‘Dit geslacht dat niet (één) is’, Luce Irigaray

‘Vrouwspreken’ met trotslippen

Voor Luce Irigaray speelt de strijd tussen de seksen zich af in de arena van de taal. Om zich te kunnen bevrijden moet de vrouw zelf spreken. En de filosofie bevrijden.

Luce Irigaray – De vrouw moet zich niet meer alleen in verhouding tot de man laten definiëren © Giovanni Giovannetti / Effigie / HH

Een ‘wetenschappelijk sprookje’ en ‘macho sperma-mythe’ wordt het genoemd in een recent artikel bij Aeon: het idee dat spermacellen zich in een marathonrace met elkaar meten, dat ze heroïsch strijden om de hoofdprijs, de eicel, die lijdzaam het moment van bevruchting afwacht. Deze uitleg van het proces van voortplanting kent zijn oorsprong in vroegmoderne tijden en heeft behalve een wetenschappelijke ook altijd een ideologische functie gehad. De ‘homunculus’ in de zaadcel moet hard werken, terwijl de eicel slechts hoeft te zorgen voor een warme ontvangst.

Zo’n beeld geeft als vanzelf een natuurlijke onderbouwing van het overwicht van de man over de vrouw. En maakt ook de verantwoordelijkheid in geval van het uitblijven van nageslacht duidelijk: de man heeft ontelbaar veel zaadcellen en de vrouw maar één eicel. Elk falen moet dus aan haar worden toegeschreven. Een scheve machtsverhouding die het onderzoek naar vruchtbaarheid eeuwen heeft gefrustreerd, tot in onze tijd aan toe en met alle gevolgen van dien. Vrouwen die hun eicellen invriezen met het oog op een mogelijke toekomstige kinderwens? Er valt net zo veel te zeggen voor het invriezen van sperma, aldus de auteur van het artikel. Alleen zijn we er niet aan gewend om zo te denken.

Ik stel me zo voor dat Luce Irigaray bij zulke hardnekkige ‘macho-mythes’ zin heeft om de straat op te gaan met een kartonnen bord in de hand zoals dat van de oudere dame die werd gefotografeerd bij een protest tegen het verscherpen van abortuswetgeving: ‘I can’t believe I still have to protest this fucking shit.’ Moeten we het hier nog steeds over hebben? De Waalse filosofe en psychoanalytica schreef in de jaren zeventig haar beroemde feministische werken Speculum de l’autre femme en Dit geslacht dat niet (één) is. Niet ongebruikelijk in die kringen en in die tijd analyseert ze het mannelijk en vrouwelijk geslacht(sdeel) in even plastische als ideologische zin. De penis, dat is een duidelijk ding. Hij is één, hij is rechtlijnig, hij is op weg naar een doel. Het vrouwelijk geslacht heeft in de loop van de tijd minder aandacht gekregen. Als er al over wordt gesproken, dan in relatie tot dat van de man. De clitoris is dan de onvolgroeide penis, de vagina de schacht die – net zoals de lijdzame eicel – alleen maar dient als ontvangstkamer voor meneer.

Bij uitbreiding wordt de vrouw door Freud gedefinieerd door haar penisnijd en haar begeerte naar mannelijk nageslacht. Tot ze bij Jacques Lacan helemaal is uitgevlakt, opgegaan in de weerspiegeling van de mannen om haar heen. En dat terwijl de vrouw het geslachtelijk gezien toch beter voor elkaar heeft, lijkt Irigaray te zeggen: ‘Om zich aan te raken heeft híj een hulpmiddel nodig: zijn hand, het geslacht van de vrouw, de taal…’ – zíj daarentegen raakt zichzelf voortdurend, zonder enige moeite aan. Haar ‘geslacht dat niet één is’ bestaat immers uit twee lippen ‘die elkaar onophoudelijk kussen’. De vrouw is daarom ‘in haarzelf al twee – niet te scheiden in een of twee enen – die elkaar raken’. Een cruciaal verschil met die pontificale 1 waarmee de man door de wereld stapt.

De nadruk op het geslacht komt vreemd essentialistisch over in het tijdperk van gender, waar het nu juist niet gaat (of zou moeten gaan) om de biologische kenmerken waarmee je geboren bent, maar om dat waarmee je je identificeert. Zoals de Amerikanen zeggen, ‘identifying as’… trans, (gender)queer of intersex, bijvoorbeeld. Zulk essentialisme is Irigaray ook wel verweten, misschien niet toevallig vooral uit Amerikaanse hoek.

Het vrouwelijk spreken is niet lineair maar eerder circulair

Het denken vanuit differenties, de verschillen tussen mannen en vrouwen, eerder dan vanuit overeenkomsten of gelijkheid, is echter begrijpelijk als je het ziet in het grotere verband van Irigaray’s project. Dat staat lijnrecht tegenover het soort ‘lean in’-feminisme van Sheryl Sandberg, dat stelt dat vrouwen zich moeten ‘invechten’ en niet bang zouden moeten zijn om daar wat machogedrag bij te vertonen. Nee, laat vrouwen zich vooral niet uitleveren aan dit soort ‘fallocratische’ manieren van doen. Voor Irigaray gaat het nu juist om het formuleren van alternatieve manieren van organiseren en redeneren. De vrouw moet zich juist niet meer alleen in verhouding tot de man en het mannelijke laten definiëren, want het enige gevolg daarvan kan zijn dat de uitvlakking van de vrouw standhoudt. En daarom is een onderzoek naar de verschillen tussen de twee geslachten noodzakelijk.

