Vrouwen voor vrouwen

WAS HET FEMINISME, althans de tweede feministische golf, achteraf gezien slechts een gigantische praatgroep? Wie Het persoonlijke wordt politiek opslaat, het proefschrift waarop Irene Costera Meijer vrijdag 27 september promoveerde, zou het haast gaan denken. De tweede golf bestond, als we Meijer moeten geloven, uit een aanzwellend koor van dames die al pratend naar hun enige en ware ik zochten. En dat ware ik bleek, na een zwaar en moeizaam bewustwordingsproces, heel radicaal te zijn, heel paars, en vooral heel lesbisch.

Meijers proefschrift volgt dat bewustwordingsproces op de voet. Het begint bij het spraakmakende essay ‘Het onbehagen bij de vrouw’ dat Joke Kool-Smit in 1967 in De Gids publiceerde. En het eindigt, althans zo ongeveer, bij Anja Meulenbelts biechtroman De schaamte voorbij uit 1976. Daarna was het gedaan met de tweede golf. Radicaler, bewuster, lesbischer konden de vrouwen van de beweging niet meer worden. Er was niets persoonlijks meer dat nog viel te politiseren. De feministische beweging viel uiteen in groepen, groepjes en individuen, die vooral elkáár in de haren vlogen.
Eminent scheurmaakster was Bernadette de Wit, zich noemende 'feministe buiten dienst’. In een onstuitbare reeks artikelen, beginnend in het lesbische blad Diva en eindigend in Panorama, Penthouse en De Groene, legde ze de zweep over het verburgerlijkte en vertrutte feminisme. Die artikelen zijn nu samengebracht in de bundel Slechte vrouwen, echte vrouwen, die deze week is gelanceerd in De Rode Hoed te Amsterdam.
HET BOEK VAN De Wit begint daar waar dat van Meijer eindigt. Samen beslaan ze een periode van dertig jaar, een periode waarin het feminisme opkwam en weer onderging. Waar is de tweede feministische golf nu werkelijk op stukgeslagen? Wat valt er uit die geschiedenis te leren? En wordt het langzamerhand niet tijd voor een derde golf? Prangende vragen die smeken om een praatgroep waarin vrouwen hun bittere ervaringen met het feminisme kunnen uitwisselen, in de hoop op een nieuwe bewustwording, een nieuwe identiteit en, wie weet, een nieuwe beweging.
Het praten is hun allerminst vergaan, de vier dames aan de Groene-tafel. Spontaan keert de sfeer van de vroegere vrouwenpraatgroepen terug. Vóór de band begint te lopen, ontspint zich al een felle discussie over de voors en tegens van naaldhakken. Later zullen ze door elkaar heen en tegen elkaar in en met elkaar uitvechten waar het mis ging met het feminisme. Maar eerst vertellen ze waarom ze er überhaupt mee begonnen.
Ieder van hen sprong op een ander moment op de feministische golf. Anneke van Baalen, 59 jaar en docent bestuurskunde aan de Universiteit van Amsterdam, sprong het eerst. 'Het is heel juist dat Irene in haar boek het stuk van Joke Kool-Smit in De Gids het eerste bewustwordingsstuk noemt. Dat stuk maakte duidelijk dat er van een voltooide emancipatie en van gelijke rechten allerminst sprake was. Het liet zien dat vrouwen in een rolconflict zaten, dat er een gigantische kloof gaapte tussen werk en privéleven. Ik was wetenschappelijk medewerker en ik voedde kinderen op. Ik werd daar helemaal verkrampt en verstard van, ik kon mijn kaken niet meer van elkaar krijgen. Ik dacht, ik moet iets doen. Ik heb toen dat oproepje voor Man Vrouw Maatschappij, de actiegroep die Joke Kool-Smit in het leven had geroepen, onmiddellijk ingevuld. De hele achterkant schreef ik vol over emotionele en seksuele uitbuiting, ook al was dat toen nog helemaal niet aan de orde. Vervolgens heb ik het briefje zes weken op de schoorsteenmantel laten staan, want ik dacht, als ik het instuur, dan hang ik. En inderdaad, toen ik het eenmaal instuurde, hing ik. Ik moest heel saaie dingen doen, met politieke partijen en partijprogramma’s. Maar ondertussen belde ik wel iedere dag met Joke over wat er allemaal met ons mis was.’
