Menno Hurenkamp

VS-Europeanen

Washington – De Amerikaanse presidentsverkiezingen zijn nog anderhalf jaar van ons verwijderd. Maar de Democratische politieke professionals onder de kaasstolp denken aan niets anders meer. Die verkiezingen gaan wat hen betreft over drie dingen. Irak, Irak, Irak. Immers, met de economie gaat het redelijk goed, en met de oorlog gaat het redelijk slecht. Vriend en vijand zijn het erover eens dat Amerika aan het verliezen is, alleen staan de politieke mores niet toe dat je dat bespreekt. Amerika verliest namelijk geen oorlogen.

Maar wat is er nu gemakkelijker, denken de Democraten, dan de aandacht van de kiezer vestigen op de enorme puinhoop die George Bush heeft aangericht in Irak? Bush is op dit moment nota bene de meest impopulaire president sinds Richard I’m not a crook Nixon.

Kortom, een overwinning is onvermijdelijk. Na Duitsland en Frankrijk krijgt ook Amerika een nieuwe president die niets te maken heeft met de rotzooi rond de inval in Irak en de internationale gemeenschap kan binnenkort weer worden opgebouwd rond vreedzame principes.

Dat is allemaal erg optimistisch geredeneerd.

Wanneer Bush zo slim is om voor de verkiezingen echt beginnen plotseling toch zijn troepen uit Irak terug te trekken, haalt hij de angel uit het Democratisch aanvalsplan. Want het zijn meer de kosten van deze zinloze oorlog dan de slachtoffers of de internationale reputatieschade die voor de ergernis zorgen. De soldaten die sneuvelen of gesneuveld zijn komen veelal uit de niet of nauwelijks stemmende onderklasse. Er is geen dienstplicht en het leger is een van de weinige kansen voor jonge mensen zonder geld om later carrière te maken. De middenklasse, die de doorslag geeft bij de verkiezingen, wordt dus niet echt geraakt door Irak. Hoe cynisch ook zal dat ervoor zorgen dat het onderwerp snel van de agenda zal verdwijnen, zodra de soldaten thuis zijn.

Dan zien de verhoudingen er heel anders uit. Want wie de Democratische Partij uiteindelijk ook kandideert, het wordt een uitgesproken figuur. Door de controverse over Irak valt dat tot nu toe niet op. Maar alle prominenten die zich nu in de strijd om de nominatie werpen staan op sociaal-economisch en cultureel terrein ver links van, zeg, Bill Clinton of Jimmy Carter. Het zijn echte liberals, zoals ze hier heten, met een sterke voorkeur voor een gelijkere inkomensverdeling, meer kansen voor vrouwen en zwarten. Een is er zwart, de charismatische Barack Obama. Over hem wordt gesproken als ‘de nieuwe John Kennedy’, maar in zijn nadeel pleit dat hij zich nog nooit bewezen heeft als staatsman. Een andere is vrouw, Hillary Clinton. Ze roept ongeveer evenveel controverse op als George Bush zelf, nog niet eens zozeer door haar programma, maar door wie ze is: de vrouw van een voormalige president met een, zeg, opvallende achtergrond waar het op vrouwen aankomt. De derde, John Edwards, is een witte man die al lang in de politiek rondloopt en dus ‘normaal’, maar nog altijd behoorlijk links. Kortom, de Democraten brengen een serie halve Europeanen in stelling.

Dat is een behoorlijke gok. Amerikanen staan er niet om bekend dat ze graag Europeanen, vrouwen of zwarten tot president verkiezen. Als de Democraten willen winnen, moeten ze zorgen dat hun man of vrouw niet wordt weggezet als ‘communist’ of ‘soft’ of iemand die niet tegen de hitte in de keuken van de levensgevaarlijke wereldpolitiek kan. Andere linkse partijen – denk aan Wouter Bos, Ségolène Royal – zijn daar recent niet in geslaagd.