Vrouwen, vocht en viezigheid

Eens in de zoveel jaar staat een vrouwelijke schrijver op die het de goegemeente met de benen gespreid inpepert: dit is mijn lichaam. Penetreer het alsjeblieft zo diep mogelijk. Nu is daar de Duitse Charlotte Roche.

Zo gauw vrouwelijke schrijvers hun kut in de strijd gooien, is de aandacht gewekt. Of moet ik op z’n Charlotte Roche’s ‘kutje’ zeggen? Roche is de schrijfster van Feuchtgebiete, dat binnenkort in vertaling verschijnt als Vochtige streken. Er schijnt enorm gevochten te zijn om de Nederlandse vertaalrechten van deze debuutroman van de Duitse Sophie Hilbrand (de dertigjarige Roche was tot nog toe bekend als presentatrice van hippe televisieprogramma’s), zoals ze ook in Engeland nog steeds tegen elkaar aan het opbieden zijn. In Duitsland werden binnen vier maanden tijd meer dan achthonderdduizend exemplaren verkocht. Niet gek gedaan voor een radicale feministe, want zo presenteert Roche zich. Het officiële verhaal, zoals ze dat graag kortgerokt en hooggelaarsd in alle mogelijke programma’s komt vertellen, is dat ze ten strijde trekt tegen de hygiëne- en ontharingsmaffia. De ‘amerikanisering van het lichaam’ noemt ze de manie dat vrouwen gladder dan glad moeten zijn en moeten ruiken en aanvoelen als een baby. Een beetje vergelijkbaar met de strijd van onze Sunny Bergman dus, maakster van de documentaire waarvan ik gelukkig eindelijk de naam vergeten ben.
Ik weet niet wat er voor een trend gaande is in feministenland, maar de woordvoersters maken de indruk over tien jaar en masse op de operatietafel te liggen om iets op te laten vullen dan wel weg te laten spuiten. Zó serieus nemen ze datgene waar ze tegen ten strijde trekken, dat ik er met terugwerkende kracht diep onzeker van word. Sinds wanneer moet ik reclames voor maandverband en inlegkruisjes letterlijk nemen en eronder lijden dat ik niet permanent naar wc-eend ruik? Alsof Eva Longoria ooit ook maar één Magnum in haar leven tot zich heeft durven nemen zonder die onmiddellijk weer uit te kotsen. Ik dacht dat al die glanzende geretoucheerde vrouwbeelden in de damesbladen tot de derridaiaanse symbolische orde behoorden, en er alleen waren om ons grauwe bestaan een beetje kleur te geven, zoals in een kookboek ook alleen foto’s staan van perfect gelukte soufflés. Onhaalbaar maar oogstrelend en dus opwekkend, en anders gewoon te negeren.
Met haar debuutroman maakt Roche de zaak er niet eenvoudiger op. De tamtam eromheen – niet in de laatste plaats van Roche zelf: ‘masturbatie is een thema waar ik graag eens wat mee wilde doen’ – suggereert dat Vochtige streken literaire pornografie is. Maar dan wel van een héél kinky soort. De achttienjarige Heleen Memel ligt in het ziekenhuis, omdat ze iets te uitbundig haar intieme delen heeft proberen te scheren. Ze heeft aambeien als een bloemkool zo groot, en in die contreien is de boel gaan bloeden en ontsteken. Een operatie is onvermijdelijk en in plaats van met een bloemkool zit Heleen nu met een groot gapend gat dat langzaam moet helen. Maar aangezien het haar geheime missie is haar ouders weer bijeen te brengen, en waar kan dat wonder beter plaatsvinden dan aan haar ziekbed, verwondt ze zichzelf andermaal duchtig zo gauw haar wond dicht dreigt te gaan. Zo duchtig dat ze bijna doodbloedt. Jammer genoeg zijn haar ouders, en ook haar broertje, te zeer met zichzelf bezig om überhaupt op te komen dagen. Gelukkig ontpopt verpleger Robin zich als een soort prins op het witte paard.
Niet echt het meest sexy verhaal dat je je kunt voorstellen, eigenlijk zelfs nogal zielig. Roche geilt de boel op door haar hoofdpersonage te laten mijmeren over haar grote specialisme – ‘klaarkomen met alleen een pik in mijn kont terwijl er verder niets wordt aangeraakt’ – en gewoontes. Zo is ze gewend nogal wat in haar ‘kutje’ te stoppen, van avocadopitten tot complete douchekoppen, en houdt ze ervan de korstjes uit haar onderbroek op te eten. Vooral in de sfeer van dat laatste is Roche oneindig creatief; alles blijkt altijd nog net een tikkeltje smeriger te kunnen. Niet zomaar papa’s chique barbecuetang naar binnen werken om naar een verdwaalde tampon te hengelen, nee, dan wel met de aangekoekte resten vlees en het vet er nog aan.