Bernadette de Wit: 'Ha, de eerste praatgroep!’
HOEWEL ZE aanzienlijk jonger is, maakte De Wit (45) niet veel later kennis met het feminisme. 'Dat was in 1968, toen ik op de televisie een uitzending zag over Dolle Mina. Ze bonden pisbakken dicht met linten. Het was voor het eerst dat ik echt leuke, prikkelende vrouwen zag, vrouwen zoals ik ze in mijn eigen omgeving niet tegenkwam.’
Van Baalen: 'Die waren zorgvuldig geselecteerd, hoor!’
De Wit: 'Dat wist ik toen natuurlijk niet. Voor mij was het een ontdekking. Maar de oproep van Dolle Mina liet ik niet zes weken maar zes jaar op de schoorsteenmantel in mijn achterhoofd staan. Want ik kon er toen nog niets mee. Ik zat helemaal vast. Ik woonde samen met een jongen met wie het helemaal niet goed ging en die alles op mij afreageerde. Ik zat gevangen in een soort Florence Nightingale-rol die karakterologisch helemaal niet bij mij paste. Pas jaren later, in 1974, ben ik naar het vrouwenhuis gegaan om iets met dat onbehagen te doen. Toen ging het in één klap heel erg goed met me. ik kon me weer concentreren, ik kon weer lezen, ik kon weer leven, ik kon weer ademen.
In het vrouwenhuis waren intelligente, zelfbewuste vrouwen met wie je over alles kon praten. Hoewel, ik merkte ook al snel hoe normatief die vrouwen konden zijn. Op een discussieavond over verkrachting heb ik over mijn eigen verkrachting verteld. Ik zei dat ik er helemaal geen trauma aan had overgehouden. Er viel een doodse stilte. Ik had het probleem individueel opgelost, en dat was niet goed, dat werd opgevat als een veroordeling van de collectieve strijd.
Ik heb dat altijd gehouden, ik ben altijd aandacht blijven vragen voor individuele ervaringen die net buiten het collectieve verhaal vielen. Maar sommige individuele verhalen mochten gewoon niet verteld worden. Dat was dus het begin van mijn conflict met het feminisme.’
Van Baalen: 'O, maar die ervaring heb ik helemaal niet. Ik heb in een praatgroep gezeten met vrouwen die ouder waren dan ik en die ontzettend nieuwsgierig waren. De regel was juist dat er niet geoordeeld mocht worden. Die vrouwen vroegen alleen maar: en hoe ging dat dan, wat gebeurde er dan, wat dacht je toen? Net zo lang tot we allemaal voor ons zagen hoe het gegaan was. Daarom had ik ook geen psychiater nodig.’
De Wit: 'Ik zat kennelijk in een praatgroep met de mindere goden. De vrouwen met wie ik te maken had, waren minder spiritueel en minder intelligent en minder moedig dan die waar jij het over hebt. Ik zat in de derde garde of zoiets.’
Van Baalen, triomfantelijk: 'Jij was te laat, te laat!’
HET MOMENT WAAROP Irene Costera Meijer (40) op de tweede feministische golf dook, was weer enkele jaren later, toen die golf op haar hoogtepunt was. (De Wit tegen Meijer: 'Ik heb ooit nog eens je haar geknipt, in 1975 geloof ik, en toen was je er nog niet bij. Vond je het eng of zo?’) Meijer: 'Ik begon in links. Op 17 november 1972, ik weet de datum nog precies, werd ik links. Ik zat in het jongerendiakonaat van de kerk en was bij de oprichting van de wereldwinkel. Ik viel er meteen voor. Vanaf dat moment heb ik nooit meer een bejaarde de kerk in getild. Ik ben actief geworden in Amnesty International, in de anti-apartheidsbeweging, de brede Vietnambeweging. Ik vond de vrouwenbeweging elitair, vergeleken met al dat grote leed. Totdat ik in 1975 mijn eerste Bonte Was-boek las…’
Anneke van Baalen, destijds mede-oprichtster van de feministische uitgeverij De Bonte Was, barst spontaan in zingen uit: 'Ik las het Bonte Was-boek, acht gulden kostte het…’
Meijer: 'Ik las dus het Bonte Was-boek, en daar stonden allemaal verhalen in van vrouwen die helemaal niet op mij leken. Van zestig tot jong, met en zonder kinderen, lesbisch en niet-lesbisch. En ik herkende me in alle verhalen, echt in allemaal. Op dat moment realiseerde ik me dat ik een vrouw was. Ik dacht daarvoor: ik ben links, ik ben student, ik ben activist. Intellectuele conversaties voerde ik met mannen. Tot ik erachter kwam dat ik eigenlijk heel weinig aandacht van hen kreeg. Toen heb ik al mijn linkse vriendjes op de koffie uitgenodigd en gevraagd of ze me iets te vragen hadden. Wie geen vraag had werd de deur uitgezet. Dat waren er achttien, twee bleven er over.’
