De worsteling van GroenLinks

Vuile handen of een rechte rug?

Toen de formatieonderhandelingen opnieuw waren stukgelopen, was ook de GroenLinks-achterban verdeeld. De discussie over idealen versus resultaten voert terug op een groter vraagstuk: wat is de taak van politici in een democratie?

Large groene groenlinks worsteling

Konden GroenLinks-stemmers na de eerste mislukte formatiegesprekken nog persoonlijk verhaal halen tijdens een meet-up, na de tweede gestrande poging moesten ze het doen met een vraag- en antwoordsessie op Facebook. Jesse Klaver had zich in een comfortabele stoel genesteld, een webcam op zich gericht en legde via de livestream rechtstreeks aan zijn volgers uit waarom hij niet deelneemt aan een regering met de vvd, d66 en het cda. De mouwen van het witte overhemd opgestroopt, zijn toon amicaal en energiek. Hashtag #KlaverTalk. Al gauw dreven de duimpjes en hartjes over het scherm. In de reacties verklaarden kijkers ‘respect’ te hebben of ‘trots’ te zijn omdat Klaver ‘vasthoudt aan zijn idealen’. Dissonante geluiden van gefrustreerde kiezers verdronken bijna in de stroom van steunbetuigingen. En ook de vragen die uiteindelijk aan de lijsttrekker werden voorgelegd, bevatten nauwelijks écht bijtende kritiek ( ‘Je oogt heel ontspannen, Jesse. Is dat ook zo?’).

Dat terwijl de GroenLinks-leider toch het nodige had uit te leggen. Toen migratie opnieuw een breekpunt bleek tijdens de onderhandelingen werd Klaver haast unisono aangewezen als schuldige. Niet alleen Mark Rutte was ‘teleurgesteld en verbijsterd’, ook een deel van zijn kiezers was ontgoocheld. De Volkskrant plaatste brieven van lezers die Klaver wilden laten weten dat ze ‘woest’ op hem zijn en nooit meer op GroenLinks zouden stemmen. Want het is allemaal leuk en aardig, die idealen, maar ondertussen zit Nederland de komende vier jaar waarschijnlijk opgescheept met een rechts kabinet en gebeurt er nog steeds niets voor het klimaat. Het redactioneel commentaar van NRC Handelsblad hekelde ‘deze keuze voor getuigenispolitiek uit ideologische smetvrees’, terwijl Trouw betreurde dat door de principiële stellingname ‘andere principes nu wel in het gedrang komen’.

Vanachter de webcam hield Klaver vol dat hij ook in de oppositiebanken zou blijven ijveren voor zijn idealen. Dat zijn partij niet deelneemt aan een nieuwe coalitie betekent niet dat hij de komende jaren machteloos staat. Hij gaat zich inzetten om ‘het debat te beïnvloeden’ en ‘druk uit te oefenen’. De geruststellende woorden waren gericht tot het kamp met morrende pragmatisten. Als je daadwerkelijk iets wilt bereiken, zul je vuile handen moeten maken, vinden zij. Het idealistische kamp ziet dat heel anders. Zij juichen het toe dat Klaver zijn rug recht houdt en zijn principes niet verkwanselt. In de kern is de discussie die nu binnen GroenLinks-kringen woedt zo oud als de democratie zelf. Een vraagstuk dat zowel onder parlementariërs als filosofen tot tweespalt leidt. Want wat is de taak van politici in een democratie?

Denkers van liberale snit zien de democratie vaak als een arena van botsende belangen. Zoveel kiezers, zoveel voorkeuren, en al die uiteenlopende wensen laten zich nu eenmaal onmogelijk verenigen. Vandaar de nood aan compromissen. Als volksvertegenwoordigers de belangen van hun achterban zo goed mogelijk willen verdedigen, moeten ze bereid zijn om water bij de wijn te doen. Het overstijgen van de tegenstellingen is de eigenlijke inzet van het politieke debat, meent ook de Duitse filosoof Jürgen Habermas. In zijn ‘deliberatieve model’ staat het bereiken van consensus voorop: in de publieke sfeer proberen burgers elkaar te overtuigen met rationele argumenten. Mocht een inhoudelijke overeenstemming toch onhaalbaar blijken, dan is het aan volksvertegenwoordigers om strategische schikkingen te treffen.

