Margaret Kilgallen

Vrouwen die zwemmen, surfen, banjo spelen

De Amerikaanse Margaret Kilgallen maakte straatkunst in tijdloze folklorestijl. Met als hoofdpersonages sportende, rokende of ruziemakende vrouwen.

Margaret Kilgallen, Untitled, circa 1999. Acryl op hout, 43,81 x 19,05 cm © Courtesy the Estate of Margaret Kilgallen and Ratio 3, San Francisco

‘Slaughter’ staat er in enorme gele letters op de museummuur. Pas van dichtbij is te zien dat de letters met de hand zijn geschilderd. Niet dat het slordig is, er zit een onvermijdelijke onregelmatigheid in. Het is zo’n lettertype waarin je het woord ‘Saloon’ kunt verwachten in een western, met een overdreven vette boven- en onderkant, en sierlijke schreef. Nu staat er iets veel minder aanlokkelijks. Het schreeuwt.

Toch heeft het woord hier niets met een slachthuis te maken of met een slachting. Slaughter is Matokie Slaughter, een Amerikaanse banjospeelster, die in de jaren veertig begon met spelen voor de lokale radio van Virginia. Vanaf de jaren zestig tourde ze door de VS en verscheen haar muziek op elpee. Margaret Kilgallen, de kunstenaar die de letters schilderde, had aanvankelijk niet door dat Matokie een vrouwennaam was, totdat ze een foto zag. ‘Op platen die ik kocht stonden nooit vrouwen afgebeeld. Nooit. Matokie Slaughter was de eerste vrouw die ik ooit op een plaat zag.’ Toen Kilgallen dat ontdekte, en dat Slaughter op dat moment nog in leven was (ze overleed in 1999), werd Slaughter Kilgallens pseudoniem. Haar naam voor op straat.

Margaret Kilgallen (1967-2001) heeft in haar korte leven veel werk gemaakt. Een deel daarvan is nu te zien in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, in een frisse tentoonstelling die eerder in Aspen en Cleveland was. Fris omdat de beeldtaal helder is, een beetje naïef misschien. Het zijn tekeningen in klare lijn, vaak in rood of zwart. Boommotieven, dieren, los op stukken hout, die samen, als een puzzel, een geheel vormen. Ze doen denken aan Mexico, aan Zuid-Amerika.

Kilgallen woonde in The Mission, het hart van de latinogemeenschap in San Francisco. De recessie en de aids-epidemie hadden een groot gat geslagen in de stad toen Kilgallen er in 1989 kwam wonen. Bedrijfspanden stonden leeg, er was veel armoede. Voor sommige kunstenaars maakte dat het juist een interessante plek om te werken.

In een reportage uit 2000 zie je Kilgallen met haar racefiets stilhouden in een drukke straat, om foto’s te maken van een handgeschilderd uithangbord. ‘Ik hou ervan als dingen handgemaakt zijn’, zegt ze. ‘Je ziet hier in The Mission veel handgeschilderde uithangborden. Als ze meer geld hadden gehad, hadden ze waarschijnlijk liever een neon uithangbord gemaakt. Maar ik vind dat niet beter. Ik vind het juist mooi als ze het met de hand doen.’

De grote variatie aan letters en schaduwwerking neemt ze over in haar kunst. Een projector of computer gebruikt ze niet. ‘Hoe lang ik ook langs een lijn ga, hoe lang ik het ook probeer, het wordt nooit perfect. That’s where the beauty is.’ Haar inhoudelijke inbreng ligt bij de personages, de figuren die op de tekeningen staan te roken, vechten, handenschudden. Die figuren zijn voornamelijk vrouwen. Vrouwen die zwemmen, surfen, skaten, banjo spelen, zoals zij. ‘Ik wil vooral veel betekenen voor jonge vrouwen’, zei ze over haar personages. ‘Omdat er de hele tijd wordt gekeken naar hoe mooi je bent en hoe dun, en niet naar wat je kunt en hoe slim je bent. Ik wil die blik op vrouwen veranderen. Wat zie je als je naar een vrouw kijkt?’