De Wit: 'En wanneer ben je lesbisch geworden?’
Meijer: 'Ik denk dat ik vanaf 1980 bekend sta als lesbisch. Je moet bedenken: je hebt een publieke identiteit en een persoonlijke. En die publieke identiteit is nu al heel lang lesbisch. Daarbij doet het er helemaal niet toe met wie je het doet en of je het überhaupt doet.’
NET ALS BERNADETTE de Wit herinnert ook Karin Spaink (38) zich de acties van Dolle Mina, hun geplas in het openbaar. Maar dat zei haar niets. Haar problemen waren andere. 'Ik weet niet anders dan dat ik als kind al dacht dat ik wilde werken en studeren, en dat ik geen kinderen wilde en niet wilde trouwen. Daar moest iedereen altijd vreselijk om lachen, dat werd nooit serieus genomen.’ Ze voelde zich pas serieus genomen toen ze in 1975 meedeed aan de bezetting van de abortuskliniek Bloemenhove. 'Ik ging daar kijken met een vriendin en ben er meteen gebleven. Er waren vreselijk veel leuke dames bij elkaar, die ook zinnige verhalen hadden. Ik geloof ook dat ik daar mijn eerste dame heb gezoend.’
Maar het feminisme was voor Karin Spaink niet alleen een warm bad. Al gauw doken er dingen op die haar stoorden. 'Om te beginnen die eindeloze theorievorming, die maar door en door ging, steeds abstracter werd en steeds meer gebieden in Verweggistan ging bestuderen. Daar kon ik niets mee en dat bracht mij in mijn eigen leven niet verder. Maar wat me nog meer stoorde, was dat iedereen altijd zo vreselijk warm liep voor alles wat met seks te maken had, terwijl bijvoorbeeld zoiets fundamenteels als de herverdeling van werk op een zijspoor belandde. Er verschenen emancipatienota’s waarin deeltijdwerk werd gepropageerd, terwijl de statistieken lieten zien dat al die vrouwen minder verdienden dan mannen en nooit hogerop kwamen. Maar er was niemand die daar eens fijn de tanden in zette.’
Het is inderdaad opvallend dat in de geschiedschrijving van Irene Costera Meijer thema’s als abortus en herverdeling van werk nauwelijks aan de orde komen. 'Dat waren niet de thema’s waar de bewustwording over ging’, verdedigt de schrijfster zich. 'Vrouwen hoefden zich niet bewust te worden van het feit dat gelijk loon voor gelijke arbeid een zinnig thema is. Daar waren ze het allemaal wel over eens. Het punt was dat dat thema een moeizame gang door de instituties vereiste en dat was vervelend en saai rotwerk.’
Spaink: 'Het ging er niet alleen om of het leuk was of niet. In feite ging het erom wat veranderbaar was en wat niet. Je opvattingen over seks en liefde kun je gemakkelijk herzien, je arbeidssituatie veranderen is veel moeilijker.’
Van Baalen: 'Een massabeweging op het werk, dat moet de volgende feministische golf worden.’
