Vuilnisbak

En zijn vingers, soepel en snel, duiken in het voedselreservoir vol afval. En de mijne vliegen over de verlichte toetsen van mijn GSM-toestel. Hij heeft honger en ik wil mobiel communiceren. Twee verschillende attitudes en drie meter ruimte tussen ons beiden.

Het regent. Ik berg het toestel in mijn binnenzak en kijk weer naar zijn vingers. Vijf snavels die feilloos de krenten weten te vinden uit een pap van vette mayonaise, papier, doorweekt deeg, gesmolten kaas, wegwerpzakdoekjes, uitgekauwde gom, uien, half gekauwde hamburger. Hij likt zijn snavels af met zichtbaar genoegen, glimlacht als een heilige op een kale berg en bukt voorover. Nu zijn het zijn ogen die graaien. Vliegensvlug zakt zijn arm tot aan zijn elleboog in de gele ijzeren bak. Ik weet niet of ik moet spugen of watertanden. Het stuk pizza ziet er werkelijk appetijtelijk uit. Mooi rood met gouden vlekjes erop. Alleen het puntje van de driehoek hangt treurig naar de grond. Het zal wel door de regen komen. Hij sluit zijn ogen en zijn lippen blazen een stil gebed op het stuk deeg. Hij bidt. Of is hij plots verzonken in een krankzinnige monoloog? En terwijl hij met zijn linkerhand het voedsel naar zijn mond brengt, verdwijnt de rechterarm opnieuw. Als de arm van een veearts in het achterwerk van een koe. Het is ook de beste vuilnisbak van de stad. Niet zoals die donkergroene die op een brievenbus lijken en waarvan de overheid toevallig één exemplaar tegenover mijn deur heeft neergezet. Soms zie ik vanuit mijn werkkamer iemand ervoor stoppen en zijn hand erin steken. Maar de hoek die door de gleuf wordt gevormd biedt weinig gemak en de bodem met je vingers bereiken is een hachelijke zaak. Bovendien zit er niets anders dan plastic zakjes en lege blikken in de groene bak. Nee, de beste vuilnisbak in de stad lijkt op een buikig tonnetje en heeft bovendien geen deksel. Hij ligt op een gunstige plek. Aan het einde van de beurstraverse, de koopgoot in de volksmond. Als het volk zich door de goot heen worstelt, vult het zijn blikken met fijne lingerie, glimmend leer en spijkerstof, maar zijn maag rammelt. Geduld. Daar aan het einde van de trap begint de bovenwereld en het festijn van geuren en walmen. Het lijkt erop dat men hier bewust een gearomatiseerd kruispunt heeft aangelegd. De odeurs van de V&D-quiches golven over de gegrilde luchten van McDonald’s. Verderop wakkeren de zoetige briezen aan van warme reuzestroopwafels en je proeft de gesmolten boter op de poffertjes. Erdoorheen gejaagd zweven de doorgebakken uitjes, de witte worsten en de exotische kruiden van de pizza’s. En omdat het volk geen maat weet te houden, koopt men altijd meer dan zijn buik kan verwerken. Op zaterdagmiddag, wanneer de vuilnisbakjes uitpuilen, is hij daar vaak te vinden. In zijn grote bruine jas. Ongeveer mijn leeftijd. Als ik hem zie moet ik vaak denken aan de mooiste vakantie uit mijn jeugd. Toen mijn oma ons naar de openbare vuilnisbelt van haar dorp meenam voor een middagexcursie. Kaplaarzen, handschoenen en het karretje van de boerderij. Er was tussen het afval genoeg om de kippen, varkens en konijnen wekelijks te voeren. En soms een stuk plastic speelgoed, een klok of een schilderij. Hij is kieskeurig. Soms haalt hij een broodje te voorschijn dat bijna intact lijkt. Hij vouwt het open, krult zijn lippen, spert zijn neusgaten open, rukt het slablaadje van het broodje, propt het tussen zijn kaken en gooit de rest weer vol dédain in de bak. Bevalt het beleg hem niet? Van de krioelende massa om hem heen trekt hij zich niets aan. Deze wet van onverschilligheid geldt wederzijds. Op de bankjes om de vuilnisbak zitten uitgeputte burgers op hun verse etenswaren te kauwen. Niemand die zich aan hem stoort. Niemand die kokhalst en stikt. Het is alsof alleen ik hem kan zien. Maar ik sta ook niet te eten. Ik heb alleen een piepend GSM-toestel in mijn hand.