Filmlezen: The Filth and the Fury

Vuil en woede

De film ‹The Filth and the Fury› is een docudrama over de Sex Pistols, ‘s werelds bekendste punkband, die al na 26 maanden ophield te bestaan. De gefingeerde Jan Vonk maakt herinneringen wakker aan een nihilistisch tijdperk.

Echt iets voor Vonk om niet dood te gaan.

Hij zat twee rijen voor me in de bioscoop van de Melkweg. Ik herkende hem aan zijn grote bos rechtopstaand haar en de opgezette kraag van zijn groene leren jas. Zijn haar was grijs, dat verbaasde me. Vroeger verfde hij het elke twee weken blauwzwart, zodat zijn ongezonde huid akelig bleek afstak. Dat hij net als ik een voorstelling bijwoonde van The Filth and the Fury was niet onlogisch. Begin jaren tachtig, toen ik een half jaar met Jan Vonk in één huis woonde, draaide hij niets anders dan de Sex Pistols. Maar blijkbaar was ik toch verrast dat hij nog leefde.

In Down the Highway, een pas verschenen biografie van Bob Dylan, staat beschreven hoe Dylan in 1978 in Londen, bij een optreden van Robert Gordon, backstage door Sid Vicious wordt aangevallen met een groot mes. Alles loopt goed af, maar iedereen vraagt zich af wat Vicious bezielt.

Ik wist het. In de punktijd was het mode om je af te zetten tegen de heersende pophelden, en Dylan was de popheld bij uitstek. Patti Smith maakte een single die I never talked to Bob Dylan heette. Sid Vicious wilde nog een stapje verder gaan.

Jan Vonk was net zo. Als ik betoogde dat in alcohol alles zat wat een mens nodig had en groenten en vitamines dus over bodig waren, dan leefde hij daadwerkelijk wekenlang op een dieet van bier en patat, tot hij niks meer kon binnenhouden. Ooit probeerden wij samen met twee cafévrienden in een baldadige bui een auto die aan de kant van de gracht stond om te kiepen. De auto wipte telkens iets hoger tot het er echt op begon te lijken dat het ons zou lukken. «Oké jongens, kappen», zei ik. Drie van ons stapten achteruit, alleen Vonk hield vol en deed een stap naar voren. Hij kreeg het rechterachterwiel vol op zijn voet en liep tien weken in het gips.

Sid Vicious was zijn held. Het liefst had Vonk net zo'n leven geleid als Sid. De laatste jaren begaf hij zich ook in kringen van drugsgebruikers en had een verslaafde Duitse vriendin, Mirthe. Zij nam haar medeverslaafden mee naar Vonks kleine tweekamer woning op de Zeedijk. Zijn persoonlijke bezittingen werden in hoog tempo achter zijn rug te gelde gemaakt en uiteindelijk werd hij zijn eigen woning niet meer binnengelaten. Goedwillende vrienden adviseerden hem de politie erbij te halen, maar Vonk wilde dit niet omdat hij bang was Mirthe in de problemen te brengen.

Het laatste wat ik over hem hoorde was dat hij afgelopen winter in een café een hooglopende dronken ruzie met haar had. Vonk werd er uitgezet. Het vroor, maar desondanks viel hij naast de ingang in slaap. De portier en bezoekers van het café sloegen geen acht op hem. Pas na twee uur kwam zijn vriendin het café uit en zag wat er aan de hand was. Ernstig onderkoeld werd Vonk opgenomen in het ziekenhuis. Maar hij overleefde het, er hoefde niet eens een pink te worden afgezet. Het was echt iets voor Vonk om niet dood te gaan. Nooit zou hem iets lukken.

Er zaten nog geen tien mensen in de Melkwegbioscoop. Het regende buiten en mijn broek was doorweekt. Ik vervloekte mezelf dat ik had toegezegd een recensie te schrijven. De film begon en ik probeerde mijn gedachten uit te schakelen.