Spaink: 'Die kun je dus op je buik schrijven, dat gebeurt niet. De woede op dat soort vlakken werkt haast niet. Wat dat betreft is de hele discussie rond de WAO de doodsteek. Hoeveel mensen waren er toen niet woedend? Het was een van de grootste protestacties op het gebied van werk in de laatste twintig jaar. En wat heeft het opgeleverd? Niets. Zo veel mensen zijn toen afgehaakt met de gedachte dat er politiek toch niets te bereiken viel.’
Meijer: 'In de vrouwenbeweging heerste destijds de stemming dat loon er niet zo toe doet. Waar het in het werk om ging, was zelfontplooiing. En nu moeten we tot onze schrik vaststellen dat vrouwen als collectief minder verdienen dan in 1973, dat het gewoon drie tiende naar beneden is gegaan. Dat is wat wij van de Harde Kern (een recent opgerichte actiegroep van feministische die-hards - xs&av) een “zeurende kwestie” noemen.’
TERUG NAAR HET BOEK van Meijer, naar de 'Feministische bewustwording in Nederland, 1965-1980’, zoals de ondertitel luidt. Was het feminisme uiteindelijk niet een kleine, elitaire groep die gezellig zat te reflecteren op de eigen ervaringen?
Meijer: 'Nee hoor, zo vrijblijvend was het niet. Natuurlijk, het waren vrouwen die in het feminisme actief waren. Maar die vrouwen gingen wel gigantische conflicten in hun persoonlijke leven aan. Vandaar dat ze op zoek gingen naar een gemeenschappelijke noemer. En dat was een heel moeizaam proces, waarbij ze op weinig begrip stuitten, ook onder elkaar.’
Van Baalen: 'Dat was inderdaad iets vreselijks, die voortdurende dreiging van uitstoting en isolement. Iedereen kloeg erover, echt iedereen.’
Meijer: 'Maar dat maakte deel uit van het bewustwordingsproces. Als vrouwen je niet meer aardig vonden, zei Hedy d'Ancona eens, dan is dàt het moment om te denken: o, feminisme heeft dus ook iets met mijzelf te maken. Dat is heel grappig: het idee dat vrouwen een hechte club vormden, werd ter plekke doorbroken. Iedereen was bezig een ik te worden, iedereen timmerde de ander lustig met een deegrollertje op het hoofd.
Maar die spanning tussen dat “we” en dat “ik” verdween op een gegeven moment. En toen viel de beweging in twee stromingen uiteen. Enerzijds de stroming van, zoals de dames het zelf noemden, het “cultuurfeminisme”: het rücksichtslos kiezen voor jezelf. En anderzijds de stroming waar ook Anneke deel van uitmaakte, de groep voor wie het “we” het belangrijkste bleef.’
EEN VAN DE MEEST vermaledijde episoden uit het feminisme was de opgedrongen homoseksualiteit: iedereen moest ineens lesbisch worden, het lesbische gold als de enige juiste politieke keuze. Dat begon 1972-73 met de lesbisch-feministische voorhoedegroep Paarse September.
Van Baalen: 'Ik heb later gehoord dat Stephanie de Voogd, een vooraanstaand lid van Paarse September, in Amerika een weerbaarheidstraining had gehad waar ze iedere week door de therapeut tot op de grond toe werd afgebroken, uitgescholden, vernederd, alleen maar om er zogenaamd sterker van te worden. Dat geweld! En ook de teksten die ze produceerden! Het feminisme was toen ver over alle humanistische grenzen heen.’
Eind jaren zeventig was de dwang tot homoseksualiteit zo mogelijk nog sterker.
De Wit: 'Ik vind dat toen het feminisme zijn vernieuwende kracht verloor. Het weigerde vanaf dat moment te erkennen dat het onderdeel was van een samenleving, dat het een maatschappelijk draagvlak moest hebben en dat er ook nog zoiets was als de publieke opinie. Feministen interesseerden zich er niet voor dat ze in de media door dit soort gekten niet meer serieus werden genomen.’
Meijer: 'Ik heb me in mijn boek afgevraagd waarom dat lesbische ineens zoveel emoties losmaakte. Achteraf kun je zeggen dat die ideeën buitengewoon normatief en kwetsend waren. Meisjes die huilend het vrouwenhuis uit kwamen en zeiden: ik heb het echt geprobeerd met een vrouw, maar het lukte niet.’
