Vrouwen lachen makkelijk

Mensje van Keulen heeft zoveel geschreven, is zozeer een erkende aanwezigheid in de Nederlandse letteren, dat het onzinnig lijkt om haar hele literaire doopceel telkens opnieuw te lichten als er een nieuwe roman van haar verschijnt.

Mensje van Keulen, Liefde heeft geen hersens, € 16,95

Medium 9789045021706

Tegelijkertijd is het bijna oneerbiedig om er níet bij stil te staan dat zij met moderne klassiekers als Bleekers zomer, Van lieverlede, Overspel en De gelukkige tot de top van de Nederlandse literatuur behoort, vooral omdat het een beetje een stille toppositie is. Weliswaar haalde haar laatste verhalenbundel Een goed verhaal twee jaar geleden zowel de shortlist van De Gouden Uil als die van de Libris Literatuurprijs, én werd ze voor diezelfde verhalenbundel bekroond met de Charlotte Köhler Prijs, toch zou de ontvangst van haar werk wel eens met net iets meer ophef gepaard mogen gaan. Of haar nieuwe roman, Liefde heeft geen hersens, die ophef teweeg gaat brengen weet ik niet meteen. Niet omdat het geen goed boek is, integendeel. Maar meer omdat het misschien ‘gewoon wéér een goed boek’ is. Technisch perfect, stilistisch prachtig, inhoudelijk schurend, wat wil je nog meer.
Mensje van Keulen schrijft geen literatuur die zichzelf op de borst klopt, eerder het tegenovergestelde. Als een 21ste-eeuwse Frans Coenen legt ze de bleke levens vast van mensen die niet direct de meest gearticuleerde stemmen vertegenwoordigen in literatuur. In Liefde heeft geen hersens is dat een vrouw die ook na de dood van haar man Luis, Spanjaard van origine, nog bang voor hem is. Zo bang dat ze de urn met zijn as bewaart in haar kledingkast, alsof ze hem nog steeds een oogje op haar laat houden. Romy heet ze, en ze werkt bij een uitvaartonderneming, ze schenkt de koffie voor de rouwenden en houdt de boel schoon. Haar beide kinderen hebben zich van haar vervreemd; haar zoon omdat hij zijn vader haatte, haar dochter omdat ze zich altijd achtergesteld voelde bij haar broer.
Het tweede vertelperspectief ligt bij Harro, de huismeester van de flat waar Romy woont. Hij koestert al jaren een heimelijke liefde voor Romy, heeft iets ingewikkelds met vrouwen en laat zich koeioneren door zijn krakkemikkige moeder. Klinkt allemaal soaperig en een beetje zielig, maar in de handen van Mensje van Keulen groeien beide figuren uit tot de hoofdrolspelers in een klassieke tragedie waarin moedwil, misverstand en onvermogen het voor het zeggen hebben.
Eerst lijkt het wat suffig, die beproefde techniek van het wisselende personale perspectief, waarom niet bij één verteller blijven en hem of haar de ruimte gunnen, maar eenmaal gewend aan de beide stemmen groeit het verhaal door z'n tweekantigheid aan kracht. Van Keulen is er een absolute meester in om het drama van de vrouw die valt voor het type man dat niet goed voor haar is op een bijna-poëtische manier te vertellen. De Spaanse liedjes die haar Luis in haar oor fluisterde toen ze hem net kende, natuurlijk kreeg ze daar weke knieën van. In eerste instantie is het daardoor niet eens duidelijk in wat voor soort huwelijk Romy gevangen kwam te zitten, en komen de eerste klappen die zij memoreert ook daadwerkelijk als klappen binnen. Eenmaal werkloos is er geen houden meer aan. 'Een man die thuiszit voelt zich steeds waardelozer. Niet langer de galante jongen die met zijn lenige vingers een ons glimmende schroefjes afwoog, maar een woesteling die een pannenlap in mijn mond propte.’
Daarnaast weet Mensje van Keulen van huismeester Harro een type te maken dat zowel afkeer als mededogen oproept. En het allerbelangrijkst: als lezer word je bang voor deze stalker-in-de-dop, obsessieve verzamelaar van persoonlijke bezittingen van zijn geliefde object, en potentiële (lust)moordenaar. Tegelijkertijd is hij zo overtuigend onmachtig verliefd, of beter gezegd: Mensje van Keulen vangt Harro’s onmogelijke liefde voor Romy in zulke mooie, trieste zinnen dat je niet anders kunt dan met hem mee kreunen. Als hij zich voorstelt hoe ze haar schoonmaakwerk doet bij een alleenstaande man aan de Laan Copes, wordt hij jaloers op het huis. 'Ik moet er niet aan denken hoe ze daar binnengaat en in elk van zijn vertrekken haar aanwezigheid achterlaat.’ En als zij hem vertelt ’s avonds de stad in te zullen gaan met vriendinnen, is hij de amechtige achterblijver. 'De stad in. Uit haar mond klinkt het als een feest met licht en schemer op de juiste plekken.’ Heel zijn onmachtige verlangen, angst en jaloezie wordt samengebald in het beeld dat de schrijfster van hem oproept als hij plaatsneemt in zijn huismeesterhok en naarstig de beelden van de beveiligingscamera doorspoelt, op zoek naar beelden van háár. Als hij een keer een stel vrouwen naar boven ziet gaan die op de vijfde verdieping uitstappen, vermoedt hij dat ze voor Romy komen. 'Vriendinnen. Vrolijkheid. Vrouwen lachen makkelijk.’
Mensje van Keulen schrijft zo fijnzinnig over het menselijk tekort, zo miniaturig precies en empathisch dat het is alsof je een blik wordt gegund door het sleutelgat van een willekeurige galerijwoning. Misschien is dat het, die niet-modieuze empathie, en de afwezigheid van cynisme, waardoor haar werk eerder algehele instemming dan onverwachte ophef teweegbrengt.

MENSJE VAN KEULEN
Liefde heeft geen hersens
Atlas, 190 blz., € 16,95