Harry Pearson

Vrouwen hebben geen oorlog nodig

Harry Pearson
Achtung Schweinehund! A Boy’s Own Story of Imaginary Combat
Little Brown, 246 blz., € 14,50

De jaren zestig swingden niet in Wallsall. Althans niet met seks, drugs en rock-’n-roll. In plaats van te dromen over een toekomst zonder oorlog verlangden Harry Pearson en zijn vrienden, aangestoken door de heroïsche verhalen van hun opa’s en oudooms, naar een spannende oorlog die de saaiheid van het bestaan in de Midlands zou verdrijven. Bij gebrek aan vallende bommen lazen de jongens stripverhalen over de Tweede Wereldoorlog en bouwden ze militaire toestellen na, iets waarmee ze zich niet geliefd maakten bij de leraren op de Quaker-school. ‘Voor mij was The Summer of Love een zes weken durende vakantie met Stuka’s, swastika’s en bazooka’s’, schrijft Pearson in de proloog van Achtung Schweinehund! A Boy’s Own Story of Imaginary Combat, het definitieve naslagwerk voor de nerds.
Een groot deel van Pearsons leven tot dusver stond in het teken van oorlogsstrips, modelbommenwerpers, Risk (‘een oorlogsspel voor accountants’) en tinnen soldaatjes. Veel tinnen soldaatjes. Duizenden. Met name in de jaren zeventig genoot deze hobby, naast het bouwen van modelspoorbanen en uitwisselen van partners, een ongekende populariteit, hetgeen mede mogelijk werd gemaakt door het vakbondswezen dat voor het minste of geringste ontij op de werkvloer een algemene staking uitriep. De modeltreintjes reden echter altijd op tijd.

Het verzamelen van oorlogsparafernalia was een masculiene aangelegenheid. Waar het gaat om totale devotie voor anti-intellectuele, doelloze en triviale activiteiten zouden de vrouwen, het feminisme ten spijt, nooit een serieuze bedreiging vormen. ‘Vrouwen hebben geen oorlog nodig; zij hebben liefde’, aldus Pearson. De Peter Pans schoolden op gezette tijden samen op ruilbeurzen (om een of andere reden vond de belangrijkste beurs voor oorlogsspeelgoed jaarlijks plaats in Neurenberg) en tijdens wedstrijden, de ‘wargames’ waar een verkoper van fotokopieermachines uit Leighton Buzzard voor een middag Napoleon was en een verzekeringsadviseur uit Little Missenden Hannibal. Niemand wilde graag een Duits leger leiden, behalve dan de Pruisische Huzaren van Frederik de Grote, want ‘not until the arrival of Elvis would any male capture the same wild, rebel swagger’.

Hoewel de Engelse oorlogsnerds het vanzelfsprekend schitterend vinden om duizend-en-één regels en procedures te bedenken voor de veldslagen in achterzalen van pubs of complete wereldoorlogen in congrescentra, ligt de meeste lol volgens Pearson bij het verzamelen van de soldaatjes, van obscure Nederlandse eenheden uit het leger van de Duke of Marlborough tot Rommels zandhazen in Noord-Afrika. Omdat het voeren van oorlogen in de geschiedenis een ongemeen populaire bezigheid is gebleken, is elke wargamer welhaast genoodzaakt een specialiteit te kiezen. De Brits-Canadese mediamagnaat Lord Black of Crossharbour, bijvoorbeeld, legde zich toe op legereenheden van Napoleon, die ook zelf graag in de weer was met tinnen soldaatjes. Sinds de opkomst van eBay en winkels waar kant-en-klare verzamelingen kunnen worden aangeschaft, is de aardigheid er een beetje af. Bovendien werd het hebben van een hobby als oubollig gezien. De arme man heeft tegenwoordig een ‘leisure interest’, een vrijetijdsbesteding, of moet zijn laatste restjes vrije tijd vullen met ‘quality time’.

Dat het geenszins het exclusieve domein was van de Daves en Harry’s, namen waar de wargamers doorgaans naar luisteren, blijkt uit de geschiedenis van oorlogsspelen met bijbehorende tinnen soldaatjes. Zo was ‘wargaming’ hét huisspel binnen een van de bekendste aristocratische en intellectuele families in Engeland, de Trevelyans. De historicus George Trevelyan schreef zijn vermogen om militaire campagnes te begrijpen en analyseren toe aan de dagen die hij op de vloeren van Wallington House, het familiedomein, had doorgebracht met kleine maarschalken en generaals. Ook binnen de landhuizen van Franse en Duitse families hebben de nodige veldslagen plaatsgevonden. Soms ter voorbereiding van echte oorlogen, soms ter analyse, maar meestal voor de aristocratische lol. Dat men hier niet graag met vreemden over praatte had niets te maken met schaamte, maar met angst dat het spel onder bredere lagen van de bevolking geliefd zou worden.

Dat de onvermijdelijke democratisering toch zou plaatsvinden, is niet alleen te danken geweest aan de massaproductie en een toename van vrije tijd, maar ook aan de aandacht die schrijvers aan deze bezigheid hebben gegeven. Goethe schreef er reeds over, net als Anatole France, Robert Louis Stevenson en natuurlijk H.G. Wells. Voor laatstgenoemde was wargaming naast fietsen, politiek en het opvoeden van buitenechtelijke kinderen een grote passie. Met het schrijven van romans als Floor Games en Little Wars wilde Wells twee doelen bereiken: meer stabiliteit thuis en, paradoxaal, het stimuleren van pacifisme bij de Britse jeugd. Ondanks zijn jeugdige bravoure over oorlog sluit Pearson zich aan bij dit nobele streven. De moderne wargamers kunnen weinig kwaad. Met een knipoog naar Pascals observatie dat veel ongelukken in de wereldgeschiedenis voortkomen uit het onvermogen van de mens om stil binnen te zitten, concludeert Pearson dat als alle mannen op deze planeet hun tijd zouden doden met het beschilderen van de ‘brass czapka plaques on their 1810 Duchy of Warschaw voltigeurs’ de wereld een betere plaats zou zijn.