Spaink: 'Wat ik er goed aan vond, was dat het vrouwen het duwtje gaf dat nodig was om de vanzelfsprekendheid onderuit te halen dat je het alleen met meneren deed. Wat er pijnlijk aan was, was het idee dat vrouwen in alle opzichten theoretisch perfect moesten zijn. Er zat een totaalopvatting achter, je mocht nooit eens door je eigen ijs zakken. En de allerstomste leus was: je gaat niet met je onderdrukker naar bed. Daardoor werd je gedwongen om jezelf te verdedigen.’
De Wit: 'Aan de andere kant was die leus heel goed, want daardoor zijn een heleboel vrouwen gaan nadenken over die dingen.’
Spaink: 'Juist minder. De eerste reactie was altijd dat je ging uitleggen wat er allemaal goed was aan je vent.’
Meijer: 'Maar dan werd er gezegd: de uitzondering bestaat niet.’
Van Baalen: 'Wij zeiden altijd: heerlijk, wat goed voor je dat je die uitzondering getroffen hebt. Omdat wij het niet op ons geweten wilden hebben dat al die vrouwen van hun man wegliepen.’
NA DIE LESBISCHE episode, zo rond 1980, was het met de feministische beweging gedaan. Althans, daar eindigt het boek van Irene Costera Meijer. De schrijfster: 'Wat je toen zag, was dat bewustwording niet meer die centrale plaats in het feminisme innam die het daarvóór had. En ook de ervaring verloor haar verenigende kracht. Een heleboel ervaringen werden illegitiem verklaard. Slechte lesbische ervaringen en goede hetero-ervaringen. Die pasten niet in het feministische verhaal van dat moment. 'Het feministische verhaal was rond, Meulenbelt had het geschreven, het was klaar.’
Van Baalen: 'We begonnen ook verveeld te raken. Wij wilden eindelijk wel eens naar de theorie, weg van die ervaringen van de witte middenklasse. En wat je ook zag, was dat geld een steeds belangrijker rol ging spelen. Ik werd er subiet marxistisch van. Van alle kanten werden de subsidies ons nagedragen, of je alsjeblieft twintigduizend gulden wilde aanpakken. Tot dan toe had iedereen zich voor niks te pletter gewerkt. Ik had eerder al eens voorgesteld dat de kopstukken, die veel geld voor lezingen kregen, daar de helft van zouden afdragen. Toen begon Hedy d'Ancona, die een prachtige baan had, over haar reiskosten te zeuren en dat het allemaal zo duur was. Zelfs de helft kon niet.’
Spaink: 'Wat denk ik ook niet onderschat moet worden, is dat er toen, in het begin van de jaren tachtig, veel meer oog kwam voor de variëteit onder vrouwen. Voordien lag het accent op uniformiteit. Maar het werd duidelijk dat er grote verschillen waren, klasseverschillen bijvoorbeeld, maar ook verschillen in kleur, lesbisch of hetero, oud of jong. En dat leidde tot een soort versplintering.’
HET GESPREK VERPLAATST zich van het historische feminisme van de jaren zeventig naar de jaren tachtig en nu. De gemoederen lopen hoog op.
Eerst herinneren de dames zich het omslagpunt: de internationale vrouwenfestivals in de Melkweg eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Officieel waren ze een uiting van vrouwelijke cultuur, maar ze draaiden uit op een oproep tot ongebreidelde vrouwelijke lust, verzinnebeeld door gogo-danseressen, lesbische sm'ers en vrouwen in uniform of leer en rubber.
De Wit: 'Het ging lang niet alleen over seksualiteit, maar die was wel nadrukkelijk aanwezig. Dat kwam vooral doordat op de affiches die het festival onder de aandacht van het volk moesten brengen, een uitvergrote kut stond.’
Van Baalen: 'O ja, die hebben we nog erg moeten verdedigen.’
De Wit: 'Ik heb hem nog ingelijst en op mijn slaapkamer gehangen.’
Van Baalen: 'Wij hadden in 1972 al een hele film met kutten. Een prachtige film…’
Meijer: 'Mij staat nog heel goed bij dat een groot deel van de vrouwenbeweging dacht: we vinden die Melkwegfestijnen best, maar wat heeft het in godsnaam met feminisme te maken.’
