Harry Mulisch en de vrouwen

Vrouwen veroveren en vernederen

Welke rol speelt de vrouw in het werk van Harry Mulisch? Geen, zou ik in eerste instantie geneigd zijn te antwoorden, behalve dan als baarster, verzorgster of neuk object.

Mulisch’ benadering van het raadsel vrouw wordt aardig weergegeven in de zin uit De ontdekking van de hemel die om een of andere reden een onuitwisbare indruk op mij maakte: «Toen hij haar zag liggen, nog met gespreide benen, zei hij: ‹Maak jezelf maar klaar,› — en verdween naar de badkamer.»
Tijdens het Mulisch-festival dat afgelopen weekend in De Balie in Amsterdam werd gevierd ter gelegenheid van Mulisch’ 75ste verjaardag, werd een avond gewijd aan het vrouwelijke personage in zijn werk. Onder leiding van Elsbeth Etty bogen Kristien Hemmerechts, Doeschka Meijsing en Connie Palmen zich over de vrouwen in enkele van zijn romans.

Etty deed de aftrap door Mulisch een mannenman te noemen die er in zijn werk blijk van gaf weinig kaas van vrouwen te hebben gegeten. Hemmerechts constateerde vervolgens droogjes dat in Siegfried de Eva’s en de Maria’s uitsluitend voor een man leven («het moet heerlijk zijn om zo’n vrouw te hebben») en dat interessante ontwikkelingen zich alleen in het mannelijk domein voltrekken. Meijsing had Twee vrouwen herlezen en concludeerde dat Mulisch nadragen dat hij geen geloofwaardige vrouwen heeft neergezet, hetzelfde is als Michelango verwijten dat hij wel paarden maar geen varkens uit het marmer heeft gehouwen. «Mulisch is geen schrijver van psychologische romans.» Palmen besprak, onnavolgbaar improviserend, madame Sasserath die figureert in De pupil en aan wie de mannelijke ikfiguur, de achttienjarige schrijver in spe, uiteindelijk zijn oeuvre te danken heeft, al moest zij er zelf voor verdwijnen. «De beste vrouw voor Harry is de verdwenen vrouw», luidde Palmens dubbelzinnige verklaring.
De jarige zelf — op de eerste rij omringd door vrouw, vriendin, dochter, bibliografe — hoorde het geamuseerd aan. De kanttekeningen bij zijn vrouwelijke karakters betekenden niet dat zijn werk werd afgewezen. Integendeel. Hemmerechts leek nog het meest verontrust: «Ik kan bij die figuren niet ruiken over wie hij het heeft. Het zijn alleen maar hóófden die hij beschrijft. Mannenhoofden.» Meijsing, innemend nors: «Ik let niet zo op die vrouwfiguren. Ik word afgeleid door wat hij wél te bieden heeft. Mulisch beschrijft de wereld zoals hij denkt dat die is. Mulisch is geen vrouw. Punt.» Palmen, zwaaiend met een sigaret: «Harry zou een vrouw willen zijn.» Hemmerechts: «Als we toch op de psychoanalytische toer gaan: Harry wil baren.»

En wat vindt Harry er zelf van? We zullen het niet weten. Weliswaar werd de schrijver na dit debat geïnterviewd, maar de interviewer, Michaël Zeeman, presteerde het om op geen enkele manier te refereren aan de zojuist gerezen kwesties. De schrijver zelf kwam er evenmin op terug, hetgeen in zichzelf een illustratie was van het hele «Mulisch en de vrouwen»-thema. Hoe hij zijn echte verjaardag had gevierd? In Venetië, in het hotel op het Lido waar hij ieder jaar naartoe gaat, waar hij ieder jaar dezelfde kamer boekt, en ieder jaar eet in hetzelfde restaurant en ieder jaar hetzelfde eet. Wél inmiddels in gezelschap van een andere vrouw, denken wij dan, maar dit soort banaliteiten kwam in het gesprek tussen beide heren niet aan de orde.

Daarvoor kunnen we wel terecht in het onlangs verschenen Het voorbestemde toeval: Gesprekken met Harry Mulisch, waarin Marita Mathijsen — de toegewijde bibliografe van Mulisch, tevens hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde — zich een aan de sfinx gewaagde gesprekspartner toont. Lijkt het er in het begin nog op dat ze last heeft van een al te grote devotie («Wat? Zijn die donkerblauwe ogen van Quinten van haar?» roept ze uit als Mulisch vertelt dat zijn moeder de lapis lazuli-achtige ogen had die hij in De ontdekking van de hemel beschrijft), later is ze prettig oneerbiedig als hij het gesprek wil afleiden van «de vriendinnen» over wie ze het eigenlijk wilde hebben. De man die zo’n grote betekenis hecht aan data en getallen moet het antwoord schuldig blijven als hem wordt gevraagd wanneer hij zijn huidige levenspartner ook alweer heeft ontmoet. «Dat weet zij precies.»
De broodnodige plaatjes bij de praatjes levert Mijn getijdenboek, oorspronkelijk gepubliceerd in 1975, en in dit Mulischjaar opnieuw uitgegeven in combinatie met Zijn getijdenboek. Ook literair criticus Onno Blom heeft urenlange sessies met Mulisch gehad, en tekent aan de hand daarvan, én van uiteenlopende documenten, diens levensloop op. Vrouwen waren er altijd, blonde met name. «Zwarte zijn me niet geheimzinnig genoeg. Alles is te zichtbaar.» Huwelijk noch vaderschap heeft ooit vermogen zijn werkritme te verstoren. De nachten bracht hij vele jaren lang door in De Kring. «Sjoerdje vond dat uitstekend.» Tijdens de verschillende praatsessies in Mulisch’ werkkamer hoort Marita Mathijsen zijn huidige vriendin, tevens moeder van zijn zoon, boven zachtjes rondschuifelen; als Mulisch belt, komt ze met thee aanzetten. «Vrouwen moeten veroverd worden», tekent Onno Blom op.

Zoveel leuke vrouwen voor zich gewonnen, deze man moet het een en ander te bieden hebben. Nog maar eens de «maak jezelf maar klaar»-passage uit De ontdekking van de hemel erbij gehaald. De schrijver verwijlt langer bij zijn vrouwelijke personage dan ik me herinnerde. Achtergelaten in de slaap kamer gaat de vrouw, Ada, verdwaasd op de rand van het bed zitten. «Dit was nooit meer goed te maken: het was of zij opeens de tronie van Mr. Hyde had gezien op het gezicht van haar Dr. Jekyll. Maak jezelf maar klaar. (…) De badkamer was nog warm en vochtig van zijn douche. In het stromende water leek het even of het van haar af viel, maar terug in de kamer was het er weer. Maak jezelf maar klaar.» Mulisch weet van vernederen en van veroveren.


Marita Mathijsen Het voorbestemde toeval: Gesprekken met Harry Mulisch
Uitg. De Bezige Bij, 201 blz., € 15,-
Harry Mulisch en Onno Blom
Mijn getijdenboek 1927-1951. Zijn getijdenboek 1952-2002
Uitg. De Bezige Bij, 303 blz., € 29,95