VSB: en de winnaar is…

Armando wint de VSB-poëzieprijs. De uitreiking van de prijs verhuisde van een zachte week in mei naar een koude winteravond. Daartoe moest eenmaal de termijn verlengd. De VSB-poëzieprijs 2011 is niet een keuze uit de oogst van een jaar, maar uit twintig maanden. En dat terwijl tijdens die acht extra maanden zo ontstellend veel dichtbundels verschenen. Maar de prijs is gered. Nog steeds is die de belangrijkste richtlijn voor hedendaagse poëzie in Nederland.

Medium armando

Ieder jaar verscheen het boekje De beste 100 gedichten van… waarbij de juryvoorzitter een persoonlijke keuze maakte uit alle inzendingen. In eerdere jaargangen kreeg je de indruk dat het een weerslag was van het jurydebat. De genomineerden kregen allemaal vijf gedichten, de winnaar zes en de rest van de gegadigden een of twee of drie. Maar steeds meer werd het een persoonlijke keuze. De voorzitter van de jury liet geleidelijk een persoonlijke keuze zien.

Nu is het tellen van gedichten (‘hoeveel heb jij erin staan?’) ingegeven door de bloemlezing van Gerrit Komrij. Ik weet niet of het zo veel zegt. Sommige bundels hebben vijf korte gedichten nodig om er een beeld van te geven, andere twee langere gedichten. Maaike Meijer, dit jaar voorzitter van de jury, maakt met haar bloemlezing een herverkaveling van het poëtisch landschap. Indelingen maken is een spel, zo benadrukt ze in haar begeesterde voorwoord. Haar categorieën bestaan uit hermetici (subdivisies: kaal en barok), ‘levensdichters’ - ook wel concreten en realisten, dichters die poëzie naar de rand van een ander genre brengen, vitalisten, dichters die van het beeld uitgaan en oninpasbaren. Opvallend genoeg bevinden de meeste genomineerden zich in de laatste categorie.

Nu is het kenmerkend aan dichters die eind jaren tachtig debuteerden dat ze zowel hermetisch als anekdotisch konden zijn. Nachoem Wijnberg schreef de verzelfstandigde anekdote, die eerder op een parabel leek dan op een verhaaltje. Esther Jansma hekelde de tweedeling en berichtte vanuit Amerika van een andere indeling: lyrical en narrative. K. Michel sprak onlangs van de hermetische anekdote.

De exercitie van Maaike Meijer is historisch en stoelt op een eerdere denkwijze. De hermetici, dat waren Kouwenaar en Faverey, verder had je _‘Tirade-_dichters’ als Kopland, Herzberg en Leeflang. Nu is er niets zo stremmend als een sjabloon van een eerdere tijd op de huidige tijd leggen. Meijer doet het met verve. Het is weer eens wat anders, dit voorwoord, een andere blik op het landschap. ‘Natuurlijk vormt iedere goede dichter een categorie op zich’, is haar relativering.

Niet alle bundels uit die twintig maanden dingen mee. Toon Tellegen, een keer genomineerd toen de prijs net bestond, vraagt nog steeds zijn uitgever zijn bundel niet in te zenden. Dat kan. Sommige dichters willen liever schrijven. Zijn Stof dat als een meisje is een van de mooiste bundels uit de periode. Verder valt op dat allerlei dichters die je bijna VSB-fähig zou noemen niet alleen niet genomineerd zijn, ze staan er zelfs met geen enkel gedicht in. Nul komma nul, nakko. Geen Arjen Duinker, Astrid Lampe, Nachoem Wijnberg, Elma van Haren. Ook geen Jacob Groot, geen Al Galidi, geen Louis Lehmann en geen Piet Gerbrandy. En ook geen geprezen nieuwkomers als Thomas Möhlmann, Elmar Kuiper en Pim te Bokkel. Ze doen niet mee in De beste 100 gedichten voor de VSB-poëzieprijs 2011, zoals de bundel iets omslachtiger, maar wel zo correct heet.

Zeggen wat de beste bundel is, dat gaat natuurlijk niet. Je hebt niet alleen appels en peren maar ook talloze appel- en perensoorten. De beste bundel bestaat niet, zo opende Erik Menkveld zijn top-drie in d_e Volkskrant_, om vervolgens drie bundels te noemen waar hij in het afgelopen jaar geen aandacht aan had kunnen besteden. Ron Rijghard in NRC Handelsblad verrekent zich en zegt dat voor de prijs Harry ter Balkt is overgeslagen. Onder de bladerkronen verscheen in september en dat is net buiten de inzendtermijn. Alle ingezonden titels staan hier [http://www.vsbpoezieprijs.nl/ingezondenbundels.php]. Rijghard spreekt van vier conceptuele bundels: die van Armando, Paul Bogaert, Kreek Daey Ouwens en Henk van der Waal, en een allegaartje, Eva Cox. Hij suggereert dat de verdeling van de jury daarin mee zou spelen: vier wetenschappers en een journalist.

