Hoe Holland aan Saddam verdiende

Vuile handen

Vorige week werd Frans van Anraat tot zeventien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens zijn chemicaliënleveranties aan Saddam Hoessein. Ook de Nederlandse overheid is bij de dodelijke leveranties betrokken, gezien de coöperatieve opstelling van het ministerie van Economische Zaken.

Omar Khawa stierf op 16 maart 1988 in Halabja, een Koerdisch stadje in Noord-Irak. In zijn armen had hij zijn zoontje, een baby nog. Hij had proberen te vluchten voor de ‘stille bommen’, afgeworpen door Saddam Hoesseins luchtmacht. Ze explodeerden niet, maar verspreidden dodelijk gas. Naar schatting vijfduizend mensen stierven. In de Anfal-campagne, waar de gifgasaanval op Halabja deel van uitmaakte, werden nog eens tussen de vijftig- en honderdduizend Iraakse Koerden door Saddams troepen vermoord. Het was zijn wraak voor hun steun aan Iran, waarmee Irak al sinds 1980 in oorlog was. Omar Khawa werd postuum beroemd. De foto van zijn lichaam op de stoep van zijn huis, zijn dode zoontje in zijn armen geklemd, ging de hele wereld over en werd het symbool van de wreedheid van Saddam Hoesseins regime. De aanval op Halabja was de grootste gifgasaanval op een burgerdoel ooit.

Ook Frans van Anraat is nu wereldberoemd, bij leven en welzijn. Vanaf 1984 was hij de belangrijkste leverancier van chemicaliën aan Irak waaruit onder meer het dodelijke mosterdgas werd gemaakt dat niet alleen in Halabja, maar ook bij tientallen andere gifgasaanvallen, zowel op burgerdoelen als op Iraanse militairen, werd gebruikt. In 2005 werd hij door de Nederlandse rechter veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. Vorige week legden internationale media vast hoe hij er in hoger beroep twee jaar bovenop kreeg. Hij werd veroordeeld tot zeventien jaar gevangenisstraf voor zijn leveranties van thiodiglycol (tdg), een essentieel bestanddeel – een ‘sleutelvoorloper’ – van mosterdgas. Door Van Anraat geleverde chemicaliën die gebruikt werden voor het vervaardigen van zenuwgassen als tabun, VX en sarin liet de rechter buiten beschouwing.

Van Anraat was de eerste Nederlander die terechtstond voor medeplichtigheid aan genocide sinds het beëindigen van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog. Dat het Iraakse regime genocide pleegde op de Koerden werd volgens het Haagse gerechtshof niet afdoende bewezen. Dat Van Anraat medeplichtig was aan oorlogsmisdaden wel. Vandaar zijn hoge en onvoorwaardelijke straf, die door het gerechtshof uitdrukkelijk als voorbeeld werd gesteld aan ‘mensen of bedrijven die (internationaal) handelen, bijvoorbeeld in wapens of mede daartoe te gebruiken grondstoffen’. Volgens het hof ‘moet [hun] worden ingescherpt dat zij – indien zij geen grote waakzaamheid betrachten – bij hoogst ernstige misdrijven betrokken kunnen raken’.

Het boek van de chemicaliënleveranties aan Saddam Hoessein door Nederlanders leek met Van Anraats veroordeling gesloten. Maar de rechter heeft het met zijn waarschuwing aan het einde van het vonnis met een harde klap weer opengeslagen. Ook de Nederlandse bedrijven kbs en Melchemie leverden voorlopers voor gifgassen aan Irak, zij het eerder, voordat er exportrestricties van kracht waren, en beperkter dan Van Anraat. In totaal leverden Nederlandse bedrijven 45 procent van de Iraakse grondstoffen voor chemische wapens. Van Anraat alleen is verantwoordelijk voor 38 procent daarvan.

‘Van Anraat is niet veroordeeld omdat hij de in- en uitvoerwet overtrad’, zegt Frank Slijper van Campagne tegen Wapenhandel. ‘In het proces stond centraal of hij had kunnen weten dat de tdg die hij in grote hoeveelheden leverde geen civiele toepassing kón hebben. Die vraag kun je ook stellen bij de leveranties van een bedrijf als kbs, dat vóór de exportrestricties 250 ton tdg leverde aan Irak. Eerder had bijvoorbeeld BasF een order afgewezen, omdat het gifgasproductie vermoedde. Ik zou wel eens willen zien hoe een rechter daarover oordeelt.’

