Islam als vehikel voor verandering

‘Vrouwen moeten op hun hoede zijn’

Volgens Isobel Coleman van de Council on Foreign Relations kan de islam het democratiseringsproces in het Midden-Oosten wel degelijk voortstuwen – ook op een wijze die vrouwenrechten ten goede komt. ‘Egypte wordt de lakmoesproef.’

NEW YORK, Council on Foreign Relations – De schuifdeur van de antieke lift in deze deftige stadsvilla in de Upper East Side is zo smal dat een gezond geschouderde man alleen zijwaarts kan binnenstappen. Het liftje blijkt echter in staat zijn vracht met onverwachte souplesse naar de vijfde verdieping te brengen, alwaar zich aan het einde van een wirwar aan smalle gangetjes de hoekkamer bevindt van Isobel Coleman.

Het uitzicht vanuit Colemans werkkamer op Park Avenue past goed bij de statuur van een senior fellow bij de Council on Foreign Relations, een invloedrijke Amerikaanse denktank gespecialiseerd in buitenlandse zaken en internationale betrekkingen. Colemans expertise ligt op het gebied van democratisering, economische ontwikkeling en vrouwenkwesties in het Midden-Oosten, hetgeen haar met de aanhoudende turbulentie in die regio een veelgevraagd commentator maakt op radio en televisie.

Maar ook voordat de huidige democratiseringswind in het Midden-Oosten opstak, genoot Coleman al enige nationale bekendheid vanwege de publicatie van haar boek Paradise Beneath Her Feet: How Women Are Transforming the Middle East (2010). Daarin betoogt ze dat verandering in het traditionele, diep-religieuze Midden-Oosten van binnenuit moet komen. Juist door de islam te omarmen, de religie die in westerse ogen de grootste vijand is van vrouwenrechten, lukt het vrouwen carrière te maken als bankier, advocaat of arts, of zich verkiesbaar te stellen voor het parlement.

Voor haar academisch werk reist Coleman al enkele decennia door het Midden-Oosten. Zelfs in de meest traditionele landen, zoals Afghanistan, Iran en Saoedi-Arabië, blijkt het een voordeel te zijn om als westerse vrouw het gesprek aan te gaan. ‘Uiteindelijk zijn de mannen altijd bereid me te ontmoeten, ook al spreken diezelfde mannen zelden of nooit met vrouwen uit hun eigen land’, vertelt Coleman. ‘Zo missen ze de helft van wat in hun maatschappij speelt. Maar ik spreek ook met de vrouwen.’

Daardoor kan Coleman vrij goed registreren wat in de verschillende maatschappijen speelt. Dus toen de protesten in Tunesië en vooral Egypte in alle hevigheid losbarstten en westerse commentatoren daardoor totaal overvallen leken, gold dit niet voor Coleman. ‘In Egypte borrelde de onvrede al jaren. De vraag is: waarom gebeurde dit niet eerder? Het land was zo boos en gefrustreerd over “farao” Moebarak die dertig jaar lang weigerde de macht af te staan.’

‘WAAROM DUMPT AMERIKA Moebarak niet gewoon?’ werd Coleman voor de omwenteling van februari steeds gevraagd door haar Egyptische vrienden. Dat zat er nooit in, moest ze dan uitleggen: ‘Hij is onze vriend, zei ik dan. Hij is altijd goed geweest voor Amerika. Wij begrijpen dat jullie hem niet mogen. Het enige wat wij kunnen doen, is druk op hem uitoefenen om een opener maatschappij te creëren.’

Dat hebben de Verenigde Staten ook daadwerkelijk steeds gedaan, stelt Coleman: ‘De afgelopen tien jaar voerden we achter de schermen strijd met het Egyptische regime. Tegelijkertijd steunden we democratische activisten. Maar we zouden nooit het land binnenvallen en Moebarak ontzetten.’ Het is voor Amerika beter om autoritaire regimes te vriend te houden, zo luidt de consensus binnen de Council. En niet alleen omdat Amerika al zo veel vijanden heeft. ‘De ironie is dat als wij ons openlijk vijandig opstellen tegen regimes, zoals met Castro in Cuba, of met Iran en Syrië, we hen onbedoeld helpen doordat we ze een gemeenschappelijke vijand cadeau doen. Beter is het om dictators te vriend te houden en tegelijkertijd het gesprek gaande te houden met de lokale bevolking.’