Echte conceptbundels bestaan er nauwelijks in de Nederlandstalige poëzie. Conceptuele bundels hebben een reminiscentie aan conceptuele kunst. In Frankrijk en Amerika tref je dat veel meer aan. Hier kun je hoogstens de bundel Circulaire systemen van Paul Bogaert een concept noemen, waarin hij in 28 gedichten telkens een circulair systeem beschrijft. Maar dat is niet de genomineerde bundel van Bogaert, dat is zijn tweede bundel van negen jaar geleden. De genomineerde bundelde slalom soft

is geen concept, hoogstens een project waarin een concept wordt uitgedacht. Ook Henk van der Waal maakt met zijn vormgegeven gedichten in Zelf worden geen concepten. Je kunt de bundel lezen als een lang gedicht, een queeste. Van der Waal begint vanuit notities, zonder opzet. Het pijnlijkst slaat Ron Rijghard de plank mis in het geval van Kreek Daey Ouwens. Iemand die verslag doet van het stervensproces van haar man maakt allesbehalve een concept. Dat is onzin en ook aanmatigend. Niemand bedenkt het concept ‘mijn man gaat dood’.

De achterkant van Kreek Daey Ouwens bestaat uit herinneringen. Het genomineerde boek begint met een blije en zorgeloze wereld. Er zijn drie zussen, buitenkinderen geheten. Er is een grootmoeder, een moeder en er is een mijn in de buurt die gromt. ‘Als je schrikt, maak je grote stappen’, leren we. De grootmoeder verdraagt de dingen niet en de moeder moppert. De wij-figuur waar het verhaal mee opent bestaat uit de drie zusjes. Ze maken schaduwen op de muur. ‘We hebben nog niets gezien van de wereld, daarom begrijpen we ook niets.’ Het is een fragiel en indringend werk. De schrijver houdt zich vast aan de dingen die zij kent.

Grootvader heeft geen woorden op zijn gezicht.
Hij laat de poes eten van zijn bord.

Dan staat hij op om de radio aan te zetten.

Hij brengt het lege bord naar de keuken.

Hij gaat bij de radio zitten, en blijft daar tot de avond valt.

Dan staat hij op en loopt naar buiten.
Omdat hij alleen wil zijn loopt niemand hem achterna.

Als hij later weer in de keuken komt eet hij wat is overgebleven

van het avondmaal.

Hij drinkt uit een fles.

Over het aanrecht gebogen begint hij te boeren.

Hij wast de spullen af die hij gebruikt heeft.

Hij gaat zijn kamer binnen.

Hij doet de deur op slot.

De achterkant is kaal, onopgesmukt. Andere jaren ‘hopen zich op. Die liggen in de grond.’ De hoofdfiguur ‘dacht erover na later als ik groot zou zijn een boek te gaan schrijven dat net zo treurig was als een van de bladeren die de wind deed neerdwarrelen op onze blote benen’. Het zijn de bouwstenen voor een roman, een onuitgeschreven en verdicht stilleven van mensen die bijna zo stil zijn als dingen.

Het tweede deel van het boek, ook De achterkant geheten, is een monoloog voor een geliefde:

Zul je nog van me houden, als ik je weer zal zien?

Evenveel als het aantal kersen in de mand, die ik voor je deur heb neergezet? Laat ze niet te lang liggen, lief, dan pikken de mussen ze weg!

‘Ik heb een nieuwe typemachine gekocht om over geluk te schrijven’, schrijft Kreek Daey Ouwens. ‘Maar nooit heb ik over het geluk nagedacht.’ Herinneringen aan de grootouders keren terug in het tweede deel. ‘Je hebt de leugens nodig om te kunnen schrijven’, zegt Ouwens en de bitterheid die hierin doorklinkt is haar eerlijkheid. Het is bijna niet tot literatuur gemaakt, wat ze schrijft, ik benadruk bijna niet geschreven.

‘wanneer je het geluk hebt van iemand te houden kun je door hem heen kijken.’ De achterkant is een grafrede, een eerlijk portret van wat een man in een ander nalaat. ‘Mijn ogen zien niet in het donker, liefje.’ Het is onversierde tekst. ‘Het moeilijkste te verdragen zijn de paartjes, die gearmd voorbijkomen. Hun ogen lichten op, als de beeldjes die je kunt kopen in een souvenirwinkel, een madonna, de paus.’ Wat kun je doen met iemands verdriet? ‘Daar gaat de weduwe, huilt ze wel goed?’ Ernaar luisteren, goed luisteren.

