Opheffer

Vrouwen, schoonheid en porno

De televisiereportage over de pornofilmindustrie dreigde in het water te vallen: we kwamen nergens, we hoorden niets, we werden bedreigd en we mochten alleen tieten, kutten en borsten filmen, en hoewel de omroep daar erg enthousiast over was, raakte ik nerveus.

Ik trok op met V., een Nederlandse pornoster van wie ik geen hoogte kreeg. Haar verhaal was klein, hoe lang ik haar ook interviewde. Ze deed «het» voor haar eigen genot, niet voor het geld, ze vond het leuk en haar ultieme wens was om zelf een film te regisseren.

Ik vroeg haar waar de meisjes vandaan kwamen.

«Oost-Europa», zei ze.

«Hoe oud?»

«Als ze zeventien of achttien zijn, of zeggen te zijn.»

Op een gegeven moment zei ik: «Als ik door Oost-Europa reis, zie ik wel mooie vrouwen, maar niet heel veel. Terwijl ik hier alleen maar mooie meisjes zie. Hoe kan dat?»

Toen versprak V. zich. De meisjes werden «gelokt» met plastische chirurgie, mooie kleren en auto’s en gingen voor de bijl. V. schrok van haar eigen woorden, vroeg of ik die niet wilde gebruiken, wat ik toezei, en ze wilde daarna zo snel mogelijk bij me weg.

Ik keek naar de «girls».

Hoe was het mogelijk dat «men» ze allemaal «mooi» kon maken? Wat was mooi eigenlijk? Geil? Aantrekkelijk? Uitdagend? Verleidelijk? Ik kreeg het idee dat «de onderwereld» (ik noem het maar even zo) iets begreep van de vrouw, en het vrouwelijk schoon, dat ik niet doorhad. Die jongens die eromheen zaten, waren onder te verdelen in twee categorieën: macho’s en waterdragers. Als de macho een macho boven hem kreeg, veranderde hij terstond in een waterdrager. Een tussenweg was er niet. Deze jongens bepaalden hoe het meisje eruit moest zien. Ze kenden de markt van de geilheid, die blijkbaar ook aan mode onderhevig is.

De meisjes leken dol op de jongens — of ze nu waterdrager waren of niet. Zoenen, over het haar strijken, veel lichamelijk contact, veel gefluister.

Collega Maarten zei dat dit alleen maar ging over de vraag: «Heb je nog coke, dan mag je mij neuken.» Ik geloofde dat hij gelijk had.

De vraag die mij bezighield, was: waarom was dit wat ik hier zag en meemaakte het paradijs niet, terwijl ik niets kende dat er zo dichtbij kwam?

Hier (het was op een kasteel) liepen alleen maar naakte vrouwen rond, willig en uitdagend, en zonder uitzondering allemaal mooi — ik had ze allemaal wel willen hebben, en ook weer niet, want ik was erg bang van ze. Wat was dat? Ik wist — dat had V. mij verteld — dat er vrouwen bij waren met wie ik zo zou kunnen trouwen. Graag zelfs. Ze zouden dan alles voor me doen.

«Wat missen jullie?» had ik haar gevraagd.

«Intimiteit», zei V.

«Wat is dat?» vroeg ik.

«Dat iemand echt van je houdt», zei ze. Ik vond het weer een damesbladenantwoord. Zou ik verliefd op zo’n filmsterretje kunnen worden? Ik wist het niet en dat verwarde me.

Onze cameraman vroeg opeens: «Hoe versier je hier eigenlijk zo’n wijf?»

«Vraag dat nou aan je collega-cameraman», adviseerde ik. Dat deed hij. Hij kwam later terug en zei: «Ik moet gewoon naar zo’n meid gaan en vragen of ze met me mee gaat. Als ze niets te doen heeft, doet ze dat wel.»

Toch sprak hij geen meisje aan.

We vergaapten ons. Wij waren het die de droom instandhielden, bedacht ik. Niet die sterren. Maar welke droom? De droom waarschijnlijk dat «vrouwen» onbereikbaar zijn; dat er slechts één is, door ons uitverkoren, door de anderen niet opgemerkt, die wij weten te verleiden door onze intelligentie, en omdat wij goed voor haar willen zijn.