeven door Podium; de VPRO zendt Korreltjie niks is my dood uit op 24 oktober