De Wit, opgewonden: 'Juist, dat begrepen ze niet! Terwijl ik me suf heb geschreeuwd om te zeggen dat het alles met feminisme te maken had…’
Van Baalen: 'Vrouwen in Gestapo-uniformen. Ik vind het gewoon krankzinnig.’
De Wit: 'Wat ik feministisch vond en nog steeds vind, is het deconstrueren van een normatief idee over vrouwelijke identiteit…’
Van Baalen: 'Ja ja, iedereen Gestapo.’
De Wit: 'Feminisme gaat ook over het experimenteren met andere vormen van vrouw-zijn, om meer speelruimte voor vrouwen.’
Van Baalen: 'De leuze van 1978, “Tegen gedwongen heteroseksualiteit”, was een compromis en daardoor een beetje stijf. Ik denk dat de sticker “Tegen erotisering van ongelijkheidsverhoudingen” voor mij precies uitdrukt waar we het al die tijd over hadden. Maar jij hebt het over erotisering van ongelijkheidsverhoudingen. Ik denk dat je dan aan de grens komt van wat het feminisme als humanitaire beweging kan verdragen.’
Spaink: 'De cruciale vraag is: moet je dat soort dingen als feministisch definiëren. Je kunt feminist zijn en aan sm doen, maar dat maakt sm niet feministisch.’
IRENE MEIJER VINDT het tijd Bernadette de Wit te verdedigen: 'Wat ik in jouw stukken belangrijk vind, is dat je vrouwen als seksueel subject laat zien. Juist op het gebied van seksualiteit worden machtsverhoudingen uitgevochten. Vrouwen die klem komen te zitten tussen oversekste chefs en kopiëerapparaten en zich afvragen: hoe kan me dit overkomen, ik ben toch een geëmancipeerde vrouw?’
De Wit: 'Die moeten dus weer opnieuw bewust worden. Ze moeten niet aardig gevonden willen worden.’
Meijer: 'Zo van: je geeft die man gewoon een lel, of je hangt herenporno aan de muur.’
Van Baalen, mopperend: 'Ja, Bernadette, jij schrijft zo gemakkelijk in je inleiding dat als je maar brutaal bent en niet bang, je niets overkomt.’
De Wit: 'Dat ging over mezelf.’
Van Baalen: 'Nee, het was algemeen geformuleerd. Je schrijft “je”, niet “ik”.’
De Wit: 'Ik vind dat vrouwen elkaar collectief moeten steunen. Feministen neigen op dat vlak eerder tot vermijdingsstrategieën dan tot confrontatie. Ze willen alle stegen dicht, alle struiken weg, alle enge plekken weg en een verbod voor mannen om ’s avonds de straat op te gaan.’
Van Baalen: 'Over wie heb je het als je het over “vrouwen” hebt?’
DIE ONSCHULDIG VRAAG leidt een aanval op Bernadette de Wit in. De dames struikelen over elkaar heen: waarom keert ze zich voortdurend tegen 'het’ feminisme?
Spaink: 'Je doet alsof het een massief collectief is. Je maakt je eigen windmolens.’
De Wit, tegenstrubbelend: 'Ik heb ze in mijn eerdere stukken al met naam en toenaam genoemd en later had ik er geen zin meer in om dat telkens te herhalen.’
Spaink: 'Jij hebt de neiging om mensen aan te wijzen die fout zijn geweest in jóuw seksuele oorlog, en die kunnen vervolgens geen goed meer doen.’
De Wit: 'Maar ik ben met al die mensen gaan praten voor een stuk in de Haagse Post. Ook met Annemieke Onstenk, die tegen porno en prostitutie was. Die zei toen, en dat vond ik heel interessant, dat seksualiteit alleen een feministisch issue is als er sprake is van seksueel geweld en ongelijke machtsverhoudingen. Seksualiteit als iets positiefs was voor haar geen issue, omdat als je daar te veel aandacht aan gaf, het punt van seksueel geweld subiet van de maatschappelijke agenda zou worden afgevoerd. Mannen gaan dan zeggen: zie je wel, seks is dus ook leuk.’