Sid Vicious (geboren John Ritchie) was een fan van de Sex Pistols en kon goed opschieten met zanger Johnny Rotten. Omdat gitarist Steve Jones en drummer Paul Cook vaak één front vormden, wilde Rotten dat Vicious bij de band kwam bassen, in plaats van de door iedereen gehate Glen Matlock. De «Two Johns» vormden een bondgenootschap. Dat Vicious geen noot kon spelen werd niet als een bezwaar gezien en Matlock verdween via de achterdeur. Sid Vicious deed aanvankelijk erg zijn best om te leren bassen en volgens de heersende punknormen was hij een mooie jongen. De Sex Pistols hadden door hun aanstootgevende gedrag ondertussen voor heel wat controverses gezorgd in Engeland en de reacties die band opriep, waren extreem.

«Ik wou dat ik Sid had kunnen voorbereiden op wat hem te wachten stond», zegt Johnny Rotten nu. Alleen zijn silhouet was zichtbaar in de film. Een bewuste keus van regisseur Julien Temple, die meende dat de puurheid van vroeger verloren zou gaan als hij de huidige gezichten van de bandleden had laten zien.

Had hij het toch maar gedaan. In de loop van de film snakte ik naar iets dat die hele zichzelf veel te serieus nemende, narrige punkscene kon relativeren. Dat Temple de film doorspekte met fragmenten uit Richard III en scènes uit Britse amusementsprogramma’s om de Sex Pistols een betekenisvolle plaats in de Engelse geschiedenis te geven, dat de gebruikelijke beelden van stakende arbeiders en vechtende jongeren weer de revue passeerden, dat de bandleden vandaag de dag nog steeds niet verder kwamen dan: «In Amerika pijpten de meisjes erg goed» — het zou allemaal in één klap draaglijk zijn als we konden zien hoe Jones, Cook en Rotten er nu uitzien. Ik wilde hun ouder geworden gezichten zien, de kleren die ze nu dragen, de inrichting van hun huis, een schilderijtje op de muur, een hondje dat door het beeld loopt, alles wat maar duidelijk maakte dat de nihilistische jaren zeventig, god zij gedankt, voorbij zijn.

Julien Temple zat dicht op het onderwerp en had een weldoortimmerde documentaire gemaakt, maar ik had liever dat Tonko Dop was gevraagd voor een extra lange aflevering van Single Luck over de Sex Pistols. Die wist hoe hij extra lading moest geven aan een gitarist die, staande voor zijn rijtjeshuis, verklaarde dat hij een succesvolle studiocarrière was begonnen. Aan het einde van de film betreurde Johnny Rotten het dat hij Sid niet had kunnen redden; aan zijn stem te horen was hij geëmotioneerd. Mij raakte het niet.

Maar misschien was ik bevooroordeeld. Eind jaren zeventig boeiden de Sex Pistols mij al niet meer. Never mind the bollocks bevatte geen greintje passie, humor of liefde voor muziek. Jan Vonk daarentegen lachte gelukkig als een mede-Pistolsfan hem in het gezicht spuugde en hij kon enthousiast uiteenzetten hoe Rottens directe teksten en toonloze staccato zang precies ook zijn gevoelens vertolkten. Hoe keek hij twintig jaar na dato aan tegen de Sex Pistols?

De aftiteling rolde over het doek. Ik bevocht mijn aandrang om zo snel mogelijk naar huis te gaan en wachtte in de gang. Vonk liep langs me en ik tikte hem op zijn schouder.

«Hé», zei hij.

«Hoe vond je de film?» vroeg ik.

«Wel te gek.»

We daalden de trap af. Ik twijfelde. Daar lonkte de buitendeur maar ik wilde een grondiger analyse dan «wel te gek».

Ik wees naar het Melkwegcafé. «Wil je wat drinken?»

«Altijd.»

We gingen het café binnen en ik bestelde twee bier.

«Hoe gaat het met je?» vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op. «Niet te gek.»

«Heb je nog wat met die Duitse?»

«Mirthe is terug naar Duitsland.»

Ik begon een verhandeling over de onbetrouwbaarheid van junks. Vonk keek langs me heen. Ik legde hem uit dat hij beter af was zonder haar, maar opeens onderbrak hij me.

«Weet je wat ik mooi vond?»

«Nou?»

«Dat Johnny Rotten vertelt dat ze voor ’t eerst in Amerika waren, en dat Sid en hij niet met de luxevliegtuigen mee wilden waar de rest van de band mee reisde.» Hij nam een slok. «En hoe Sid en hij naast elkaar in de tourbus zaten en naar buiten keken en zich voelden als cowboys, als John Wayne.»

