De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Vruchteloos streven

De humanist Herman Wolf had in het interbellum geen verweer tegen het opkomende nazisme. Zijn interesse en levensloop komen verbazend sterk overeen met die van zijn kleinzoon, Paul Scheffer.

Medium scheffer alles doet mee aan de werkelijkheid

Volgens de website joodsmonument.nl werden in de Tweede Wereldoorlog 26 joodse Amsterdammers weggehaald uit hun woningen aan het Harmoniehof. Zij kwamen in de vernietigingskampen om het leven. De site vermeldt nog een 27ste overledene, ene Herman Wolf; deze overleed op 25 mei 1942 in het Wilhelminagasthuis aan de gevolgen van een hersentumor. De horror van de kampen bleef hem bespaard.

Deze Herman Wolf was de grootvader van Paul Scheffer. Wolfs niet-joodse vrouw en kinderen overleefden de oorlog; in het huis aan het Harmoniehof hield Scheffers grootmoeder de studeerkamer van haar man tot haar dood intact, een kleine tempel van vooroorlogse eruditie. Er hing een gesigneerd portret van Thomas Mann aan de wand, en er stonden borstbeelden van Boeddha, Socrates, Kant en Goethe. De jonge Paul maakte daar kennis met het gedachtegoed van zijn opa. Wolf stamde uit een noord-Duits joods gezin, dat begin twintigste eeuw naar Amsterdam emigreerde. Hij verdiende zijn brood als leraar Duits en werkte ’s avonds ijverig als schrijver en publicist. Hij publiceerde niet minder dan twaalf boeken en talloze artikelen, en toch was Wolfs carrière niet zeer aanzienlijk. Hij ging niet gemakkelijk met mensen om; bij zijn dood schreef zijn vriend, de hoogleraar Herman Pos dat hij mede daardoor ‘onvoltooid gebleven’ was. Een universitaire aanstelling was hem nooit gegund.

25 jaar lang speelde Wolf niettemin een verdienstelijke bijrol in het intellectuele leven in het interbellum. Hij was lid van de redactie van het Algemeen Nederlandsch Tijdschrift voor Wijsbegeerte. Fascinerend is vooral dat Wolf in contact stond met bepalende intellectuelen van zijn tijd – Simmel, Hesse, Zweig, Mann – en daar ook een wezenlijke uitwisseling mee had. Hij schreef bijvoorbeeld een vrijpostige brief aan Thomas Mann waarin hij De Toverberg een teleurstellend en ‘didactisch’ werk noemt, wat niet verhinderde dat Mann in 1922 bij Wolf in de Harmoniehof kwam logeren. Wolf zag zijn idealisme als levenskunst. Hij gaf zijn kinderen een ‘onopzettelijke’ opvoeding, en was naar verluidt een inspirerende leraar, die meer filosofie stond te doceren dan Duits. Thuis kon zijn vrouw opeens twee Indiase yogi’s mediterend in de studeerkamer aantreffen.

Het boek dat Scheffer aan zijn grootvader wijdt is de vrucht van jaren zacht pruttelend onderzoek. Pas toen hij aan de UvA de Wibautleerstoel bezette, had hij gelegenheid een en ander vorm te geven. Het sluit bij zijn leerstoelopdracht aan, zegt Scheffer: ‘De zoektocht naar een open samenleving die voorbij een specifieke cultuur wil reiken en tegelijk het waardevolle van verschillende culturen een plaats weet te geven, is ook een vraag van mijn tijd.’ Er spreekt waardering en bewondering uit het boek, en Scheffer behandelt de geschiedenis met de tederheid die een kleinzoon past – maar ook met aarzeling. De belangstelling en levensloop van Scheffer en Wolf komen namelijk verbazend sterk overeen. Beiden worstelden met dezelfde vraag over de gebrekkige weerbaarheid van het humanisme, de idealistische levenshouding die, om Geert Mak te parafraseren, gedoemd is tot kwetsbaarheid. Scheffers grootvader schreef: ‘De Humanist moge voor velen een al te zachtzinnige en passieve, kleurloze toeschouwer lijken – voor de dieper schouwende is ’t duidelijk dat de humanist een veel moeilijker bestaan heeft dan de volgeling van één bepaalde klasse, sekte, partij. De humanist zal in voortdurend conflict leven met zijn medemensen, die verdraagzaamheid en rechtvaardigheid nu eenmaal niet als hoogste idealen kunnen en willen erkennen.’