Ook de Nederlandse overheid is bij de dodelijke leveranties betrokken. Nederlandse bedrijven werkten niet bepaald in een vacuüm. Het ministerie van Economische Zaken heeft zijn uiterste best gedaan de lijst met chemicaliën die niet naar Irak mochten worden uitgevoerd zo kort mogelijk te houden. Daarover ontspon zich in 1984 een felle strijd met het departement van Buitenlandse Zaken. Een zwarte hoofdrol aan de zijde van EZ werd vertolkt door vvd’er Frits Bolkestein, destijds staatssecretaris voor Buitenlandse Handel.

In april vorig jaar wijdde het vpro-radioprogramma Argos twee uitzendingen aan de kwestie. Frank Slijper deed voor Argos onderzoek naar de chemicaliënleveranties door Nederlandse bedrijven aan Irak in de jaren tachtig. Daartoe deed hij een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur. Vorige week, vlak voor de veroordeling in hoger beroep van Van Anraat, publiceerde Campagne tegen Wapenhandel het rapport Nederland en de chemische wapens van Irak, een uitwerking van het _Argos-_onderzoek, aangevuld met materiaal dat pas na de uitzendingen door het ministerie werd vrijgegeven. Tezamen met de _Argos-_afleveringen uit april 2006 schetst het rapport een onthutsend beeld van de dubbele moraal die de Nederlandse overheid hanteerde.

Al in januari 1981, als de oorlog met Iran nog geen jaar gaande is, zet Irak een dodelijk zenuwgas in tegen Iraanse militairen. Er vallen honderd doden. Het ontgaat de internationale gemeenschap. Maar de toenmalige Nederlandse ambassadeur in Irak, Meindert Schorer, is waakzaam. Hij meldt in oktober 2005 tijdens zijn verhoor in het proces tegen Van Anraat dat hij al in 1982 sterk vermoedde dat Irak gifgas inzette tegen Iraanse soldaten. In de uitzending van Argos op 28 april 2006 herhaalt hij dat. Bovendien zegt hij dat hij in 1982 al codeberichten naar Nederland heeft verstuurd waarin hij meldde dat Saddam strijdgassen inzette. Uit de documenten die Frank Slijper loskreeg blijkt zelfs dat Nederland al in 1981 op de hoogte was. Maar de regering ondernam geen actie. Voor de export van chemicaliën naar Irak die nodig zijn voor de vervaardiging van strijdgassen hoefde geen vergunning aangevraagd te worden.

Op 3 november 1983 stapt Iran naar de Veiligheidsraad en beschuldigt Irak van het inzetten van gifgassen. Er volgt een onderzoek door de Verenigde Naties dat de beschuldiging bevestigt. Op initiatief van Nederland, dat tijdelijk lid is van de Veiligheidsraad, veroordeelt de raad het gebruik van chemische wapens. Irak wordt daarbij niet met name genoemd. Toch ontbrandt dan reeds de strijd tussen de ministeries van Buitenlandse en Economische Zaken. Irak kondigt aan dat ‘dit zeker zijn weerslag zal hebben op de relatie tussen Irak en Nederland’, en daarop zit Economische Zaken niet te wachten. Het ministerie wil de handelsbetrekkingen met het olierijke Irak op peil houden, oorlog of geen oorlog. EZ stelt nijdig dat er ‘vooroverleg’ had moeten plaatsvinden, waarbij ‘de mogelijke economische consequenties’ van de veroordeling belicht hadden kunnen worden.

In 1983 meldt Iran 34 Iraakse gasaanvallen. Irak plaatst fikse orders voor chemicaliën bij Melchemie en kbs. Nederland doet niets. Pas in april 1984 onderneemt het ministerie van Buitenlandse Zaken actie, maar pas als de Amerikanen Nederland dringend verzoeken in te grijpen omdat Irak vijfhonderd ton thiodiglycol heeft besteld bij een Nederlands bedrijf. Buitenlandse Zaken, geleid door minister Hans van den Broek (cda), stelt voor om 21 stoffen die gebruikt kunnen worden als voorlopers voor strijdgassen zo snel mogelijk aan een vergunningplicht te onderwerpen. Er is geen tijd te verliezen, want het Iraakse strijdgasprogramma draait op volle toeren.

