De VSB-poëzieprijs 2012 is gewonnen door Jan Lauwereyns met Hemelsblauw. De in Japan woonachtige docent neurowetenschap is zowel een uiterst lyrisch als een experimenteel dichter. Als Gedichtendag-essay verscheen As/zteken van Erik Spinoy, een caleidoscopische visie op wat poëzie vermag en betekent.

Medium jan lauwereyns hemelsblauw picnik

Jan Lauwereyns is de winnaar van de VSB-poëzieprijs 2012. Dat is zacht gezegd een verrassing. Hoge ogen gooide Anne Vegter met haar bundel Eiland berg gletsjer. Ik hield het goed voor mogelijk dat de prijs naar Erik Spinoy zou kunnen gaan voor Dode kamer. Als de jury net als vorig jaar de coryfee onder het vijftal genomineerden had uitverkoren, dan was Willem Jan Otten de winnaar met Gerichte gedichten. En dan was er ook nog de sympathieke bundel Ezelkraakbeen van Peter Ghyssaert als kandidaat.

Ik weet het, jury’s blijven tot op het eind onvoorspelbaar. Het juryrapport benadrukt tot tweemaal toe dat de keuze voor de laureaat unaniem was: ‘een bundel waarin elk jurylid andere en nieuwe aspecten vond’, en ‘alle juryleden beamen’ dat de poëzie met Hemelsblauw van Jan Lauwereyns een nieuwe weg inslaat. Het lijkt er bijna te staan om mij van mijn ongeloof af te willen helpen. Misschien heb ik voor mijn inschatting te veel gekeken naar de twee dichters in de jury, Astrid Lampe en Esther Naomi Perquin, terwijl ook een goede vertaler in de jury zit, Ton Naaijkens, en een redacteur en essayist, Hans Van de Voorde.

Jan Lauwereyns is misschien de enige dichter in het Nederlands taalgebied (ook al woont hij erbuiten) die je met recht academisch kunt noemen. Zijn werk is proefondervindelijk en wetenschappelijk, daarnaast schuwt hij beslist het experiment niet. Al zijn zeven dichtbundels hebben een andere vorm, van Nagelaten sonnetten die geen sonnetten pur sang zijn, tot buigzame gedichten, stukjes proza, wetenschappelijke beschrijvingen van inwisselbare muggen. In Hemelsblauw is Jan Lauwereyns ongegeneerd lyrisch. ‘Waar anders ging, meisje/ Groene steen des doods// Je diepe hoofd in mij gezonken/ Ons broze hart naar toe.’ Het openingsgedicht Parabel voorbij de regenboog heeft grote vaart, terwijl de tweede reeks ‘Rondom een boom’ uit een prozaïsche vertelling bestaat. In een en dezelfde bundel brengt Lauwereyns zowel lyrische als abstracte gedichten samen.

Lauwereyns won mij voor zich als essayist, toen hij in het tijdschrift De Volksverheffing de verscheuring beschreef toen een bevriend onderzoeker zijn liefde voor poëzie in zijn gezicht afkeurde. Hij heeft er opnieuw over geschreven in het Gedichtendag-essay De smaak van het geluid van het hart dat vorig jaar verscheen, en waarin staat dat die afwijzing maakte dat hij naar een andere stad ging, waar hij juist zijn geliefde vond. Ook in Hemelsblauw is hij als onderzoeker terug te zien en vertelt als bioloog het scheppingsverhaal na. Lauwereyns is plastisch en expliciet. Hij dicht deels over het dichten zelf en heeft het als westerling in Azië vaak over begrippen als ‘Zin’ en ‘Verlies’, met schrikwekkende hoofdletters gesteld. Maar afschrikken doet zijn werk niet. Hij geeft een aardige variatie op Wallace Stevens’ Thirteen Ways of Looking at a Blackbird. Al met al is binnen het lenige oeuvre van Jan Lauwereyns Hemelsblauw een tamelijk klassieke en poëtische bundel, veel meer dan de vorige bundel Vloeistof en welvaart die hoe avontuurlijk ook wel binnen een register bleef.

En toch ben ik werkelijk verbaasd. Maar waarom dan? Ik besprak Hemelsblauw eerder in Ons Erfdeel positief, positiever althans dan het wijdlopige boek Stemvork dat hij samen met Arnoud van Adrichem maakte. Anne Vegter leek de gedoodverfde winnaar van de VSB, ze won onlangs de Awater-prijs en is ook eerder met haar vorige bundel Spamfighter genomineerd. En Dode kamer, waarvoor Erik Spinoy enkele dagen geleden de Campertprijs ontving, is een bundel waarin de dichter op een aangrijpende wijze door zijn eigen afstandelijkheid heen breekt.

