Vrouwen

Mijn broertje, dat ruim vier jaar na mij ter wereld kwam, is altijd oneindig veel charmanter geweest dan ik.

Zijn grote blauwe ogen, omlijst met fluweelzachte zwarte wimpers, wist hij al in zijn eerste levensjaren in te zetten om iedereen moeiteloos om zijn vinger te winden. Mijn oma raakt nog altijd in vervoering als hij haar huisje komt binnengestampt en haar broze lichaam stevig in zijn armen neemt.

Ik had vroeg door dat tegen natuurlijke charme nauwelijks op te boksen is. Rollend met mijn ogen stond ik erbij als een van mijn vriendinnetjes vertederd naast hem neerhurkte en hem oppakte als een mascotte. Er bestaat een video waarop mijn broertje, drie, en ik, zeven, naast de schoorsteen staan te zingen voor Sinterklaas, in de hoop dat die in ruil voor wortels snoep in onze schoenen komt leggen.

‘Ik ken een Piet zo zwart als roet’, zongen we nog in die dagen, ‘en Bingo was zijn naam.’

Mijn broertje is de schattigheid zelve, zoals hij daar staat te hupsen op zijn beentjes, struikelend over de woorden in een poging mij bij te houden. Ik, op mijn beurt, begin steeds harder en scheller te zingen, een wielrenner die haar concurrent van zich probeert af te schudden op weg naar de top.

‘B-I-N-G-O’, roep ik, ‘B-I-N-G-O’, ‘B-I-N-G-O’.

Mijn broertje stoot beduusd nog enkele klanken uit, maar ligt inmiddels te ver achterop om nog een serieuze kans te maken.

‘EN BINGO WAS ZIJN NAAM!’

Liedje uit, broertje onschadelijk gemaakt. De camera, die steeds meer inzoomt op het bedremmelde ventje met zijn waterblauwe ogen, heeft mijn agressieve bewijsdrang voor de komende generaties genadeloos blootgelegd. Het is nog altijd een hit binnen de familie.

Meisjes en hun lichamen, vrouwen en hun lichamen

De gloriedagen van mijn broertje’s jeugd braken aan toen ik een jaar of dertien was en hij negen. Hij werd fysiek sterker dan ik, maar voelde ook feilloos aan dat er plotseling op mentaal gebied een hoop te veroveren was. Mijn lichaam veranderde van vorm, ik droeg een beugel die zo strak werd aangeschroefd dat mijn kaak ieder moment van mijn gezicht leek te kunnen schuiven, er waren jongens die vroegen of je al ‘tot second base’ was geweest, gedoe met tampons, scheermesjes, beha’s. Het enige wat mijn broertje in die tijd hoefde te doen was even in mijn bovenbeen knijpen en zeggen ‘oei, een beetje dik hè’.

Meisjes en hun lichamen, vrouwen en hun lichamen.

Rebekka de Wit schreef er laatst een mooi essay over in het Vlaamse cultuurtijdschrift Rekto:verso. Ogenschijnlijk zorgeloos ligt ze in de zon aan de oever van een rivier. Ze denkt aan van alles, maar is tegelijk constant bezig haar eigen lichaam te inspecteren alsof ze zich aan de buitenkant ervan bevindt. Dat inspecteren doet haar denken aan een breiende oudtante, die dat zo vaak deed dat haar handen breibewegingen bleven maken, ook zonder breipennen in haar handen. ‘Ik geloof’, schrijft De Wit, ‘dat veel vrouwen van die “breiende handen” hebben, als het om hun lichaam gaat. Ze stoppen niet met voelen hoe ze eruitzien. Het is een reflex.’

(In Mary Gaitskills verhaal A Dream of Men kan verpleegster Laura zich niet ontdoen van de gewoonte de woorden ‘ugly cunt, ugly cunt’ voor zich uit te fluisteren wanneer ze alleen is in haar appartement. Ze probeert zichzelf te stoppen, maar denkt tegelijkertijd: het is waar, vrouwen zijn lelijk.)

Mijn broertje praat regelmatig en graag over vrouwen. Hij weet dat hij mij gemakkelijk de kast op kan krijgen door de manier waarop hij dat doet. ‘Nien’, zei hij laatst tijdens een familiebijeenkomst, ‘hoe wij in de kleedkamer na een voetbalwedstrijd over meisjes praten, dat wil jij echt niet weten.’ Natuurlijk deed hij daarna heel nauwkeurig uit de doeken wat ik allemaal niet wilde weten, waarna ik hem probeerde uit te leggen waarom dat soort praat lang niet zo onschuldig is als hij denkt.

‘Ach, zo gaat het gewoon’, zei hij, waarna hij een relaas begon over een ex die een heel afgetraind lichaam had sinds ze bij hem weg was – erg oneerlijk, als je het hem vroeg.

Weemoedig dacht ik terug aan een avond, een paar maanden eerder, toen ik ineens een acuut klinkend berichtje van hem had gekregen. Een half uur later hingen we uit mijn dakraam. We bliezen de rook van een joint richting de bomen in het park, en ondertussen vertelde mijn broertje dat hij een specifiek probleem had, hij was namelijk verliefd geworden, best erg eigenlijk, maar het probleem was dus dat ze hem niet echt leek te willen.

‘Och broer’, zei ik, ‘wat een nuttige ervaring moet dat voor je zijn.’

Ik vroeg hem hoe het nu ging, met zijn verliefdheid. Hij haalde zijn schouders op. Nu hij niets meer liet horen, begon zij hem ineens weer berichten te sturen. ‘Maar daar ga ik niet aan beginnen’, zei hij zachtjes. ‘Want dan ben ik weer verloren.’