Dagboek Irak deel 5

Vrouwen van Irak

Arabiste Kunera Korthals Altes is in de zuidelijke Iraakse provincie An Najaf, dat grenst aan het operatiegebied van de Nederlandse mariniers, waar ze werkt voor de Amerikaanse hulporganisatie IRC. Voor De Groene Amsterdammer houdt zij een dagboek bij over haar contact met de bevolking (delen 1-4 verschenen in de nummers 33-36).

In de voorbije weken maakte ze onder meer mee dat Zaynab, een van haar Iraakse collega’s, werd vermoord, ondervond ze hoe de toenemende onrust in Irak wordt gevoed door het grote aantal criminelen dat vlak voor de oorlog door Saddam werd vrijgelaten, en hoe dat leidt tot toenemende chaos en schijnveiligheid in grote delen van het land.

6 september, ochtend

Tijdelijk ben ik verplaatst naar Amman, Jordanië, vanwege de verslechterende veiligheids situatie. De Iraakse medewerkers wordt de keuze gegeven te werken of tijdelijk thuis te blijven als ze voelen dat ze een risico lopen op kantoor of in het veld. De meesten werken door. Ook al ben ik vrij zeker dat ik binnen twee weken terug kan keren naar Irak, toch heb ik het gevoel dat ik hen in de steek laat.

De programma’s gaan door: mijn veldonderzoek naar de situatie van Iraakse kinderen en vrouwen, het steunen van jeugdcentra en activiteiten voor kinderen, het schoonmaken en repareren van waterreinigingsinstallaties en riolering, het rehabiliteren van gezondheidsklinieken, het trainen van vroedvrouwen, immuniseringscampagnes, gezondheidsonderwijs in dorpen et cetera.

6 september, middag

We vliegen met een klein VN-vliegtuig naar Amman. De VN-medewerker naast mij komt uit Gambia. Hij vertelt me enthousiast dat hij de laatste dagen wat onderzoek op internet heeft gedaan en een auto in Nederland wil kopen. Klopt het, vraagt hij, dat auto’s goedkoper zijn in Nederland dan in Duitsland en België? God mag het weten, ik niet.

Mijn gedachten dwalen af naar wat ik heb gezien in de afgelopen maanden. Een van de bezoeken was aan een weeshuis in Najaf. Er is weinig van over: een geraamte staat overeind van wat ooit het weeshuis was. Sommige muurschilderingen zijn nog intact, maar er is geen dak, deur of raam meer te vinden. Het is een drukte van belang. Het departement voor werk en sociaal welzijn heeft zich tijdelijk gevestigd in het weeshuis omdat zijn gebouw is platgebombardeerd in de oorlog.

«Fatima Muhamed Ibrahim, Fatima Muhamed Ibrahim», roept een vermoeide stem. Op de enige stoel in het gebouw staat een vrouw met een grote stapel vergeelde documenten in haar hand. Ze roept namen van weduwen, wezen en gehandicapten. Ze hebben recht op een uitkering van ongeveer vier dollar per maand. Een zwarte menigte vrouwen duwt en schreeuwt om aandacht van deze vrouw, hun enige hoop op hulp.

De wezen verblijven sinds de oorlog bij verre familieleden of elders. Het zijn allemaal jongens; een gemengd weeshuis is in Najaf ondenkbaar. Dossiers bestaan niet meer, dus het is onmogelijk om elke wees na te gaan. Namens de directrice van het departement van sociale zaken, vraag ik om financiële steun aan de Amerikaanse majoor die verantwoordelijk is voor de sociale welzijnsprojecten van het Amerikaanse leger in Najaf. «Oh no, we can’t be supporting that orphanage. Only if they allow girls in.»

Het Ministerie van Planning ligt er verlaten bij. Het gebouw zelf staat nog overeind maar onze stemmen weergalmen in het leeggeroofde gebouw. Niemand te bekennen. Tot we een man tegenkomen, zittend op de grond. Hij komt snel overeind en introduceert zichzelf als de directeur van het departement. Als wij uitleggen dat we informatie zoeken voor ons onderzoek, verontschuldigt hij zich. «Voor de oorlog heb ik alle dossiers mee naar huis genomen, bang dat het gebouw zou worden geplunderd, zoals in 1991, na de oorlog.» Hij nodigt ons uit hem thuis te bezoeken.