Meijer, opvoedend: 'Ik vind het zo jammer dat jij je activiteiten, je ervaringsverhalen niet in het kader van het feminisme plaatst.’
De Wit: 'Ik vind wat ik doe enorm feministisch.’
Spaink: 'Je keert je tegen feministen…’
De Wit: 'Omdat ze zich tegen mij hebben gekeerd. Ik ben eruit gegooid.’
Van Baalen: 'Ach, schei toch uit. Het is toch helemaal geen vereniging. Wie kan wie nou waar uit gooien? Je zegt gewoon: het feminisme is waar ik ben. En dan, hahaha, loopt iedereen weg…’
De Wit: 'Als wij nou een feministisch groepje zouden zijn, dan wil ik er wel in.’
Van Baalen: 'In de elite zeker, kom nou. Maar als je een actiepunt weet te verzinnen en je belt ons op, dan komen we natuurlijk allemaal opdraven.’
'Kíjk’, zegt Anneke van Baalen om het gesprek een analytischer wending te geven, 'wij gingen op zeker ogenblik Foucault lezen…’
De Wit: 'Jullie ook al, hoe kan dat nou?’
Van Baalen: 'Jawel, en toen vielen ons de schellen van de ogen. We ontdekten namelijk dat seks in hoofdzaak een katholiek verschijnsel is dat wordt voortgebracht door de wisselwerking…’
De Wit: 'Maar ik bèn ook katholiek, Anneke!’
Van Baalen: ’…de wisselwerking tussen verbod en lust. Het feminisme heeft voor jou de rol van de kerk overgenomen, in de zin dat het je iets verbiedt, en dan doe je het toch en ga je vervolgens biechten - en dat tezamen brengt de lust voort. Maar daar wilden wij niet aan meedoen. We zijn niemands kerk, we gaan niemand iets verbieden, we gaan ook niet de biecht afnemen, we houden ons erbuiten.’
De Wit: 'Want als je een leuk feministisch strijdleven hebt, heb je geen behoefte aan seks, heb je eens geschreven.’
Van Baalen: 'Nee, dat is weer wat anders, dat gaat over de repressieve desublimatie…’.
Spaink: 'Desubiwat?’
Van Baalen: 'Dat is wanneer je seks beleeft als iets dat met niemand iets te maken heeft, iets dat geheel afgesplitst is van het gewone leven…’
De Wit: 'Je bedoelt masturbatie.’
Van Baalen: 'Nee nee nee. Het is de gedachte dat in je seksuele relatie de maatschappelijke verhoudingen niet binnendringen…’
Spaink: 'Ik begrijp hier geen hol van.’
De Wit, behulpzaam: 'Bedoel je dat seksualiteit een onderdeel moet zijn van het dagelijks leven?’
Van Baalen: 'Ja, zoiets. Druk bezig zijn met feministisch strijden en boeken schrijven is een vorm van sublimatie. Repressieve desublimatie, een term van Marcuse, is als je mensen aanspoort tot veel seks bedrijven, ten koste van hun maatschappelijke activiteit. Want seks kost echt een hoop energie, net als muziek maken; als je het serieus aanpakt moet je het iedere dag minstens een uur doen…’
De Wit: 'Je kunt toch ook eens in de drie maanden vrijen?’
Van Baalen: 'Nee hoor, ik was veel beter toen ik het iedere dag deed…’
ALS WIJ VRAGEN of Bernadette de Wit, ondanks haar verzet tegen het ouderwetse, puriteinse feminisme, in haar boek niet toch weer terugkeert naar de oude leuze dat het persoonlijke politiek is, grijpt Anneke van Baalen gedecideerd in: 'Destijds was niet al het persoonlijke politiek, er werd bekeken wàt er van het persoonlijke politiek was en wat niet. Daarom is De schaamte voorbij zo stom, omdat Anja Meulenbelt dacht dat àlles politiek was in plaats van zich af te vragen: waar raakt mijn bestaan, met alle particuliere eigenaardigheden, dat van andere vrouwen.’
