HET MILIEUDEBAT IN HET VERENIGD KONINKRIJK

Vuilnisbelt in zee

Wie zijn betere milieubeschermers: conservatieven op progressieven? Engeland is verdeeld over de klimaatverandering, en de oorzaken en oplossingen ervan.

In het najaar van 2007 kwam zowel de progressieve Guardian als de conservatieve Daily Telegraph met een bijlage over het milieu. De verschillen in benadering waren opmerkelijk. Op de cover van The Guardian stond een foto van een verzuurd bos, met daaronder de kop ‘Counting the Carbon: what has been achieved in 2007?’ De bijlage ging met name over de menselijke bijdrage aan de klimaatverandering. Dit was het jaar waarin alle smoesjes ongeldig werden, zo wist de krant te melden. De benadering van de Telegraph was anders. Op de voorkant stond een bord met een krop sla en een hand die de thermostaat lager zet. ‘Greener living 24/7. How switched on are you?’ luidde de kop. De inleiding eindigde met de vraag of al onze goed bedoelde pogingen om het milieu te verbeteren wel enig verschil maken. In de bijlage werd de milieuproblematiek beperkt tot huis-, tuin- en keukenvraagstukken. We moeten de was weer buiten laten drogen, onverpakte groenten kopen en wat vaker in eigen land op vakantie gaan. Conservatieven staan argwanend tegenover de menselijke invloed op klimaatverandering en beschouwen milieubehoud meer als een kleine stap op weg naar de idyllische wereld van vroeger, toen de mens meer in harmonie leefde met de natuur en verkwisting zondig was. De twee bijlagen vertellen ook iets over het milieudebat in het Verenigd Koninkrijk, waar idealistische milieuactivisten en de sceptische Conservatieven verschillende antwoorden formuleren op een doorgeslagen liberalisme.

De klimaatverandering gaat op het eiland niet onopgemerkt voorbij, getuige de modderlawines, overstromingen en hete zomers van de afgelopen jaren. In het zuidoosten van het land valt tegenwoordig zelfs minder regen dan in Soedan. Reactie blijven niet uit: gemeenten verbieden vuurwerkfeesten, bedrijven sloven zich uit om milieucertificaten te halen en het ministerie van Milieu produceert het ene alarmerende rapport na het andere. In de Noordzee worden zo veel windmolens neergezet dat de aardkloot weldra zal opstijgen.

Theorieën omtrent de menselijke invloed op klimaatverandering zijn moeilijk te verifiëren. Meestal blijft het bij speculeren en gissen. Hot air is een onvermijdelijke woordspeling die dagelijks wordt benut om de theorieën aan te duiden. De scepsis jegens het grote verhaal van de klimaatverandering kwam fraai naar voren bij een rechtszaak van een vader die een school voor het gerecht daagde omdat zijn zoon zonder waarschuwingen was blootgesteld aan Al Gore’s film An Inconvenient Truth. Hij kreeg steunbetuigingen en scholen werd aangeraden ook de documentaire The Great Global Warming Swindle te tonen. In het boek Scared to Death: From BSE to Global Warming schrijven Christopher Booker en Richard North dat de angst voor virussen, epidemieën en ook klimaatverandering overdreven is. Ze hekelen met name de rol van experts, die paniek zouden zaaien om hun eigen bestaan te rechtvaardigen. Politici en media maken graag gebruik van de doem.

Een scepticus als de empirische socioloog Frank Furedi koestert evenzeer een maar al te Brits wantrouwen jegens ‘experts’ die klimaatverandering beschouwen als het nieuwe terrorisme, Londen al half onder water zien staan en ontkenning ervan gelijkstellen aan ontkenning van de holocaust. Furedi noemde Al Gore de personificatie van onze angstcultuur: ‘Gore is de ideale woordvoerder voor een tijdperk waarin elke menselijke daad gepaard gaat met een gezondheidswaarschuwing. Nu is hij met zijn Nobelprijs toegetreden tot een pantheon der heiligen, waar ook Moeder Teresa deel van uitmaakt. In een wereld waarin koel redeneren is vervangen door apocalyptisch denken is er vraag naar individuen die krachtige voorzichtigheidsverhalen kunnen voordragen. En global warming is de moeder van al deze verhalen. Het integreert elk aspect van modern menselijk leven in een alomvattend verhaal van hebberigheid en destructie.’ Furedi, een voormalig marxist, herkent een neomarxistische strategie bij milieuactivisten: het inpassen van alles wat er gebeurt in de eigen theorie.