«Het begin van het eind.»

«Hoe bedoel je?»

«Dat Sid daarna aan de heroïne ging, door Nancy Spungen, zijn vriendin. Kort daarna gingen de Sex Pistols uit elkaar, en vermoordde hij haar.»

«De Pistols waren daarvoor al geen eenheid meer.»

«Hij en Johnny Rotten toch wel?»

Vonk snoof. «Heb je Rotten niet horen vertellen dat hij Nancy aan d'r enkels uit het hotelraam heeft gehangen? Ze gunden het Sid niet.»

«Wat niet? Heroïne? Moord? Overdosis?»

Hij antwoordde niet. Het was duidelijk dat hij Sid nog altijd verafgoodde. Jan Vonk was niks veranderd en voor een afgewogen oordeel over de betekenis van de Sex Pistols moest ik niet bij hem zijn. Tijd om naar huis te gaan. Ik nam een flinke slok bier. Nog even wat menselijke belangstelling.

«Ik hoorde dat je in het ziekenhuis hebt gelegen?»

«Ja», glimlachte hij. «Dat was mooi.»

«Mooi?»

«Mirthe schrok zich rot. Ze heeft constant naast mijn bed gezeten.» Hij keek me aan. «Ze hield van me.»

«Hoe heb je haar eigenlijk ooit ontmoet?»

«Op straat. Ze vroeg of ik wat te drinken had. Toen heb ik een fles wodka gekocht en ben met haar meegegaan. We praatten over haar ouders, die ze haatte. We hebben veel gepraat. Draaiden de Sex Pistols. Op een goed moment wou ze naar bed en heeft ze me met een mes het huis uit gejaagd.»

«Kon ze het niet gewoon vragen?»

«Ze was bang dat ik haar wou verkrachten.»

Ik schudde mijn hoofd. Blijkbaar zag Jan dit als een aanval, want hij werd fel. «Ze was echt lief! Ze had alleen geen vertrouwen in mensen. Ze heeft me ook wel een keer gestoken. Maar daar had ze enorm spijt van.»

«Waarom is ze eigenlijk teruggegaan?»

Hij zuchtte. «Het ging heel slecht met haar. Ik was bang. Het was echt wachten tot ze een keer een o.d. zou nemen.»

«Net als Sid.»

Hij knikte. Ik haalde nog twee bier. Er was toch iets veranderd bij Jan en ik wilde weten wat. Ik zette een glas voor hem neer en we dronken zwijgend.

«Toch verstandig dat ze terugging», zei ik.

«Dat was niet vrijwillig. Haar ouders zijn haar op komen halen. Met twee broers van haar.»

«Was je daarbij?»

Hij schudde zijn hoofd. «Ze schijnt de hele buurt bij elkaar te hebben gegild. Al mijn ramen waren ingeslagen.»

«Mis je haar?»

Hij glimlachte. «Ze leeft nog. Ze zit nu in een dure kliniek. Het schijnt wel redelijk met haar te gaan.»

«Hoe wisten haar ouders waar ze zat?»

Hij ontweek mijn blik. «Ik heb ze gebeld.»

De Sex Pistols bestonden niet meer en alles wat restte was ruzie over geld, onderlinge verwijten, vier verbitterde oud–groepsleden, twee doden en één plaat vol vuil en woede.

Maar Jan Vonk had het goede gedaan. Hij was niet in dezelfde val als Sid Vicious getrapt en hij mocht trots zijn dat hem dit was gelukt. Maar ik zag dat het niet was wat hij wilde horen.

Hij dronk zijn glas leeg en stond op. «Ik moet weg.»

We liepen samen naar de uitgang. Terwijl hij zijn fiets losmaakte, bleef ik naast hem staan.

«Als je Sid nu tegen zou komen», vroeg ik, «wat zou je dan zeggen?»

Hij kwam overeind en ging op zijn fiets zitten. «Niks, denk ik.»

«Niks?»

«Nee. Ik zou naast hem willen zitten in zo'n tourbus en maar rijden door een uitgestrekt land. Allebei weten wat de ander heeft gedaan en niet praten. Alleen naar buiten kijken.»

Ik wilde nog iets zeggen, maar hij stak zijn hand op en reed weg. Hij ontweek een groepje toeristen en schoot het Leidseplein op, zonder om te kijken.