Daar ruikt het naar oude documenten. De huiskamer staat vol met dozen, archiefkasten, stapels documenten op de grond. Een vlaag warme wind neemt papieren mee. De man graait wat door de verschillende dozen en haalt de gegevens eruit die wij nodig hebben. Dankzij deze man bestaan de documenten nog. Het is altijd de vraag of hooggeplaatste ambtenaren uit het Saddam-regime een ontslagbrief krijgen. Ik dank hem hartelijk en wilde dat ik meer kon aanbieden; een nieuw kantoor, mooie archiefkasten. Maar dat is het werk van de Amerikaanse regering.

Ik probeer uit te zoeken wat er zoal gebeurt op het gebied van sport en recreatie voor vrouwen en meisjes. Je ziet ze nauwelijks op straat, en ik hoop dat daar verandering in komt. Daarom bezoek ik de Dar el-Tabligh el-Islami, wat zoiets als het «huis van islamitische informatie» betekent, een onderdeel van de islamitische Dawa-partij. Er schijnt een afdeling voor vrouwenzaken te zijn.

«Ya allah, ya allah», roept de beveiligingsbeambte om zo te laten weten dat hij het kantoor vol vrouwen binnenkomt. Zo zijn vrouwen gewaarschuwd en kunnen zij de gezichtsbedekkende sluier weer voorhangen. Het is het einde van de middag en in de bloedhitte zitten we in het piepkleine kantoor te wachten op de directrice, Diyaab. Als een wervelwind stormt een volledig gesluierde vrouw binnen. De gezichtssluier gaat af. Twee vurige ogen en een energiek gezicht komen tevoorschijn.

Met opgeheven stem en in perfect Engels steekt Diyaab van wal over haar programma. Diyaab werkte acht jaar als kinderarts in het Saddam Ziekenhuis in Najaf. Drie jaar geleden besloot ze te stoppen: ze weigerde nog langer met mannelijke doktoren samen te werken. Vrouwen en kinderen zouden door vrouwelijke doktoren moeten worden behandeld en mannelijke patiënten door mannelijke doktoren. Dat geldt ook voor verpleegsters want volgens Diyaab zijn veel vrouwelijke verpleegsters geen goede moslims; zij raken immers mannen aan, geven injecties en meten hun hartslag. Dit leidt vaak tot het verlenen van andere diensten, zo weet zij te vertellen.

Het schijnt dat een onderdeel van de Hawza (het overkoepelend orgaan voor sji’itische organisaties) in Karbala reeds is begonnen met een lastercampagne tegen vrouwelijke verpleegsters. Sinds de oorlog is Diyaab afgevaardigde voor haar partij in de stadsraad van Najaf. In die rol heeft zij bewerkstelligd dat het niet langer is toegestaan aan ziekenhuizen in Najaf mannelijke artsen op de kraamafdeling te laten werken omdat het niet in overeenstemming zou zijn met Gods wetten. Enkele mannelijke kinderartsen en gynaecologen zijn ontslagen.

Eerder deze week zochten we tevergeefs naar vrouwelijke patiënten of doktoren op de psychiatrieafdeling van het ziekenhuis. Nu vrouwelijke verpleegsters zijn weggewerkt blijven ook de vrouwelijke patiënten weg. De psychische problemen zullen zeker niet verdwenen zijn.

De Engelssprekende directrice Diyaab werd na de oorlog lid van de Dawa-partij en begon direct met het onderwijzen van vrouwen. Ik wil weten waarin ze onderwijs geeft. «In alles wat je nodig hebt om te leven, de islamitische waarheid», beantwoordt ze mijn vraag. Het Baath-regime probeerde dit soort activiteiten actief tegen te gaan, dus kwamen vrouwen in het geniep bij elkaar om de koran en over het leven van imam Ali te lezen. Maar nu, sinds het einde van de oorlog, zijn onder leiding van Diyaab in Najaf 22 centra geopend, waaraan meer dan tweeduizend vrouwen de basisbeginselen worden uitgelegd van een vroom islamitisch leven.

Als ik vraag in hoeverre vrouwen hiervan profiteren in deze moeilijke tijden, steekt ze een tirade af: hoe vrouwen zich moeten gedragen, kleden, wat ze hun kinderen moeten leren, hygiënische praktijken, over jonge echtparen die cursussen bij haar kunnen doen over de islam voor jonge echtparen. En wat als vrouwen nu willen leren lezen en schrijven? Dat komt later, volgens Diyaab, want alles zal vrouwen gemakkelijker afgaan zodra ze hun leven beteren. «We vechten tegen de onwetendheid, we geven mensen hun cultuur terug.»