Een bondgenoot waarvoor dit momenteel bij uitstek geldt is Pakistan, dat Coleman ‘Amerika’s ultieme frenemy’ noemt. ‘We zijn nu bevriend met de Pakistani, maar we zouden net zo goed vijanden kunnen zijn’, zegt ze. ‘We zullen er echter niet beter van worden als we alle banden met Pakistan verbreken, ook al besef ik dat je daarvoor goede redenen kunt aanvoeren. Zoals we in Egypte niet van Moebarak hielden, hielden we in Pakistan niet van Musharraf en houden we nu al helemaal niet van Zardari. Soms moet je gewoon de neus dichthouden en doen wat je kunt doen.’

Een van de grote kritiekpunten die de VS van verschillende kanten krijgen, is de militaire hulp die het land aan Pakistan verschaft. In 2013 zal Pakistan sinds 9/11 in totaal 20,5 miljard dollar aan militaire ondersteuning hebben ontvangen, mede dankzij een extra twee miljard die president Obama in oktober 2010 toezegde. De gedachte hierachter is dat de Pakistani dit geld kunnen aanwenden voor de strijd tegen al-Qaeda en de Taliban, hetgeen ze slechts halfslachtig doen, getuige alleen al het grote aantal Taliban-strijders dat zich nog altijd in Pakistan ophoudt. Waarom niet gewoon een einde maken aan die militaire hulp?

‘Dat vroegen mijn Egyptische vrienden me ook steeds: “Waarom stop je niet gewoon met Moebarak militair te steunen?” Ik ben blij dat we dat niet gedaan hebben. Daarmee beland je namelijk al snel op een punt waarop er geen weg terug meer is. Een breuk. Feit is dat het Egyptische leger zich tijdens de protesten goed gedragen heeft tegenover de bevolking. De Amerikaanse invloed was daarbij cruciaal. In andere landen heeft het leger zich niet zo goed gedragen (Coleman doelt op onder meer Libië en Syrië – mvg) en daar zal de situatie alleen maar verslechteren.’

Egypte als rolmodel voor hoe Amerika binnenlandse hervormingen in het Midden-Oosten kan beïnvloeden? ‘Ik denk helaas niet dat er een model bestaat. Daarvoor is elke situatie, elk land te uniek. De VS hebben misschien geholpen bij het verdrijven van Moebarak, maar wij vormden niet de voorhoede. Die werd gevormd door de miljoenen Egyptenaren op straat. Zolang we geen miljoenen mensen in de straten van Saoedi-Arabië zien, zal de koninklijke familie daar niet vertrekken. En wij zullen ze niet dwingen door troepen te sturen.’

Coleman slaakt een zucht: ‘Ik was vanmorgen op Fox News en daar zei een van de panelleden dat Kadhafi een terrorist is, dat Libië daarom een nieuw strijdperk is in de oorlog tegen het terrorisme en dat we dus onze troepen moeten sturen. Maar je kunt zo veel staatshoofden een terrorist noemen. Als de Syrische president Bashar Assad op zijn eigen bevolking begint te schieten – zoals zijn vader Hafez in 1982 deed toen hij tussen de 10.000 en 25.000 mensen doodde – moeten we dan Syrië binnenvallen? Ik geloof niet dat er een draaiboek bestaat dat iemand daadwerkelijk leest en volgt.’

Ondertussen lijkt er iets van een ‘Obama-doctrine’ te komen bovendrijven, sinds de president op maandag 28 maart in een toespraak zijn beslissing toelichtte om in Libië in te grijpen. Die doctrine in een notendop: de VS grijpen alleen gewelddadig in als daarmee een humanitaire ramp kan worden voorkomen. Coleman is niet onder de indruk: ‘Met humanitaire ramp als criterium kan ik je een lijst geven van landen die we moeten binnenvallen. Nee, niet Syrië, want daar zijn nog geen honderd mensen gedood. Maar wat dacht je van Congo? Daar zijn al twee miljoen doden gevallen. Of Soedan? Zo kun je bezig blijven.’

De interventie in Libië heeft niet veel van doen met welke doctrine dan ook, vermoedt Coleman. ‘Er is een herstructurering, een herordening gaande in het Midden-Oosten en wij willen aan de goede kant staan. Het probleem met Libië is alleen dat het zo moeilijk is te bepalen wat de goede kant is. Kadhafi is duidelijk een slechterik, maar wie zijn de rebellen waarvan nu geroepen wordt dat wij ze moeten bewapenen?’

In het Midden-Oosten zijn ‘goed’ en ‘slecht’ vaak even rekbare als inwisselbare begrippen, wil Coleman maar zeggen. ‘Nog geen jaar geleden was Kadhafi verre van een vijand. Lockerbie (de Schotse plaats waarnaar een vermoedelijk door Kadhafi bevolen terroristische aanslag op een vliegtuig is vernoemd; 270 doden – mvg) was iets van het verleden geworden en buitenlandse bedrijven deden graag zaken met hem.’