Irigaray’s toewijding aan het specifiek vrouwelijke begrijp je bij lezing van Dit geslacht dat niet (één) is (1977, Nederlandse vertaling 1981) allengs beter, zeker in het stuk ‘Cosi fan tutti’, waarin ze Lacan aanvalt. Grappig genoeg noemt ze zijn naam in het met vele pijnlijke citaten gelardeerde essay nergens. Een omkering van de gebruikelijke anonimisering van de vrouw (denk aan de nieuwskoppen die nog steeds regelmatig voorbij komen over de naamloze vrouw die allerlei functies zal bekleden, ‘Vrouw krijgt leiding over beurs New York’, ‘Accountant kpmg krijgt vrouw aan de top’). Lacan berooft de vrouw van haar genot, haar ziel, haar bestaan buiten het moederschap, ja waarvan eigenlijk niet? Dat is niet alleen Lacan aan te rekenen, het systematisch uitdrijven van al het vrouwelijke is een kenmerk van de gehele filosofische traditie. De weigering om deze blinde vlek te onderkennen is wat Irigaray aan de kaak wil stellen: ‘Door te weigeren de historische bepaaldheid van haar vertoog te interpreteren (…) blijft de psychoanalyse [en bij uitbreiding de filosofie] gevangen in het fallocentrisme waarvan zij pretendeert een universele en eeuwige waarde te maken.’

Zulke bijtende kritiek was Irigaray eerder al niet in dank afgenomen. Haar proefschrift _Speculum _kostte haar haar baan aan de Universiteit van Vincennes en verstoting uit de psychoanalytische gemeenschap. Als student en lid van de École Freudienne de Paris – nota bene gesticht door Lacan – is het misschien ook niet vreemd dat haar hekeling van de psychoanalytische leer werd ervaren als verraad.

Tot zo ver de biografische informatie, want Irigaray heeft altijd afwijzend gestaan tegenover het gebruik van persoonlijke levensfeiten als ingang tot een filosofisch oeuvre. Zij heeft dan ook weinig informatie over haar eigen levensloop gedeeld. Juist bij vrouwen ligt het gevaar op de loer dat de biografie belangrijker of veelzeggender wordt geacht dan het werk, meent zij. De nadruk op het leven is een zoveelste manier om de vrouw het werk te ontzeggen. Het loslaten van persoonlijke informatie staat daarom gelijk aan het overhandigen van wapens aan de tegenstander.

‘Toch, de vrouw, het praat.’ Zal ze ook op haar eigen manier kunnen spreken? Voor Irigaray zou dat dus in geen geval de vorm aannemen van memoires of _personal essays _waarin de individuele vrouwelijke ervaring wordt beschreven, zoals die de laatste jaren tot een dominant genre zijn uitgegroeid. Irigaray kiest wel, zoals passend bij haar tijd, de taal als arena van de strijd tussen de seksen. Zelfs de politieke bevrijding van de vrouw uit de klauwen van het marktdenken, waarin zij niet meer kan zijn dan een ruilmiddel, een marxistisch ‘waar’ voor de man, is uiteindelijk terug te voeren op de strijd voor een andere taal.

Dit ‘vrouwspreken’ is tegelijk het vaagste en het meest intrigerende concept uit Dit geslacht dat niet (één) is. En het brengt ons weer terug bij die bijzondere karakteristiek van het vrouwelijk geslacht, met de twee lippen die ‘niet één’ zijn. Wat gebeurt er als die lippen beginnen te spreken? Het is een ander spreken dan dat van de heren filosofen, die systemen bouwen en immer naar een telos, een einddoel toe werken, waarin alles wordt herleid ‘tot de economie van het Zelfde’. Het vrouwelijk spreken laat verdubbelingen en spiegelingen toe, is lichamelijk en tastbaar, niet lineair maar eerder circulair. De ‘mimetische’ stijl waarin Irigaray schrijft over bijvoorbeeld Freud en Lacan moet het onuitgesprokene, het verborgene en onbewuste van hun teksten weerspiegelen. Een strategie die we kennen uit de poststructuralistische kritiek. Maar alleen genoegen nemen met het naar de oppervlakte brengen van wat verborgen is, is niet voldoende. Dan blijf je vastzitten in de structuur die al gegeven is. Het onthulde wordt daarom weer omgekeerd en die omkering zelf weer _in Frage _gesteld, enzovoort. Het geslacht dat niet één is zorgt voor een spreken dat niet één is.

Tja, daar zit dan toch de crux: deze nieuwe vorm van spreken is niet altijd even aantrekkelijk om te lezen. Irigaray’s stijl is notoir ondoordringbaar. Soms poëtisch, maar vooral hermetisch (die twee gaan niet noodzakelijk samen). Het is de prijs van het willen opschudden van de gehele westerse filosofie. Het ontwerpen van een nieuwe taal gebeurt niet zomaar van de ene dag op de andere. Toch is deze alles overkoepelende wens om een andere manier van filosofisch spreken te ontwerpen ook lovenswaardig. Nog steeds verschijnen er boekwerken van filosofische systeembouwers (m) die nooit de emancipatoire vraag ‘wie spreekt hier eigenlijk?’ hebben leren stellen, en daarmee ook hun eigen historische bepaaldheid niet onder ogen zien. Dat mag best, maar het probleem van zulke gesloten betekenissystemen is precies dat ze niet zomaar een blinde vlek hebben, maar dat die blinde vlek ingebouwd is in het vertoog van ‘het Zelfde’, zoals Irigaray stelt.

Haar waarschuwing aan de vrouw – of aan wie dan ook die zich niet ‘identificeert als macho’, zou ik zeggen – om niet dezelfde rechtlijnige weg te volgen en een egocentrisch wereldbeeld bij elkaar te bluffen, verdient het hardnekkig herhaald te worden.