Het woord ‘kutje’ begon mij na drie bladzijden danig op de zenuwen te werken, in plaats van ergens anders op. Het kan een kwestie van vertaling zijn – in het Duitse origineel staat het woord ‘Muschi’ – maar de combinatie met het ook veelvuldig gebruikte ‘kontje’ levert iets verre van zinnenprikkelends op. Het is alsof iemand erg haar best heeft zitten doen om zo – nog zo’n beladen woord – ‘stout’ mogelijk uit de hoek te komen. Niets voor meisjes, die aambeien, schrijft Roche al op de eerste bladzijde meisjesachtig uitdagend. Het feit dat zogenaamd ‘vuile’ taal alleen erotiserend werkt als het uit een aantrekkelijke mond komt (niemand raakt er opgewonden van dat Renate Dorrestein in een van haar recentste romans ook met haar kutje kampt, zij het niet met de vochtigheidsgraad maar met het omgekeerde) geeft dit hele boek iets buitengewoon irritant kokets.
Aan de andere kant: waarom maak ik me druk alsof het boek met mij persoonlijk van doen heeft? Mijn ergernis lijkt op de ergernis die ik had ten aanzien van de ‘stout’-kruistocht van Heleen van Royen en Marlies Dekkers, en mijn onvermogen verder te lezen in Van Royens De gelukkige huisvrouw (2000) toen ik na zes bladzijden stuitte op de zin: ‘Voor het eerst van mijn leven stond mijn doos niet naar sex.’ Een vrouw die het over haar doos heeft, die deugt gewoon niet, of die lijdt in ieder geval aan verregaande zelfhaat. Roche kan zich zo bij haar aansluiten, bedenk ik nu. Zowel Van Royen als Roche pretendeert de vrouw seksueel te willen bevrijden, zet daartoe platte, traditionele middelen in, en het resultaat is lelijk en ten enenmale níet opwindend. Het dubbelzinnige van hun bevrijdingsdrang is dat ze zich tot hun medegevangenen richten – tot mij dus ook, vandaar dat ik er niet onberoerd onder kan blijven – maar misschien nog wel ietsje meer op hun gevangenbewaarders. Stiekem zijn ze vooral bezig met het vergroten van hun eigen sexappeal. Kijk mij eens lekker in zijn voor alles, is de onderliggende boodschap, en die boodschap is al zo oud als het oudste beroep ter wereld.
Mijn ergernis wordt mede gevoed door de gretigheid waarmee jan en alleman zich op een fenomeen als Roche stort. Eens in de zoveel jaar staat een vrouwelijke schrijver op die het de goegemeente met de benen gespreid inpepert: dit is mijn lichaam. Penetreer het alsjeblieft zo diep mogelijk. Vochtige streken staat wat dat betreft in een lange traditie van zogenaamd libertijnse geschriften van vrouwelijke hand, die steevast kunnen rekenen op maximale aandacht. Het soort aandacht dat voortgestuwd wordt door iets tussen afgrijzen, ongeloof en geiligheid in. Dat mannen maar aan één ding denken, soit, maar het taboe van prinsesselijke maagdelijkheid kan blijkbaar iedere keer opnieuw doorbroken worden, want het schokeffect is telkens groot.
Het is alweer zeven jaar geleden dat de Parijse kunstcritica Catherine Millet een vergelijkbaar opzien als Roche baarde met Het seksuele leven van Catherine M. ‘Een klassieker’, oordeelde literair goeroe Bernard Pivot over het boek waarin Millet minutieus beschrijft wanneer, waar en hoe ze zich door wie heeft laten penetreren. Vooral de boekhoudkundige precisie van het een en ander (‘Twee mannen hielden me onder mijn armen en benen omhoog, terwijl de anderen elkaar aflosten bij het bekken waartoe ik was gereduceerd’) maakte grote indruk. En natuurlijk: binnen een maand 150.000 exemplaren verkocht. ‘Een eendagsvlieg’ lijkt inmiddels een accuratere karakterisering van Millets coming out, van wie nadien niets meer is vernomen, al raak ik al bladerend opnieuw gefascineerd door haar vervreemdende apothekersstijl: ‘Daar komt nog bij dat je met volle mond veel duidelijker het gevoel krijgt gevuld te zijn dan wanneer het de vagina is die wordt bezet.’ Alleen al het woord ‘vagina’ klinkt opeens weer heerlijk sacraal.