Spaink: 'Sommige analysen van destijds kloppen ook niet. Zoals die van seksueel geweld: dat was altijd iets wat mannen deden tegen vrouwen. Telkens blijkt weer dat ook in homorelaties, zowel bij dames als bij heren, seksueel geweld voorkomt. Jongetjes worden ook verkracht. Lesbische vrouwen verkrachten ook.’
Meijer: 'Maar dan hebben we het wel over percentages die in het niet vallen bij de rest.’
Spaink: 'Okee, bij kindermisbruik zijn het iets van vijftien procent vrouwen die het doen, de rest zijn mannen.’
Van Baalen: 'In 1971 zei Hillie Molenaar al: alle moeders zijn pedofielen.’
Meijer: 'Er is een nummer van het Tijdschrift voor Vrouwenstudies in voorbereiding over seksueel geweld, waaruit naar voren komt dat het over het algemeen genomen toch de mannen zijn die het doen en vrouwen die het ondergaan, en dat machtsverschillen daarin geen rol spelen. Zelfs wijkverpleegsters die mannen moeten verzorgen die in feite niks meer kunnen, worden slachtoffer. We kunnen dat niet verklaren.’
Spaink: 'Maar het is wel degelijk een blinde vlek dat mishandeling ook in lesbische relaties voorkomt.’
Meijer: 'Dat was in 1974 helemaal geen blinde vlek, daar is toen in de Vrouwenkrant uitgebreid over gediscussieerd. Het is pas later een taboe geworden, toen lesbisch rooskleurig en prachtig was.’
AAN HET EIND van de sessie herinnert Bernadette de Wit aan de laatste zin van het proefschrift van Irene Meijer. Daarin stelt ze dat het 'hoog tijd’ is voor een derde feministische golf. Meijer zelf gaf daar een half jaar geleden al een aanzet toe door met drie andere vrouwen de Harde Kern te vormen en het schotschrift Wel feministisch, niet geëmancipeerd op de markt te brengen. Meijer: 'Maar ik vind niet dat de Harde Kern de derde golf inluidt, ook niet dat ze de tweede afsluit. Het enige waar ze toe bijdraagt, is dat het blijft sudderen.’
Wat denken de dames dan over een derde feministische golf? Moet die er überhaupt komen? En waar moet die over gaan?
Van Baalen: 'Een nieuwe golf zou, door middel van een bewustwordingsproces, duidelijk moeten maken dat de verhoudingen op het werk ook persoonlijk zijn, in de zin van geseksueerd. Vrouwen nemen nog altijd een speciale positie in binnen bedrijven. Ze zijn de oude tante, het leuke zusje of de goede moeder. En mannen zijn nog altijd bezig in hun clubjes en laten vrouwen daarin niet toe.’
Meijer: 'Ik hoop dat mensen zich gewoon weer als feministen presenteren en onder feministische vlag een debat aangaan.’
De Wit: 'De derde feministische golf moet voor mij een golf zijn van vrouwen die eindelijk een beetje intelligent zijn.’
Spaink: 'Die derde golf komt er niet. Ik zie niets wat ik ook maar als een begin van een politieke stroming of beweging zou kunnen aanmerken. Alles wat met werk of inkomens te maken heeft, zit vreselijk vast. Het enige waar ik op hoop is dat een paar slimme dames leuke boekjes schrijven.’
Van Baalen: 'Net als in de jaren vijftig. Toen wij met de beweging begonnen, ontdekten we dat er al een heleboel lag. Dus het is onze taak om leuke boekjes te schrijven tot anderen het weer oppikken.’
De Wit: 'Dat doe ik ook. En ach, wat kan het me eigenlijk schelen of ik nu feministe buiten dienst of in dienst ben.’
Meijer, plechtig: 'Dan ben je hiermede weer in dienst genomen.’
De Wit: 'Okee, ik ben weer in dienst, bij de Harde Kern.’
Van Baalen: 'Dan zijn we rond!’
Irene Costera Meijer, Het persoonlijke wordt politiek: Feministische bewustwording in Nederland, 1965-1980, uitgeverij Het Spinhuis
Bernadette de Wit, Slechts vrouwen echte vrouwen: Seks, feminisme en de burgerlijke moraal, uitgeverij Scheffers.