Volgens oud-pvda-lijsttrekker Diederik Samsom vormt dat de basis voor een gezonde parlementaire politiek, vertelde hij eind vorig jaar in zijn afscheidsbrief. Als lichtend voorbeeld noemde hij het lenteakkoord van 2012. ‘Op die avond leerde ik de harde les van wat er van politici wordt gevraagd om Nederland verder te helpen’, schreef Samsom. ‘Het vermogen om een eindje met elkaar op te lopen, om ook een deel van elkaars gelijk te accepteren, om taboes te slechten en om grenzen tussen coalitie en oppositie te doorbreken. Om het eigen electoraal belang ondergeschikt te maken aan het algemeen belang.’ Dit was de consensusdemocratie in optima forma. Een kunststukje waar een filosoof als Habermas vol bewondering naar zou kijken.

Maar de veronderstelling dat de democratie dient om conflicten te overbruggen wordt lang niet door iedereen gedeeld. ‘Democratische politiek laat zich niet beperken tot het vaststellen van compromissen tussen verschillende belangen of waarden, of tot gedelibereer omtrent het algemeen belang; ze moet een reëel aanknopingspunt vinden in de verlangens en dromen van mensen’, schrijft de Belgische politicologe Chantal Mouffe in On the Political. Juist daar schort het dikwijls aan. De gretigheid waarmee middenpartijen samen optrekken heeft voor een ideologisch vacuüm gezorgd. En dat is schadelijk voor de democratie, stelt Mouffe. Politiek is namelijk evenzeer het representeren van onoplosbare verschillen, terwijl veel westerse democratieën nu net kampen met een overschot aan consensus. ‘Post-politiek’ heet dat in haar vocabulaire.

Het denken van Mouffe vormt een inspiratiebron voor een onvervalste getuigenispartij als de Partij voor de Dieren. Lijsttrekker Marianne Thieme is er trots op dat haar fractie de afgelopen jaren op geen enkele manier heeft samengewerkt met de regering. Constructieve oppositie is in haar ogen een contradictio in terminis. Tijdens de verkiezingscampagne schreef Thieme samen met lijstduwer Ewald Engelen een opiniestuk waarin ze van leer trekken tegen het ‘compromisme’ dat de Nederlandse politiek maakt tot ‘een gezelschapsspel voor bonnentellers en technocraten’.

GroenLinks is ‘een ideeënpartij op zoek naar de macht’, heette het al in de tijd van Femke Halsema

Het opiniestuk leest als een aanklacht tegen een bestuurderspartij als de pvda. De afgelopen vier jaar hebben de sociaal-democraten geregeerd met een partij wier gedachtegoed ze daarvoor nog zo fel bestreden. Maar de onenigheden die in de campagne werden uitvergroot, werden in de daaropvolgende formatie vlug gladgestreken. Uit naam van het landsbelang. Alleen kon die opofferingsgezindheid niet rekenen op de waardering van de kiezer, moest Samsom bij zijn afscheid concluderen. ‘Het is me onvoldoende gelukt om mensen te winnen voor de kracht van het compromis’, schreef hij. Ook zijn opvolger Asscher slaagde daar niet in. Tijdens de afgelopen verkiezingen werd de pvda genadeloos afgestraft door kiezers die ‘verantwoordelijkheid nemen’ geen overtuigend argument vonden.

Het is een schrikbeeld voor GroenLinks. Zij proberen juist een links alternatief te bieden voor de futloze Nederlandse sociaal-democratie. Met een uitgesproken idealisme wil Klaver breken met de ‘post-politiek’ van de middenpartijen. Hij is meer het type Bernie dan het type Hillary. Hij geeft geen leiding aan een partij, maar aan een beweging. De verkiezingen waren niet het eindpunt, maar ‘het begin van een maatschappelijke verandering, van onze beweging’, hield hij zijn supporters voor op verkiezingsnacht. Tijdens de #KlaverTalk wezen veel Facebook-volgers op het succes van Jeremy Corbyn met de Britse Labour-partij. Zie je wel, zeiden ze, op de lange duur loont het om vast te houden aan je idealen.

De vergelijkingen met Sanders en Corbyn gaan alleen wel erg makkelijk voorbij aan de eigenheid van de Nederlandse politiek. Het is geen toeval dat ons land beroemd is geworden om het poldermodel. Ons electorale systeem maakt het vrijwel onmogelijk dat een enkele partij de dienst uitmaakt. In Groot-Brittannië kan veertig procent van de stemmen voldoende zijn voor een absolute meerderheid in het parlement. In de Verenigde Staten hoef je de meerderheid van het volk niet achter je te hebben om te regeren als president. Daar komt bij dat GroenLinks, in tegenstelling tot Labour of de Democraten, nooit een brede volkspartij is geweest.