Wat langer geleden baarde Erica Jong opzien met haar roman Fear of Flying (1973), in vertaling verschenen als Het ritsloze nummer. Het verhaal van Isadora Wing, op de vlucht voor haar man (‘Zelfs als je van je man hield, brak onvermijdelijk het jaar aan dat neuken met hem net zo oninteressant werd als smeerkaas: voedzaam, maar geen sensatie voor de smaakpapillen, geen gevaar’), prikkelde de fantasie van velen. Op de Nederlandse pocketuitgave uit 2003 staat vermeld: 12.000.000 exemplaren verkocht! Met haar queeste naar het ultieme, eersteklas ritsloze nummer – hete, kortstondige seks met een man die je niet echt goed kent – is Jongs heldin een kind van haar tijd. Een van haar grootste problemen is dat ze niet weet hoe ze haar feminisme in overeenstemming moet brengen met haar onstilbare honger naar mannenlichamen. Mannen: ‘hopeloos beneveld van verstand, maar zulke lieve lijven’. De vrouwelijke schelmenroman van Jong is nog steeds curieus om te lezen, maar dan vooral als vrolijk tijdsdocument. De afterglow van de jaren zestig is op iedere bladzijde voelbaar, evenals de aanrollende tweede feministische golf. Het ritsloze nummer is in feite wat bij ons De schaamte voorbij (1976) van Anja Meulenbelt was, waarin met eenzelfde emancipatoir schokeffect de verlangens van het vrouwelijk lichaam werden bezongen. ‘Kut. Vagina. Orgasme. Niet mijn taal, maar ik heb nog geen andere.’
In het nawoord, geschreven bij de dertigste verjaardag van haar boek, verkondigt Erica Jong dat haar boek daadwerkelijk voor velen, all over the world, bevrijdend heeft gewerkt. Waar die bevrijding dan precies in schuilt – meer seks? Is dat dan toch de sleutel tot het geluk? – dat vertelt ze er jammer genoeg niet bij. Ook verklaart ze zich schatplichtig aan Henry Miller. Had hij niet in een enthousiast stuk in The New York Times haar boek de vrouwelijke versie van zijn roman De kreeftskeerkring genoemd, dan had het wel eens heel anders kunnen zijn gelopen. Grappig genoeg zette dezelfde Henry Miller een aantal jaren eerder al zijn geliefde Anaïs Nin aan tot het schrijven van pornografische literatuur. Nin (1903-1977) werd vooral beroemd door het dagboek dat ze gedurende vele jaren bijhield en dat de achtergronden en motiveringen bevat van alles wat ze schreef. Zo weten we dat ze in april 1940 geen cent te makken had, en Miller aan haar een klusje overdroeg waarvan hij dacht dat zij het veel beter kon dan hij. Het hield in dat ze op verzoek van een anonieme verzamelaar erotische verhalen begon te schrijven. De verzamelaar was tevreden, al schreef hij haar na iedere zending dat ze minder poëtisch moest schrijven en ze zich echt moest concentreren op de seks. Nin kwam in een soort spagaat terecht: zelf vond ze dat seks zijn magie verloor als het te expliciet werd beschreven. Ook had ze het idee dat ‘de taal van de man’ niet toereikend was om de zinnelijkheid van de vrouw helemaal in onder te kunnen brengen. Het neemt niet weg dat haar erotische broodschrijverij tot een heuse klassieker leidde: Delta of Venus (1969). Zelf schreef Nin in een nawoord acht jaar later dat ze pas toen ze haar verhalen teruglas, zag dat ondanks de uitgesproken verlangens van haar opdrachtgever, en de mannelijke traditie waarin ze zich moest zien te voegen, haar eigen stem niet geheel onderdrukt was. Toen was ze er ook gerust op de verhalen voor publicatie vrij te geven, ‘omdat ze de beginnende pogingen van een vrouw in een wereld die het domein van de man was geweest laten zien’.
Veelzeggend genoeg zijn de sensuele verhalen van Anaïs Nin nog steeds de perfecte verhalen voor het niet-slapen gaan. Ze zijn geraffineerd geschreven en balanceren precies op dat vreemde midden tussen afstand en overgave, verleiding en weerstand. Prettige bijkomstigheid: een kut heet hier weer gewoon een vulva. Mooi dus dat deze verhalen zijn bewaard voor het vrouwelijk nageslacht, maar het is ook een wat schrale oogst. Vochtige streken van Charlotte Roche doet andermaal beseffen dat vrouwen nu toch al te lang akelig droog staan. Bevrijdingsdrang en opwekkende literatuur verdragen elkaar kennelijk niet goed.

(De tentoonstelling Miyako Ishiuchi:
Photographs 1976-2005 is van 19 september t/m 16 november te zien in het Foam,
Amsterdam, zie www.foam.nl)

CHARLOTTE ROCHE
VOCHTIGE STREKEN
(FEUCHTGEBIETE)
Vertaald door Marcel Misset,
De Bezige Bij, 215 blz., ca. € 17,90
Verschijnt op 1 oktober