Ik schrik terug van haar woorden. Wat kan ik erop zeggen? Wie weet, wellicht hebben vrouwen hier behoefte aan, ze kunnen nu in elk geval buiten de deur met elkaar praten zonder hun mannen, dat is al heel wat. Toch boezemt de gedachte aan tweeduizend vrouwen als Diyaab me angst in. Ongeletterde vrouwen worden op hun fouten gewezen door deze islamitische wervelwind.

Diyaab heeft haar oog laten vallen op het voormalige Baath-vrouwencentrum. Daar wil ze juridische en psychosociale hulp aan vrouwen aanbieden en handwerkcursussen, computercursussen, sportfaciliteiten en alfabetiseringscursussen opzetten. Niet als een overheidsprogramma, maar als een onafhankelijk islamitisch instituut. Ze weet bijna zeker dat ze het krijgt — verschillende donoren hebben al financiële hulp toegezegd.

In hoeverre heeft de veiligheidsituatie invloed op de levens van de vrouwen van Irak? Diyaab geeft een duidelijk antwoord: «Alle Baath-mannen waren slecht, daarom gingen vrouwen niet naar buiten. Nu, als alle Baath-mannen zijn opgepakt en alleen goede sji’itische mannen overblijven, zal het veilig zijn op straat.» Mijn vrouwelijke medewerkers zijn enorm onder de indruk van Diyaab en vinden haar ideeën briljant.

Onderweg terug naar kantoor denk ik aan de toekomstige vrouwenprogramma’s die wij willen ondersteunen. Met Diyaab zouden programma’s zeker worden geïmplementeerd, maar de achterliggende boodschap is er een die mijn niet-religieuze organisatie niet wil ondersteunen. Moet ik dan werken met de ongemotiveerde vrouwen op het departement voor sport en recreatie?

Een van mijn ontroerendste ontmoetingen van de laatste weken vond plaats bij het doveninstituut. Ik had begrepen dat ook dit instituut was geplunderd, maar het gebouw staat nog overeind als ik er aankom. De tuin is opgedeeld in kleine stukjes land, die me doen denken aan mijn eigen tuintje dat ik op school onderhield. We gluren naar binnen en zien kleurige meubels, posters aan de muur, beeldmateriaal van internationale hulporganisaties, planten en boeken en schriften.

«Salem aleikum» klinkt een luide, zelfs zware stem achter me. Ik kijk achterom. Een jongen van een jaar of elf kijkt me geïrriteerd aan en vraagt wat we hier doen. Met opgevouwen armen wacht hij mijn antwoord af. We leggen uit dat we de school willen zien en de situatie willen inventariseren. We vragen hem wie hij is. «Ana el-haras» — «Ik ben de bewaker», zegt hij, met een zo zwaar mogelijke stem. Hij woont met zijn familie op het terrein. Verbaasd vragen we hoe het komt dat de school niet is geplunderd, zoals alle andere speciale scholen. «Ik heb hem beschermd», zegt hij. «Met stokken en stenen hield ik de dieven weg, dag en nacht.»

Als ik uitroep hoe dankbaar de kinderen en leraren van de school wel moeten zijn, ontspant hij en lacht verlegen. Met een veel hogere stem legt hij uit dat hij met zijn broertjes om toerbeurten de school beschermde. We vragen of hij bang was. Hij aarzelt even, gevolgd door een overtuigd: «Nee.» Vanuit de auto zwaaien we en daar staat hij, met een trotse grijns van oor tot oor, arm in arm met zijn vriendje.

6 september, avond

Het vliegtuig raakt de grond in Amman. We logeren net als de meeste geëvacueerde hulpverleners in een goed hotel. Ik eet ’s avonds in de sushibar op de zevende verdieping van het hotel. Hippe, rijke Jordanese jeugd vult het restaurant. We kijken uit over verlicht Amman.

Hoe zou Bagdad er op dit moment uitzien van deze hoogte? Donker. Zonder elektriciteit is er weinig te zien van de bij nacht uitgestorven stad.

(wordt vervolgd)