Kilgallen groeide op in Washington D.C., studeerde grafische technieken aan Colorado College en trok na haar afstuderen verder naar het westen. In de fraaie catalogus bij de tentoonstelling noemt een van de conservatoren de kunst van Kilgallen tijdloos: ze zocht naar herkenbare beelden en helden uit het verleden en vertaalde ze naar die algemene grafische taal die ze zo bewonderde. Kilgallen had geen doorsnee helden, geen Madonna of Marilyn Monroe. Zo is er Fanny Durack, de eerste vrouw die op de Olympische Spelen een medaille won. ‘Ze zwom, in een wollen zwempak, een andere zwemslag dan de andere vrouwen, en daardoor won ze’, aldus Kilgallen – je ziet Durack meerdere keren terugkeren in de tentoonstelling.

Een ander personage is Linda Benson, de eerste vrouwelijke surfer die surfte bij Waimea, Hawaï, berucht om de reuzengolven. En Rell Sunn, in 1970 de beste vrouwelijke longboardster in de wereld. Andere vrouwen schilderde ze in Pachuca-stijl, een soort punkstijl uit de jaren dertig waarmee uit Mexico afkomstige immigranten zich verzetten tegen de massadeportaties door de Amerikaanse regering.

Daarnaast had Kilgallen ook voorbeelden uit de kunstwereld. Barbara Stauffacher Solomon (1928) bijvoorbeeld, de kunstenaar die grote, felgekleurde geometrische en typografische muurschilderingen maakte, supergraphics noemt ze ze. In 2019 kreeg Stauffacher Solomon nog een grote tentoonstelling in het sfmoma, het San Francisco Museum of Modern Art.

‘Hoe lang ik het ook probeer, een lijn wordt nooit perfect. That’s where the beauty is’

Begin jaren negentig had Kilgallen een baan als boekconservator in de openbare bibliotheek van San Francisco. In sommige tekeningen en schilderijen echoën de planten en bloemen van de middeleeuwse manuscripten door. In 1997, in de catalogustekst bij haar eerste solotentoonstelling, benadrukt ze de rijkdom van de boek- en prentkunst. En verzet ze zich tegen de automatisering: ‘Ik ben geïnteresseerd in dingen die door mensenhanden zijn gemaakt.’

In de jaren zestig begonnen kunstenaars in Mexicaans-Amerikaanse wijken in het zuidwesten van de VS de muren van scholen, kerken en andere gemeentelijke gebouwen te beschilderen met fragmenten uit de eigen geschiedenis. Deze Chicano Mural Movement toonde een mannenverhaal met veel oorlog en revolutionaire leiders. Vanuit San Francisco eisten Las Mujeres Muralistas, ‘de vrouwelijke muurschilders’, hun aandeel in de geschiedenis op. Met schilderingen van vrouwen die op de markt stonden, die borstvoeding gaven, kunst maakten. Aan de zijkant van tacorestaurant Paco’s Tacos maakten ze bijvoorbeeld een grote schildering van vier grote vrouwen met fruit, dieren en een tropisch landschap, als lange neus naar de nieuwe McDonald’s-vestiging aan de overkant. De mannelijke kunstenaars bespotten de alledaagsheid van deze voorstellingen, juist nu er zoveel reden was tot boosheid. Volgens de vrouwen was enkel het tonen van de aanwezigheid van vrouwen al een daad van verzet. The Mission staat inmiddels vol hippe koffiebarretjes, maar in Kilgallens tijd zaten de schilderingen nog op de muren.

Margaret Kilgallen,that’s where the beauty is, 2018. Installatie in Aspen Art Museum © Tony Prikryl

In Maastricht biedt de tentoonstelling een helder overzicht van het werk dat Kilgallen voor haar tentoonstellingen in musea en galeries maakte, de laatste jaren van haar leven had ze er meerdere. Ze overleed in 2001 aan borstkanker, nog geen drie weken na de geboorte van haar dochter. De installatie MainDrag was haar laatste werk en is ook in de tentoonstelling te zien: een zaalvullende installatie, opgebouwd uit beschilderde panelen, meerdere houten bouwsels midden in de ruimte, allemaal beschilderd met (fragmenten van) teksten en letters, een straat met fabrieken en een surfwinkel, een vrouw die op straat loopt met haar plank onder haar arm. Indrukwekkend, maar nog lang niet alles. Een serie door Kilgallen beschilderde skatedecks komt nog het dichtst bij haar favoriete werkterrein: de straat.