Kreek Daey Ouwens was in 2007 te gast op Poetry International. Tot dan toe had ze drie boeken gepubliceerd. Waarom vragen we niet een schrijver van kort proza als dichter, moeten de redacteuren overwogen hebben. De gefragmenteerde teksten van Kreek Daey Ouwens lezen als poëzie. Ze behielden hun karigheid. Wat doe je dan als uitgever anno 2009. Adviseer je haar de stukken uit te breiden tot een lijviger prozawerk of stel je: het zijn gedichten? Gedichten, dat staat op het omslag van De achterkant. Vervolgens signaleert de wetenschap een tendens richting proza in gedichten. Ja nogal wiedes, denken wij dan. Nu laat Kreek Daey Ouwens zich er niet zo veel om gelegen liggen. Ze schrijft, daar gaat het om.

Die tendens richting proza heeft wel een andere betekenis als je er een andere genomineerde bundel bij neemt. En dat is Een twee drie ten dans van Eva Cox, die in 2004 debuteerde in de Windroosreeks met de bundel Pritt.stift.lippe. Cox experimenteert met allerlei vormen in haar tweede bundel. Ze noemt het ‘een bonte stoet poëzie, (ultra)kort proza, vertalingen, pastiches, een duet voor één stem.’ De cijfers onder aan de teksten zijn geen paginanummers maar het totaal aan letters, spaties en leestekens incluis, van een tekst. Dat is een kloppender weergave van de lengte van een tekst dan het aantal woorden. Die cijfers zijn oplopend, er staan steeds langere teksten in haar bundel.

Een van de eerste korte teksten heet Klem:

Wanneer zij des avonds de thuisplek bereikte, viel haar hand zwaar op de snijplank, het mes kreeg zij haast niet uit de homp brood getrokken, zo moe hingen haar armen aan haar lijf. Liefst zou zij het hoofd op de broodkorst werpen, haar tanden in de zacht gebakken broodrug slaan, graven, grazen van het kruim als een ree van wat netels. Maar zij was een mens, en de kuddedruk van haar soort zette een klem op haar vermoeide visioenen.

Hoe ontstonden deze gedichten, vraag je je af. Het is een heel losse, schijnbaar achteloos verzamelde, niet vooropgestelde bundel. Is het restmateriaal van haar eerdere bundel, zijn het teksten die Cox in de kantlijn van een ander werk schreef? Het is zo heerlijk licht op het eerste gezicht en als je erin doorleest allerminst. ‘Knikkers dat zijn stukskes glas’, schrijft ze in een monoloog getiteld Kop. En: ‘Ge voelt uw wervels gelijk een fietsketting door uw vlees draaien’. Eva Cox biedt een mooie humoristische blik op ons reilen en zeilen, zelf bepaald niet verstoken van een behoorlijke vaart.

Als je de bundel achterin openslaat, lees je in Na het geschreven dat veel van de gedichten in opdracht ontstonden, geschreven zijn voor een bepaalde gelegenheid. Daar is niets mis mee, denk ik. Er is geen hiërarchie in aanleidingen voor een Cox-gedicht. Zij weet de gestelde opdracht wel naar haar eigen hand te zetten. ‘De zonnebril en ik, wij zien niets./ Niet de gevilde haas aan een waslijn.’

Het gedicht ^ schreef ze na het lezen van Het verdriet van België van Hugo Claus. ‘Ik had zijn naam gelijk een kapotte nagelriem keer op keer langs mijn lippen willen halen.’ Het is een bijzonder sterk gedicht. Sla je de bladzijde om, dan lees je een nieuwe Guido Gezelle. Een persiflage. Bont, dat is het woord voor de bundel. ‘Scheermes is men in het geader van de straten.’ Op het eind van de bundel staan veel stukken proza en daartussen het Lied van Eva, een vertaling van een liedtekst uit 1904. Dat maakt het een bundel van veel registers. Niet altijd even evenwichtig, maar Eva Cox beheerst die registers met verve. ‘Ik weeg licht als een frietvork.’

‘Ik weet het ik praat veel maar ik heb geen radio dus waarom moet ik zwijgen.’ Het is lyriek, niet minder dan lyriek in al zijn vormen en staten. ‘Wikkel mij. Wikkel mij in eender waarin gij mij wikkelen wilt. Een laken, wat draden, uw adem.’

De VSB-poëzieprijs blijft een instrument om poëzie onder de aandacht te brengen van een wat groter publiek, zonder concessies te doen aan haar wezen. Leesclubs doen eraan mee. Het heeft een wedstrijdelement, een onthulling. Mij heeft de prijs twee bundels doen lezen die ik nog niet kende. Het is Armando geworden.

Maaike Meijer (samenstelling), De 100 beste gedichten voor de VSB poëzieprijs 2011. De Arbeiderspers, 176 blz., € 9,95

Kreek Daey Ouwens, De achterkant. Querido, 112 blz., € 17,95

Eva Cox, Een twee drie ten dans. De Bezige Bij, 72 blz., € 16,50

Foto: Armando