Met olie heeft de Amerikaanse betrokkenheid echter niets te maken, denkt Coleman: ‘Dat was voor Frankrijk en Italië, en tot op zekere hoogte ook Engeland, wellicht reden voor hun doortastendheid. Zij krijgen immers veel olie uit Libië. Voor ons speelt dit echter niet: Amerikaanse raffinaderijen zijn niet geschikt voor het soort ruwe olie dat uit Libië komt.’

NU DE PROTESTEN in Libië zijn uitgemond in een burgeroorlog is het democratiseringsproces in dat land in handen gekomen van de mannen. Dat is tijdelijk, denkt Coleman: ‘Je ziet nu weinig vrouwen op straat. Maar als de strijd langer aanhoudt, zal de rol van vrouwen groter worden. Dat kan niet anders, gelet op hun betrokkenheid bij de protesten vanaf het begin.’

Een veel gehoorde verklaring voor het ontstaan van de massale protesten verspreid door het Midden-Oosten is de hoge werkloosheid onder jonge mannen. Dat is echter slechts een deel van het verhaal, zegt Coleman: ‘Kijk naar een land als Egypte, waar de 6 april-beweging zeer instrumenteel was bij de organisatie van de demonstraties op het Tahrirplein. Die beweging is vernoemd naar de protesten van 6 april 2008, toen naar schatting 70.000 mensen de straat op gingen om arbeiders in Mahalla te steunen. En die beweging was begonnen door een vrouw, Israa Abdel Fattah, via Facebook. Natuurlijk, in Tunesië stak Mohammed Bouazizi zichzelf in brand, waarmee hij een symbool werd voor depressieve werkloze jonge mannen. Maar in het Midden-Oosten is de werkloosheid onder jonge vrouwen veel hoger.’

Het merendeel van de protesterende vrouwen in de regio zal zichzelf niet snel als feministe omschrijven, benadrukt Coleman: ‘Om te beginnen heeft de term feminisme sterke negatieve connotaties vanwege de associatie met het Westen. Maar de vrouwen zien zichzelf vooral als strijdsters voor democratie, strijdsters voor een beter leven voor henzelf, hun gezinnen en hun kinderen. Het gaat dus niet zozeer om vrouwenrechten; het gaat om mensenrechten.’

Overigens is het niet in elk land in de regio even slecht gesteld met vrouwenrechten: ‘Een land als Tunesië is zelfs vergeleken met de rest van de wereld progressief als het aankomt op vrouwenrechten. Onder president Habib Bourguiba legaliseerde Tunesië in 1956 abortus. Hij benoemde zelfs vrouwen tot rechters in de Hoge Raad en verordonneerde dat jongens en meisjes recht op hetzelfde onderwijs hebben. En vrouwen in Egypte hebben nog de nodige obstakels te overwinnen, maar ze kunnen volop deelnemen aan het publieke leven.’

Colemans angst is dat de democratiseringsbewegingen in Egypte en Tunesië veel van die verworvenheden juist teniet zullen doen: ‘Ware democratie brengt de stem van de meerderheid naar voren, maar beschermt tegelijkertijd de rechten van minderheden. In Tunesië en Egypte treden mogelijk islamitische groeperingen die lang onderdrukt zijn op de voorgrond. Ik ben er niet helemaal gerust op wat dit betekent voor de vrouwenrechten in die landen. Mijn zorg is dat het straks weer zoals Iran in 1979 is.’

Na Irans islamitische revolutie van 1979 werd het vrouwen verboden om nog als rechter te werken. Of een voetbalwedstrijd bij te wonen. Ze werden gedwongen in het openbaar hun lichaam geheel te bedekken en werden ondergeschikt verklaard aan mannen op het gebied van erfrecht, juridische getuigenis en echtscheiding. De huwbare leeftijd voor meisjes werd negen jaar, alles in de naam van de islam. ‘Voor seculiere, goed opgeleide vrouwen was het een hel. Dit is waar schrijfsters als Azar Nafisi (Lolita lezen in Teheran – mvg) en Marjane Satrapi (Persepolis – mvg) het over hebben. Een dergelijke ramp zie ik in Egypte of Tunesië nog niet direct aan de horizon, maar vrouwen moeten er wel voor op hun hoede zijn.’