De overbrugging van het conflict tussen het zachtmoedig ideaal en de harde werkelijkheid bepaalde Wolfs intellectuele activiteit; vanaf 1933 werd het echter acuut – en toen bleek ‘de humanist’ geen verweer te hebben.

Scheffer ziet Wolf als een exponent van de generatie ‘1900-1914’, intellectuelen wier wereldbeeld door de Eerste Wereldoorlog diepgaand werd beïnvloed. Het afscheid van de wereld van hun vaders ging dieper en de omwenteling was groter dan in 1968; de jonge Wolf was vooral geschokt om te zien dat veel intellectuelen die hij bewonderde – Stefan Zweig, Georg Simmel – zich aan de patriottische euforie overgaven. Wolf erkende al zeer jong dat ideaal en werkelijkheid ver uiteen liggen, maar dat dat conflict onder ogen moest worden gezien – sterker nog, dat geestesleven alleen waarachtig kon zijn als de tegenstellingen worden aanvaard als volstrekt noodzakelijk. Zijn devies werd ‘alles doet mee aan de werkelijkheid’, waarin volgens Scheffer de kern van een onafhankelijk denken ligt vervat: ‘Wie niet openstaat voor alle krachten die in de werkelijkheid op elkaar botsen, blijft gevangen in een vooringenomen en leerstellige zienswijze.’ De werkelijkheid, dat betekende dat ook het kwaad – ‘de disharmonie, de verscheurdheid èn gebrokenheid, smart en lijden’ – onder ogen gezien moet worden: zij liggen ‘noodwendig’ besloten in het polaire wereldbestel, met alle tragische gevolgen van dien.

In de 25 jaar dat Wolf publiceert is ‘synthese’ dan ook een vast thema: het overbruggen van de kloof tussen idealisme en pessimisme, tussen rationaliteit en irrationaliteit, Verlichting en Romantiek, ‘de hoop op vervolmaking’ versus ‘de koestering van vergeefsheid’, Franse versus Duitse filosofie, om de zaken maar eens te versimpelen. De hang naar synthese verklaart Wolfs mateloze bewondering voor Goethe; Scheffer haalt Safranski aan om te tonen waar de fascinatie lag: ‘Goethe wil in zijn persoon nog één keer bijeenbrengen wat door de machtige stroom van zijn tijd uiteen wordt getrokken: het analytische verstand en de scheppende fantasie, het abstracte begrip en de zintuiglijke waarneming, het artistieke experiment en de geleefde ervaring, de wiskundige berekening en de intuïtie.’

Medium herman03
‘De Humanist moet de verdedigers van Ras, Volk, Kerk en Partij hun voorlopige zege gunnen’

In 1933 is Wolf een van de medeoprichters van het Nederlandsch Comité van Kunstenaars en Intellectueelen voor den strijd tegen de Duitse terreur. Het is een keurig comité, dat zegt boven alle religieuze en rassenkwesties te staan, en politiek volkomen neutraal is. Het is de tragiek van de humanist, schrijft Wolf, dat hij zich zo moeilijk kan verweren. De humanist ‘moet steeds weer zien hoe de anderen, die zich beroepen op het Bloed, het Ras, het Volk, de Kerk, de Partij, miljoenen aanhangers, volgelingen en gelovigen vinden en dat men hém beticht van slapheid en halfheid, omdat hij slechts in “vage begrippen” en “zwevende termen” vermag te spreken over de “potentiële eenheid” van het menselijke, de “autonomie der zelfstandige persoonlijkheid”, de “gemeenschap der volkeren” en de “universele religie”’.

Je voelt met Wolf mee, hier, en en passant ook met Scheffer: een beroep op het ‘algemeen-menselijke’ is nauwelijks een wapen tegen brutaal nationalisme of wildersiaanse botheid. De humanist Wolf beseft dat als hij zijn ‘zwevende begrippen’ niet kan koppelen aan een gemeenschapsideaal of ‘vaste bindingen’ hij machteloos zal staan tegenover ‘schending van het menselijke’. Hij is de enige niet. Als hij Stefan Zweig vraagt acte de présence te geven bij een meeting van het Comité van Waakzaamheid, in 1936, laat die het afweten. Zweig: ‘Humanistische of erasmiaanse naturen zijn geen fanatieke strijders.’