Economische Zaken protesteert onmiddellijk. Diverse stoffen op de lijst hebben ook civiele toepassingen. EZ wil deze _dual use-_chemicaliën vrij van vergunningen houden. Bolkestein krabbelt op een nota: ‘In geval van gerechtvaardigde twijfel moet niet worden opgetreden.’ Hij bedoelt: als niet zeker is of de stof door Irak zal worden gebruikt voor gifgas, moet hij uitgevoerd kunnen worden. Bolkestein haalt ook andere argumenten uit de kast: Nederland zou geen eenzijdige actie tegen Irak kunnen ondernemen omdat de Tweede Kamer eerder is voorgehouden dat dat ook niet kon tegen Zuid-Afrika; andere landen zouden de Nederlandse leveranties overnemen. Buitenlandse Zaken werpt tegen dat voor een groot deel van de stoffen in Nederland orders zijn geplaatst door Irak en dat ze dus verdacht zijn. Uiteindelijk, na veel getouwtrek, wordt een compromis bereikt: elf chemicaliën die grondstoffen vormen voor gifgassen, tien minder dan BZ wilde, worden onderworpen aan een vergunningplicht. Onder meer natriumcyanide, een grondstof voor blauwzuurgas, wordt van de lijst geschrapt. Vermoedelijk is het ingezet in Halabja, samen met mosterdgas. Waterstoffluoride, een grondstof voor het zenuwblokkerende sarin-gas, komt evenmin op de lijst.

Door het dwarsliggen van Bolkestein treedt de maatregel pas in werking op 5 februari 1985. Zijn departement blijft in de loop der jaren proberen de lijst te beperken. De zakelijkheid van zijn ministerie blijkt onder meer uit een geheim rapport van 6 april 1984, getiteld Gebruik chemische strijdmiddelen in Iran-Irak, opgesteld door een ambtelijke werkgroep van BZ en EZ. Argos citeerde eruit. ‘Voor deze laatste vijf stoffen zijn bij Nederlandse bedrijven door Irak orders geplaatst voor zo grote hoeveelheden dat civiele toepassing is uitgesloten.’ Verderop heet het desalniettemin: ‘Gezien de civiele toepassingen lijkt een exportbeperking van deze stoffen niet gewenst.’

Hoezeer de koopman de dominee overheerst blijkt als Bolkestein op 31 maart 1983 tijdens een bezoek aan Bagdad een overeenkomst met Irak sluit voor economische en technische samenwerking. Als een jaar later het parlement bezwaar maakt tegen ratificatie van het verdrag, gezien de gruwelijke reputatie van de Iraakse troepen, drukt hij die toch door. Tijdens het debat zegt hij: ‘Het sluiten van deze overeenkomst kan helaas niets veranderen aan die oorlogstoestand.’ Ook zijn cda-opvolger Yvonne van Rooy kent weinig scrupules. Op 16 maart, cynisch genoeg op de eerste dag van de gasaanval op Halabja, die dan nog niet bekend is, ontvangt zij de Iraakse onderminister van Handel. Tijdens zijn bezoek wordt hij niet gewezen op de inzet van verboden strijdgassen. Economische Zaken heeft slechts het handelsbelang voor ogen.

Arnold Karskens, oorlogsverslaggever voor Nieuwe Revu, publiceerde vorig jaar Geen cent spijt, een boek over Frans van Anraat, die hij in 1991 tijdens de eerste geallieerde aanval op Irak tegen het lijf liep in een hotellobby. Sindsdien volgde hij Van Anraat met argusogen en interviewde hij hem enkele keren. In 1992 maakte hij de Nederlandse Unscom-inspecteur Cees Wolterbeek attent op de schimmige zaakjes van Van Anraat. Als getuige-deskundige speelde Wolterbeek, die een lijvig dossier opstelde over Van Anraats leveranties, een belangrijke rol in het proces. In 2003 leidde een artikel van Karskens in Nieuwe Revu de ondergang van Van Anraat in. ‘Het ministerie van Justitie meldde me dat zijn delicten verjaard waren. Het zou gaan om een economisch vergrijp. Hierop kwamen kamervragen van de SP en werd uitgezocht of Van Anraat kon worden vervolgd voor het schenden van het internationaal recht. Uiteindelijk hebben ze hem gepakt op oorlogsmisdaden. Die verjaren niet.’

Karskens wijst erop dat het Nederlandse vergunningenbeleid niet heeft kunnen voorkomen dat Van Anraat vanaf 1984 de belangrijkste chemicaliënleverancier werd voor het Iraakse gifgasprogramma. ‘Van Anraat wist dat er mensen vermoord werden met zijn chemicaliën. Hij ging door met handelen na Halabja. Van mij had hij veroordeeld mogen worden voor genocide. Van Anraat is de grootste Nederlandse oorlogsmisdadiger ooit. Er wordt geschat dat hij 120.000 slachtoffers heeft gemaakt, doden en gewonden. Dat is veel meer dan Nederlandse SS’ers voor hun rekening hebben genomen. Publiciteit rond dit soort zaken is heel belangrijk. We moeten ervoor zorgen dat bedrijven nooit meer kunnen zeggen dat ze niet wisten dat bepaalde chemicaliën gebruikt kunnen worden als grondstoffen voor gifgas.’