Dat betekent natuurlijk niet dat het idealisme van de bejaarde socialisten niet ter inspiratie kan dienen. Maar de logische vervolgvraag is hoe je zo’n progressieve agenda het best kunt realiseren binnen de Haagse context. Dat is de vraag waar Klaver op dit moment mee worstelt. Hij wil niet in dezelfde val trappen als de pvda, maar tegelijkertijd neemt hij geen genoegen met een plek aan de zijlijn. GroenLinks is ‘een ideeënpartij op zoek naar de macht’, heette het al in de tijd van Femke Halsema. Niet voor niets nam GroenLinks wél deel aan de constructieve oppositie die het lenteakkoord mogelijk maakte. Voor Marianne Thieme was het de reden om een eventuele fusie met GroenLinks resoluut van de hand te wijzen. Bij die partij is ‘compromisme aan de orde van de dag,’ zei ze op bnr Nieuwsradio. Haar doel op het Binnenhof is ‘de boel ontregelen’. Een beetje zoals Wilders, ‘maar dan voor de goede zaak’.

Vergelijk dat met Klaver, die zichzelf tijdens de campagne vol branie opwierp als potentiële premier. En zelfs als dat niet zou lukken mikte hij op een plek in de regering. ‘Ik wil dáár zijn waar ik onze ideeën het best in praktijk kan brengen en dat is – zoals ik er nu over denk – het kabinet’, zei hij begin maart in een interview met Het Financieele Dagblad. In datzelfde interview nam hij ook afstand van de radicale standpunten van het Griekse Syriza en de ‘onuitvoerbare plannen’ van Jeremy Corbyn. ‘Wij kunnen onze ideeën ook daadwerkelijk waarmaken. We hebben een track record: we hebben verantwoordelijkheid genomen, steeds met het kabinet-Rutte gepraat en ook politieke deals gesloten.’

Het lijkt alsof in de politicus Klaver ‘overtuigingsethiek’ en ‘verantwoordelijkheidsethiek’ om voorrang vechten. Het fameuze begrippenpaar is afkomstig van socioloog Max Weber. In het essay Politiek als beroep (1919) maakt hij het onderscheid tussen de politicus die zich voornamelijk laat leiden door diepgewortelde overtuigingen, en de verantwoordelijke vakman die in de eerste plaats oog heeft voor de resultaten. Weber wordt vaak van stal gehaald door zelfverklaarde pragmatici om idealistische wereldverbeteraars op hun plek te zetten. Volgens zo’n lezing zou Jesse Klaver een dagdromer zijn die blind is voor de effecten van zijn halsstarrige Prinzipienreiterei. Door zijn poot stijf te houden zou hij Nederland opzadelen met een minder groen en minder links kabinet. Daar heeft ook zijn achterban geen baat bij.

Maar Webers boodschap is genuanceerder dan dat. Ja, de socioloog is onmiskenbaar kritisch op de revolutionaire geesten die zich enkel op overtuigingsethiek beroepen. Goede bedoelingen hebben niet zelden funeste gevolgen. En dat er een onoplosbare spanning bestaat tussen de twee ethische grondhoudingen, daar laat Weber geen twijfel over bestaan. Maar tegelijkertijd ‘vormen ze geen absolute tegenstelling, maar vullen ze elkaar aan: samen maken ze de echte mens uit, iemand die de “roeping tot de politiek” kan hebben’. Met overtuigingen alleen red je het niet, maar met een visieloos pragmatisme evenmin.

Dat prominente GroenLinksers na de stukgelopen formatie met opgeheven hoofd verklaarden ‘niet te marchanderen met mensenrechten’ doet vermoeden dat overtuigingsethiek de doorslag gaf. Ook op thema’s als klimaat en ongelijkheid lagen de partijen ver uit elkaar, benadrukte Klaver naderhand, maar het definitieve breekpunt was een principiële kwestie. Toch is de afweging wel of niet deel te nemen aan een nieuw kabinet en zo ja, tegen welke prijs, geen zuivere tweestrijd tussen idealisme en realisme. Het trekken van een ‘principiële ondergrens’ kan evengoed een strategisch besluit zijn. Daar is Klaver zich ongetwijfeld van bewust. Door de verlokking van de consensuspolitiek te weerstaan, wil hij een politiek bedrijven die – in de woorden van Chantal Mouffe – ‘een aanknopingspunt vindt in de verlangens en dromen van mensen’. In de hoop zo zijn progressieve beweging verder uit te bouwen. En in de overtuiging dat hij op die manier zijn idealen uiteindelijk kan omzetten in resultaten.