Kilgallens werk was immers veel vaker te vinden op muren, bruggen, treinen en parkeermeters, in San Francisco, São Paolo of ergens onderweg. Niet ondertekend met Kilgallen, maar met ‘Matokie Slaughter was here’, of simpelweg ‘Matokie’ of ‘meta’.

‘Er zijn ook vrouwen die aan graffiti doen.’ Barry McGee, Kilgallens weduwnaar, zegt het terloops in een online opname van zijn les over het maken van street art, de graffiti en alles daartussen, rond 2005. In 1990 ontmoette Kilgallen hem, net als zij een kunstenaar. McGee: ‘Mensen raken in de war van graffiti. Ze kunnen het niet kopen, het is geen reclame voor iets, dan weten ze niet wat ze ermee moeten. Er wordt veel geklaagd over de schade die graffiti toebrengt. Maar ik snap niet wat ze bedoelen. Je kunt er zo weer overheen schilderen, het is maar verf.’ Kilgallen, eerder: ‘Wat veel schadelijker is, dat zijn de reclameborden, billboards. Die gaan in je hoofd zitten. Dát vind ik subversief.’

Samen met McGee zette ze, gewapend met een witte krijtstift, tags op goederentreinen. Kan het romantischer, idealistischer? Kunst die onmogelijk aan de muur te hangen is, die bovendien rondreist, de boodschap verspreidt over honderden, duizenden kilometers. Het beschrijven of betekenen van treinen begon in de VS aan het eind van de Burgeroorlog. Mensen op zoek naar werk, zwervend van stad naar stad, lieten voor elkaar boodschappen achter. ‘Hobo’s’ worden ze in het Amerikaans genoemd, misschien een afkorting van ‘homeless boy’, of, poëtischer, ‘homeward bound’. In de jaren zeventig kwam de graffiti, nu met verf en spuitbussen, ook op en in de metro’s en op bestelbusjes. Die codes die ze met krijt op de wagons achterlaten, soms vergezeld van tekeningen, vond Kilgallen interessant. Schrijven en tekenen op treinen zag ze als een vorm van netwerken. Sommige tekeningen stonden er sinds de jaren zeventig. ‘Als ik iets zie wat ik herken, weet ik niets over die persoon. Ik weet alleen wat ze schrijven, en dan is het toch alsof ik een oude vriend terugzie.’

Dat dat werk nu niet in het museum is te zien, kan als een gemis worden beschouwd. Bij street-artkunstenaars als Banksy worden regelmatig muren vernield om het werk te kunnen transporteren van de straat naar de galerie. Een praktijk waar Banksy, voor zover zijn anonieme status dat toelaat, tegen protesteert. Kilgallen had het beslist niet goedgekeurd. Ze vond de kunstwereld te afgesloten, te veel gericht op de verkoop. Daar ging het haar niet om.

Ook McGee merkte de tegenstelling op tussen het publiek van de besloten kunstruimte en de vrijheid buiten. Toch weigert hij de opdrachten voor de kunstruimtes niet. ‘Ik mag een maand lang in een ruimte werken, zonder enige controle of voorwaarden. Dat is ook een soort vrijheid.’ Ze werkten de rest van haar leven samen, ze trouwden in 1999. ‘Het is moeilijk hun werk los van elkaar te zien’, stelt de catalogus. Ze gebruikten dezelfde materialen, onderwerpen. Het grote verschil: McGee tekende vooral mannen, Kilgallen vooral vrouwen. Zijn mannen zijn dronkaards, zwervers, haar vrouwen zijn zelfbewust en actief. Hun dochter, nu twintig jaar oud, zit op Instagram. Haar foto’s tonen haar lachend, vaak aan het strand. Met in haar armen een reusachtig surfboard.


Margaret Kilgallen: that’s where the beauty is is tot 7 november te zien in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, bonnefanten.nl