Vuilnis wordt weer opgehaald in Libië

Tripoli - Terwijl strijders van de Libische Overgangsraad in hoog tempo de laatste bastions van Kadhafi oprollen, herneemt het gewone leven in de hoofdstad zich. Winkels zijn open, vuilnis wordt opgehaald en de meeste mensen zijn weer aan het werk. Daarvan getuigt de volle parkeerplaats in het Dhat al-Imad, het kantorencomplex aan de zeelijn waar bijna alle buitenlandse oliemaatschappijen zijn gehuisvest.
‘Alle seinen staan op rood’, stelde defensiespecialist Rob de Wijk onlangs nog in De Groene Amsterdammer. Maar een scenario à la Bagdad is, vooralsnog in elk geval, uitgebleven. Moammar Kadhafi’s compound in de wijk Bab al-Aziziya en een aantal huizen, toebehorend aan zijn clan, werden leeggeroofd door souvenirjagers. Daar bleef het bij: systematisch geplunderd werd er nergens en de openbare orde is grotendeels hersteld. Reguliere politieagenten namen op talrijke plaatsen het werk over van de Tripolibrigade. Alle strijders hebben hun wapens moeten laten registreren. De willekeurige arrestaties van zwarte Afrikaanse mannen, ervan verdacht zich als huurling door Kadhafi te hebben laten inhuren, blijven weliswaar een bron van zorg. Toch is Peter Bouckaert, emergency director van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, zeer te spreken over de aanpak van de Overgangsraad. 'De routekaart die ze in aanloop naar de bestorming van Tripoli heeft ontworpen heeft gefunctioneerd’, zegt hij in een hotel in de hoofdstad. 'De Raad verdient in dat opzicht een dikke pluim.’ In zijn eerste toespraak in Tripoli droeg Mustafa Abdul Jalil, de voorzitter van de Overgangsraad, vorige week de Libiërs op hun eventuele wraakgevoelens in te tomen en stak de hand uit naar functionarissen van het gevallen regime. Het cynisme waarmee deze vrijwel onmiddellijk de kant van de nieuwe orde kozen, oogt op het eerste gezicht niet bijzonder fraai. Maar het zou wel eens de reddende engel van Tripoli kunnen zijn geweest.
De beeltenis van Kadhafi is nog niet helemaal uit het straatbeeld verdwenen; hier en daar doet zijn portret nu dienst als deurmat. Maar verder lijkt niemand zich nog bijzonder voor hem te interesseren. Gefaciliteerd door de Libische handelsgeest is de stad inmiddels rood-zwart-groen gekleurd. De Omar Mukhtarstraat is bezaaid met stalletjes waar vlaggen, mokken en speldjes met de opdruk van de oude koningsvlag worden verkocht. Het vuur waarmee Libiërs eerst de groene vlag van de Jamahiriya vertrapten en het enthousiasme waarmee zij nu de nationale omarmen, lijkt illustratief voor het verlangen om geografische tegenstellingen en eventuele stamverbanden te overstijgen. Of dat ook gaat lukken zal de komende maanden moeten blijken. Het politieke spel is nog maar net begonnen. Op groen staat het sein nog lang niet, maar oranje is het al wel.