Campagne tegen Wapenhandel pleit voor een onderzoek naar de leveranties aan Irak in de jaren tachtig, in de hoop dat daarmee openheid komt over een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis_. Frank Slijper:_ ‘Alleen met een onderzoek kun je het brede kader schetsen van bedrijfsleven en politiek, zodat duidelijk wordt in welke sfeer de chemicaliën geleverd zijn. Als een parlementair onderzoek niet haalbaar is, moet desnoods een commissie van deskundigen gevormd worden.’

Ook Arnold Karskens acht een onderzoek zinvol: ‘Nederlandse bedrijven keren steeds terug in publicaties over de chemicaliënleveranties aan Irak. We zijn het verplicht omdat de Nederlandse rol zo belangrijk was, en omdat we ons opwerpen als hoeders van het internationaal recht. Vergeet niet dat de Iran-Irak-oorlog de grootste chemische oorlogvoering was sinds de Eerste Wereldoorlog.’

Een onderzoek zou ook helderheid kunnen bieden over de vraag of de Nederlandse overheid en zelfs voormalig staatssecretaris Frits Bolkestein gedagvaard dienen te worden. In de _Argos-_uitzending van april vorig jaar zei hoogleraar internationaal strafrecht Herman van der Wilt dat slachtoffers van de gifgasaanvallen zouden kunnen uitzoeken of Bolkestein civielrechtelijk aan te klagen is. ‘Je zou kunnen zeggen dat Bolkestein faciliterend is bezig geweest. (…) Er zijn duidelijke aanwijzingen van kwade wetenschap. Bijdragen van bedrijven die onder zijn verantwoordelijkheid vielen konden bepalend zijn voor heel veel menselijk leed.’

Frank Slijper van Campagne tegen Wapenhandel: ‘De documenten tonen dat Economische Zaken pogingen tegenwerkte om voor gifgas benodigde chemicaliën aan een exportvergunning te onderwerpen. Het ministerie, met Bolkestein als staatssecretaris voor Buitenlandse Handel voorop, heeft getraineerd en gesaboteerd. Het gevolg was dat willens en wetens chemicaliën werden uitgevoerd waarvan duidelijk was dat ze niet voor civiele doeleinden gebruikt zouden worden, wegens de aard van het spul, de bestemming en de grote hoeveelheden. Ik ben geen jurist, maar ik zou de stelling wel aandurven dat met name Economische Zaken medeplichtig is geweest aan oorlogsmisdaden. Het zou goed zijn als ook daarover duidelijkheid komt.’

Arnold Karskens, Geen cent spijt: De jacht op oorlogsmisdadiger Frans van Anraat_. Meulenhoff, 206 blz., €16,95

…………………………………………………………………………………………………………………….._

Nederland heeft niets geleerd

Nederland hanteert nog altijd een dubbele moraal inzake chemische wapens. In 1997 werd het Internationale Verdrag Chemische Wapens van kracht dat verbiedt chemische wapens te bezitten, te verspreiden en te produceren. Nederland behoorde tot de eerste ondertekenaars en biedt onderdak, in Den Haag, aan de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons, die toezicht houdt op de naleving van het verdrag.

Daar staat tegenover dat Nederland nog steeds exportvergunningen verleent voor de levering van chemicaliën aan landen die een dubieuze reputatie hebben op het gebied van chemische wapens. Campagne tegen Wapenhandel ontdekte dat onder de bestemmingen van in 2005 verstrekte exportvergunningen landen zijn die in het bezit zijn van chemische wapens, het Verdrag Chemische Wapens niet ondertekend hebben, of bekend staan als doorvoerhavens naar landen waaraan Nederland zelf niet zou leveren. Drie voorbeelden uit een lange lijst:

Israël: in bezit van chemische wapens; ratificeerde het verdrag niet. Kocht in Nederland grondstoffen voor mosterdgas, en de zenuwgassen tabun en sarin.

Taiwan: bezit chemische wapens. Kocht een grondstof voor mosterdgas.

Soedan: heeft chemisch-wapenprogramma; verwikkeld in binnenlands conflict in Darfur met genocidale trekken. Kocht een voorloper van blauwzuurgas.