Economie

Vuilnisbak

Wie denkt dat beleid gaat over een rationele zoektocht naar oplossingen voor gemeenschappelijke problemen hoeft maar naar TTIP te kijken om ruw uit die droom te ontwaken.

Het idee van een vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie heeft sinds de Europese Interne Markt van midden jaren tachtig en het Noord-Amerikaanse handelsverdrag van begin jaren negentig al verschillende keren op de onderhandelingstafel gelegen.

Steeds strandde het op onwil van beide zijden om serieuze concessies te doen, gebrek aan politiek draagvlak in zowel de VS als de EU en op de complexiteit van meerdimensionele onderhandelingen over protocollen en standaards in verschillende sectoren. Te veel, te ingewikkeld, te ambitieus, te kostbaar, te onvoorspelbaar, te controversieel – niet doen dus. En toch zijn VS en EU sinds de zomer van 2013 over precies zo’n verdrag aan het onderhandelen. Dat roept de vraag op welk probleem TTIP nou precies moet oplossen.

De achtergrond is het stellige voornemen van de politieke elite om niet dezelfde fouten te maken als in de jaren dertig. Vandaar het ‘redden’ van banken, de lage rente, de stimuleringsprogramma’s van 2009 en 2010 en de biljoenen die centrale banken sinds 2008 in het financiële stelsel hebben gepompt. Maar zoals de historiografie voor dummies waar politici zich op beroepen ook leert, was een andere oorzaak van de Grote Depressie de tarievenoorlog die zich in de jaren dertig ontspon. Vandaar dat de G20 zich begin 2009 committeerde aan het openhouden van de handelskanalen. Geen Smoot-Hawley ‘in our time’.

En hoe daar beter recht aan te doen dan door precies het tegenovergestelde te doen. En daar heb je meteen het voornaamste motief voor de nieuwste golf van handelsverdragen die momenteel de wereld overspoelt: CETA, TPP en TTIP. Voorkomen dat we met tarieven de eigen bedrijvigheid beschermen tegen buitenlandse concurrentie en daarmee het globaliseringsproject van de laatste twintig jaar om zeep helpen.

De effecten van TTIP zijn in het slechtste geval desastreus

En vervolgens gebeurt er iets vreemds. Die hele dreiging van een tarievenoorlog blijkt al snel illusoir; behalve ten aanzien van kapitaalstromen is er onder de Davos-elite niemand die serieus aanstuurt op ontvlechting van de mondiale goederen- en dienstenstromen. Niettemin gebruiken de VS onder Obama de crisis om de handelsrelaties met Canada (CETA) en – vooral – Zuidoost-Azië (TPP) te verdiepen door niet alleen de resterende tarieven te schrappen maar ook de marktregels te harmoniseren. Al was het maar om de sleetse hegemonie van de Amerikaanse supermacht voorbij haar houdbaarheidsdatum te tillen.

En als dan vijf jaar na het faillissement van Lehman Brothers de eurozone zichzelf met botte bezuinigingen en lastenverzwaringen bijkans economisch ontmant, is Van Rompuy er als de kippen bij om Obama om ook zo’n verdrag met de EU te smeken. De sceptische Amerikanen stemmen toe onder het motto: eerst zien dan geloven. Inmiddels zijn we drie jaar verder en verlopen de onderhandelingen steeds stroever. Vooral door binnenlands verzet. Burgers, boeren en buitenlui vragen zich terecht af wat die pakken in die achterkamertjes, bijgestaan door schimmige lobbyisten van het grootbedrijf, allemaal aan het bekokstoven zijn. En dus heeft Malmström de omerta van haar voorganger, De Gucht, moeten doorbreken en scheidt de Europese Commissie sinds enige maanden de ene verklaring na de andere af om burgers te overtuigen van het belang van TTIP.

Eerst zou het groei en werkgelegenheid brengen; marktintegratie leidt volgens de spreekstalmeesters van de mondialisering immers tot schaalvoordelen en innovatie door specialisatie. Nu we weten dat de effecten in het gunstigste geval futiel zijn en in het slechtste geval desastreus – de feiten leren namelijk dat marktintegratie vooral gaat over onderhandelingsmacht, belastingontduiking en loonkostenarbitrage – horen we dat argument nauwelijks meer.

Momenteel is het allemaal geopolitiek wat de klok slaat: door TTIP kunnen VS en EU tot in lengten van jaren de marktstandaarden bepalen. Alsof het landen zijn die met elkaar concurreren en niet bedrijven, en alsof niet alle relevante markten stevig in handen zijn van Europese en Amerikaanse grootbedrijven en we dus niets te vrezen hebben van China.

In 1972 publiceerden de bestuurskundigen Cohen, March en Olsen een artikel in Administrative Science Quarterly dat een van de grootste nagels sloeg in de doodskist van het bestuurlijk rationalisme. Veel besluitvorming, aldus de auteurs, wordt gekenmerkt door georganiseerde anarchie. Dat betekent dat beleidsmakers niet rationeel op zoek zijn naar adequate oplossingen voor gedeelde problemen maar dat rondzwervende oplossingen op zoek zijn naar geschikte problemen en daaromheen genestelde coterieën van belanghebbenden die bereid zijn deze oplossingen te adopteren. Het vuilnisbakmodel van politieke besluitvorming noemden de auteurs het.

Geen onwelriekender vuilnisbak dan TTIP.