Wolf berust. De synthese komt er niet: ‘De Humanist moet de verdedigers van Ras, Volk, Kerk en Partij hun voorlopige zege gunnen.’ Scheffer maakt daar een interessant punt: de synthese tussen rationaliteit en irrationaliteit die Wolf en velen van zijn generatie voor ogen stond werd ondertussen wél bereikt door Hitler. De Oostenrijkse korporaal weet uit de ‘chaotische grondstof’ wel een synthese te brouwen, die rationaliteit en irrationaliteit zonder veel moeite vermengt en die in concrete symbolen en vormen een gemeenschapsideaal neerzet.

Waarom lukte dat Wolf en de zijnen uiteindelijk niet? Een belangrijk aspect is dat Wolf de moderne samenleving niet makkelijk accepteerde. Hij vond mensen materialistisch en banaal. In zijn Hedendaagsche wijsbegeerte schrijft hij: ‘De wereld van de burger is nuchter, berekenend, realistisch, het is een ontheiligde wereld, die hoe langer hoe meer dreigt te mechaniseren.’ Met als conclusie: ‘Naast de Humanist komt nu reeds de Ingenieur te staan.’ Die pessimistische houding herkent Scheffer: het is een beeld van een samenleving waarin mensen niet weten wat ze met hun vrijheden aan moeten, zich overgeven aan verheerlijking van sport, een ‘ontstellend gebrek aan stijl in het openbare leven’ vertonen, kortom: de complete canon van het actuele cultuurpessimisme.

Wat te doen? Thomas Mann schrijft in 1936 aan Wolf: ‘(…) mijnerzijds heb ik leren inzien dat het humanisme zijn scepsis moet beheersen, zijn mannelijkheid moet tonen en militant moet worden als het zich wil handhaven tegenover de afschuwelijke agressieve krachten van alles wat men onder de naam fascisme samenvat.’

Met de dood in een ziekenhuisbed ontsnapte Wolf aan de holocaust – maar Scheffer neemt toch een uitgebreide beschrijving daarvan in het boek op, volgens mij om daarmee de boog van idealisme via frustratie naar ondergang te voltooien. Al spoedig raakte Wolf vergeten.

Alles doet mee aan de werkelijkheid is een hommage aan een diepe eruditie en een vruchteloos streven. Het is daarin een mooi portret van het geestelijk landschap in Nederland in het interbellum, een periode die volgens Scheffer ten onrechte weinig aandacht krijgt. Hij wijst bijvoorbeeld op de bizarre aspecten van het Neutraliteitsbeginsel, dat grote invloed had op de vrijheid van meningsuiting.

Het boek roept een vraag op over de positie van de schrijver zelf. Scheffer noemt zijn grootvader ‘een mogelijkheidsmens’, meer ‘iemand van de grote vragen’ dan van grote antwoorden, een man met een ‘weldadige naïviteit’, die de actualiteit op afstand hield. ‘1933’ had van zijn grootvader geen politiek denker gemaakt. Geldt dat ook voor Scheffer zelf? Hij legt steeds de relatie met de actualiteit. Ook nu heeft het ‘humanistisch’ gedachtegoed weinig verweer tegen, ik noem maar wat, het poetinisme of het internationaal kapitalisme; ook nu is het krachteloos tegen geweld – tenzij het een blauwe helm op zet, misschien. Ziet Scheffer nieuwe aanknopingspunten voor de weerbaarheid van het humanisme? Een punt waar Wolf op wees, en waar een politiek denker als Scheffer vandaag zijn tanden in zou kunnen zetten, is het Europese experiment. De eenwording van Europa zou ‘onverbiddelijk de horizon van zijn tijd’ worden, schreef Wolf – hij sprak het Nietzsche en Ortega na. Een pleidooi voor het afscheid van grenzen, bestendiging van mensenrechten, samenvoeging van de markten en culturele vermenging, daar zou dat gedachtegoed best eens goed werk kunnen doen.

Paul Scheffer
Alles doet mee aan de werkelijkheid: Herman Wolf (1893-1942)
De Bezige Bij, 224 blz., € 19,90