De dag na de bekendmaking van de VSB-prijs heet Gedichtendag, een evenement dat twaalf jaar terug als kopie van de Britse National Poetry Day in het leven is geroepen. Het Vlaams Fonds voor de Letteren geeft jaarlijks een aardige wending aan het verder wat folkloristische karakter van de dag, door een essay van een dichter uit te geven en dat voor een klein bedrag (€2,50) in alle winkels neer te leggen. Die verschijnen minder en minder, essays van dichters. In het geval van eerder Paul Bogaert en nu Erik Spinoy zijn mijn verwachtingen misschien wat te hooggespannen wat zo'n essay betreft. Terwijl het gewoon aardige boekjes zijn en niet meteen een alomvattende tekst over de staat van de poëzie anno nu of een Gebruiksaanwijzing der lyriek, zoals Paul van Ostaijen die schreef.

Die titel haalt Spinoy ook aan in As/zteken, het Gedichtendag-essay van 2012. In de ene betekenis is dat as-teken een vuilgrijs merkteken dat een kruis voorstelt op het voorhoofd van een schooljongen. En tegelijk verwijst het naar Mexico. De korte hoofdstukken van het essay springen nogal heen en weer, de dichter verwijst naar een foto die pas pagina’s later opduikt. Spinoy stelt onomwonden in het begin dat poëzie als fenomeen best wel eens zou kunnen ophouden te bestaan. Dat het geen plaats meer heeft in deze wereld, althans niet in de media en niet in het onderwijs. Daar zijn een aantal relativeringen over te maken, en daar is Spinoy altijd goed in. Pas laat in het essay komt hij in de tegenaanval, en dan tamelijk aangrijpend, als hij het bestaansrecht van kunstvormen als poëzie verdedigt ‘Enkel en alleen omdat zij oog hebben voor de kwetsbare, traumatische wezens - de “aangetasten voor het leven” - die we zijn.’ Marginalisering van poëzie noemt hij dan ook ‘van een onthutsende domheid en zelfvoldaanheid’. Het essay lijkt aanvankelijk hoog in te zetten - wat is poëzie, wat betekent consensus? Uiteindelijk bestaat het uit losse stukken en flarden. Hij springt van een enquête van het tijdschrift Flair naar Derrida en naar de invloed van Antonin Artaud op Claus en onderzoekt zo zijn wat al te hardnekkige reputatie als postmodernist. Hij weidt uit over Herman de Coninck die, gul lezer en bespreker als hij was, hoogstwaarschijnlijk ook het werk van Spinoy in zijn armen had gesloten mocht hij niet noodlottig gestorven zijn voor diens sterke bundel Boze wolven uitkwam. Dat klinkt wat gewild rommelig, maar er is wel een lijn te ontdekken in het essay. Uiteindelijk bekent Spinoy zich tot een traditie waar hij deel van uitmaakt en die toch ondanks zijn gereserveerdheid romantisch is. ‘Een Vlaamse traditie die begint bij Gezelle en in de twintigste eeuw culmineert in Van Ostaijen en Claus. Een vitale romantische traditie, die tot in de huidige eeuw krachtig heeft doorgewerkt en nog steeds doorwerkt: bij dichters zoals De Haes en Van Wilderode, bij Nolens en Bartosik, bij mijn generatiegenoten Van Bastelaere en Verhelst, bij een Jan Lauwereyns ook.’

Opvallend, hij noemt Lauwereyns op die plek, niet Bart Meuleman of Paul Bogaert, die je inderdaad minder goed binnen de romantiek kunt plaatsen. Spinoy schrijft op metaniveau. Hij plukt een gedicht uit een bundel uit 2007 en zet het in dit essay in 2012 en op de vraag die hij stelt hoe de context daarbij verandert, antwoordt hij alleen maar met drie puntjes. Pijl die door het essay loopt is zijn voortdurend relativisme, ook al rakelt hij nogal wat op, tot aan de haast psychotische euforie van driften en verlangens van Paul van Ostaijen in De feesten van Angst en Pijn. Hij noemt poëzie ‘taal doorboord met genot’ - en voor dat ‘doorboord’ komt hij langs een gelijknamige serie van Hans Faverey. Dat vraagt wat, dat gespring, op zijn minst vraagt het twee of drie keer lezen. As/zteken kun je lezen als een essay in pilvorm, wat nog aangevuld en uitgewerkt moet. Hinderlijk vaak schrijft de dichter ‘ik kom hier later nog op terug’. In de kiem zit ondertussen veel meer dan het lijkt. Eigenlijk is de tekst een versnipperde brief. Op het eind salueert hij dan ook dichter en lezer als ‘eeuwige Azteek, niet te stuiten zombie’. En hij komt nog even terug op de marginalisering van het genre, dat in tegenspraak is met het essay en de Gedichtendag zelf.

En dat is een onderwerp wat Erik Spinoy onbesproken laat. De Gedichtendag, de Turingprijs, het zijn pogingen om poëzie te veralgemeniseren, er een volkshobby van te maken en het uit de sfeer van de kunsten en zelfs de literatuur te halen, het veilig en hanteerbaar en onschadelijk te maken. Ergens had ik daar juist van Spinoy wat heiliger vuur tegen verwacht. Het is desalniettemin ontroerend dat hij het zo bevlogen voor de aangetasten door het leven opneemt.

Jan Lauwereyns, Hemelsblauw. De Bezige Bij, 96 blz., € 17,50.

Erik Spinoy, As/zteken. De Bezige Bij Antwerpen, 64 blz., € 2,50