Tegelijkertijd was de Iraanse Revolutie niet voor alle vrouwen rampzalig, schrijft Coleman in Paradise Beneath Her Feet. Terwijl de moellahs het openbare leven in hun greep kregen, begonnen vrouwen uit conservatieve, religieuze families zich voorzichtig, binnen het islamitische raamwerk, te emanciperen. Vrouwen die actief waren geweest in de revolutie baanden zich een weg door de politieke en civiele maatschappij. Al gauw liepen de universiteiten vol met vrouwen. ‘De islamitische overname maakte onderwijs voor meisjes zelfs binnen de meest conservatieve families acceptabel’, schrijft Coleman. ‘Nu de maatschappij was geïslamiseerd – met meisjes in hijab en de meeste openbare ruimtes gesegregeerd – hoe konden de vaders nog nee zeggen tegen hun dochters?’

De toestemming van de vaders leidde ertoe dat vrouwen zelfs een voorsprong namen in opleidingsniveau. En dit gebeurt niet alleen in Iran, waar aan de universiteiten de vrouwen zeventig procent van de afgestudeerden uitmaken. In Saoedi-Arabië is dit 63 procent en in Egypte 55 procent. ‘Zo creëren vrouwen momentum voor verandering’, zegt Coleman. ‘Dus zo vreemd is het niet dat vrouwen in Egypte en Tunesië een zeer actieve rol spelen in de democratiseringsbewegingen aldaar.’

Dikwijls gebruiken de vrouwen de islam als een vehikel voor verandering: ‘Eeuwenlang zijn vrouwen onderdrukt in naam van de islam, maar tegenwoordig ageren vrouwen vaak succesvol voor een progressieve interpretatie van de koran. Dat is in de geschiedenis nog niet eerder vertoond en het gebeurt van Marokko tot Afghanistan tot Indonesië.’

Als voorbeeld haalt Coleman de polygamiewetten in Marokko aan: ‘Volgens de koran mag een man vier vrouwen trouwen. Maar de koran zegt ook dat dit alleen mag indien je ze alle vier gelijk kunt behandelen. Mocht je weten dat je daartoe niet in staat bent, dan verbiedt de koran dat je een tweede, derde of vierde vrouw neemt. In Marokko hebben progressieven erop aangedrongen dat die voorwaarde in de wet is opgenomen. Religieuze leiders stemden toe, waarop polygamie in feite onmogelijk werd, omdat de polygamist opeens moest aantonen voor meerdere vrouwen te kunnen zorgen. Dat was een stuk effectiever dan simpelweg polygamie bij wet te verbieden, omdat het geheel in overeenstemming met de islam gebeurde.’

Colemans punt is dat je in deze diep-religieuze landen niet zomaar de heersende religie kunt negeren: ‘Als de verwezenlijking van vrouwenrechten afhangt van de afschaffing van de islam, dan kunnen moslima’s lang wachten.’

DE AFGELOPEN weken zag Coleman in Egypte enkele zorgwekkende dingen: ‘De Egyptische vrouwen trokken gelijk op met de mannen; zij waren het die rond middernacht de stenen uit het asfalt van het Tahrirplein bikten zodat de mannen die naar het leger en de politie konden gooien. Maar toen de vrouwen op de dag na Internationale Vrouwendag over datzelfde plein marcheerden, werden ze lastiggevallen en verteld naar huis te gaan: “Dit is niet het goede moment om over vrouwenrechten te praten.”’

Zo is het in de geschiedenis altijd gegaan, weet Coleman: ‘In Iran, in Zuid-Afrika, bij elke bevrijdingsbeweging speelden vrouwen een grote rol. Ook hier in Amerika. Na de Amerikaanse Revolutie scheef Abigail Adams aan haar man John (een van de founding fathers en een latere president – mvg): ‘Vergeet de vrouwen niet in onze grondwet.’ Dat was in 1787. Pas in 1920 hadden we vrouwenkiesrecht in dit land. Het is dus al vaker gebeurd dat vrouwen een voortrekkersrol speelden maar daarna verteld werd: bedankt, maar ga nu maar naar huis.’

Nu, in het Midden-Oosten, moet het anders gaan: ‘Als het nu niet tijd is om het over vrouwenrechten te hebben, wanneer dan wel? Laten we goed naar Egypte kijken. Hoe dat land zijn christelijke minderheid en zijn vrouwelijke bevolking gaat behandelen, zal een lakmoesproef zijn voor de verdere ontwikkeling van democratie in de hele regio.’

Isobel Coleman, Paradise Beneath Her Feet: How Women Are Transforming The Middle East. Random House, 315 blz., $26