De aanwezigheid van deze strategie is geen toeval, omdat progressieve milieubeschermers het milieu gebruiken om alsnog hun zin te krijgen en de kapitalistische maatschappij grondig te veranderen. Brendan O’Neill, een andere voormalige marxist en collega van Furedi bij het webtijdschrift Spiked, hekelt het antikapitalistische sentiment binnen de progressieve milieubeweging. Hij wijst erop dat Marx juist een voorstander was van de consumptiemaatschappij, die hij in zijn geschrift Grundrisse een beschavende kant van het kapitaal noemde. Volgens Marx was de natuur bestemd om te worden uitgebuit om aan de verlangens van de massa te voldoen, een idee dat aansluit bij de neoliberale gedachte. ‘Het is treffend’, schrijft O’Neill, ‘dat wat een bebaarde communist anderhalve eeuw geleden omschreef als beschavend – the chatter and charms of consumerism – nu door antikapitalisten wordt afgeschreven als gevaarlijk en corrumperend.’ Volgens O’Neill gebruiken progressieve milieuactivisten het milieu als morele chantage binnen een politieke strijd, waarbij ze hun eigen controversiële interpretatie van het goede leven aan iedereen willen opleggen. Liever dan naar Gore te kijken, lezen zulke sceptici de dagboeken van Samuel Pepys, die op 21 januari 1661 zijn verbazing uitte over het feit dat de lente al was begonnen zonder dat het werkelijk winter was geweest. Dit historisch besef was ook aanwezig bij een ingezonden-briefschrijver naar The Daily Telegraph, blijkens de opmerking waarmee hij zijn epistel afsluit: ‘Het gerommel met de pleziertjes in ons leven, waarvoor we hebben gewerkt en die we hebben geërfd van een regelmatige vooruitgang van de beschaving, weerspiegelt een pathetisch begrip van de realiteit, van de minieme betekenis van de mensen in de grote orde der dingen.’

Uit het laatste stuk van dit citaat blijkt een relativeringsvermogen waaruit een waarschuwing spreekt tegenover een al te enthousiaste houding van de mens, die immers snel kan omslaan in radicalisme. Of, in de woorden van het kunstenaarsduo Gilbert & George: ‘Te veel natuur leidt tot totalitarisme.’ De eerste generatie Groenen gleed maar al te regelmatig uit naar extremisme. Hetzelfde mechanisme was te zien bij acties tegen wetenschappers die zich bezighouden met dierproeven, en tegen multinationals. Volgens de conservatieve historicus Niall Ferguson is niet een utopische fantasie de beste basis voor beleid, maar een verlicht eigenbelang, waaruit hij concludeert dat conservatieven effectievere milieubeschermers zijn dan idealisten. De conservatieve filosoof Kieron O’Hara voegt eraan toe dat de progressieve milieustrijder vaak alleen denkt aan toekomstige generaties, terwijl de conservatief naar beide kanten kijkt, soms zelfs meer bezorgd is om de doden dan om de nog niet geborenen. Hij ziet het gebrek aan fanatisme gekoppeld aan een respect voor het verleden als een positieve kant van de conservatieve visie op het milieu. O’Hara wijst in zijn boek After Blair: David Cameron and the Conservative Tradition op enkele interessante parallellen tussen conservatisme en natuurbehoud: ‘De gemeenschappelijke etymologie van de woorden “conservative” en “conservation” is natuurlijk geen toeval. Bij het verwerpen van de instrumentele rede staat de conservatief open voor het idee dat waarde verder gaat dan de ruilwaarde. Een conservatief rangschikt het landschap, de architectonische schoonheid bij de belangrijke aspecten die een maatschappij moet bewaren. Net als de groene wereldverbeteraar is de conservatief tegen het idee van individuele autonomie; een daad van een individu raakt iedereen en politiek is niet simpelweg een zaak van verzekeren, zoals de neoliberalen denken, dat de economie de voorkeuren van individuen nakomt. Een bijzonder interessante overlapping tussen conservatisme en progressief milieubehoud is hun gezamenlijke zorg aangaande rechtvaardigheid en bezit tussen verschillende generaties. Elke stap heeft betrekking op de mensen die niet meer, of nog niet, in leven zijn.’

Waar Tony Blair een decennium geleden pleitte voor een Derde Weg op sociaal-economisch gebied, daar kiest de Conservatieve partijleider David Cameron tegenwoordig voor een derde weg tussen milieufanatici die terug willen naar het houten tijdperk en vrijemarktdenkers die de zorgen over het milieu gemakzuchtig afdoen als sentimentele, linkse propaganda. Cameron fietst van Notting Hill naar Westminster, is dol op zijn moestuin en heeft een windmolen op het dak van zijn huis gezet. Het Conservatieve hoofdkwartier werd gekscherend het Conservative Biodiversity Centre genoemd. Op de gastenlijst van de Conservatieve partijconferentie prijkte opeens de naam van de milieujournalist George Monbiot, die de stemming van decadente onbezorgdheid met betrekking tot het milieu vergelijkt met de laatste dagen van het Romeinse Rijk, waar men feestend de ondergang tegemoet ging. De Cameroons pleiten ervoor grote bedrijven ethisch te laten ondernemen. Behalve het greenmailen van Big Business heeft David Cameron regelmatig nog meer nuttige tips voor zijn landgenoten, zoals het eens per dag een stukje zwerfvuil oppikken van straat en het niet helemaal vullen van de fluitketel voor een kopje thee. Geluk schuilt volgens hem in de kleine dingen, zoals het gebruik van een rieten mandje bij het winkelen. Milieubesparing is hier een vrijwillige feel-good affair, geen gecompliceerde, door de overheid opgelegde dagtaak.

Het gedachtegoed van Adam Smith is deels vervangen door dat van William Wordsworth, die behalve romantisch dichter ook de eerste milieubeschermer was. Hij vocht tegen de katoen- en wolhandelaren die hun villa’s in de mooiste valleien van ‘zijn’ Lake District begonnen neer te zetten. Tijdens een debat over de bouw van een wolkenkrabber langs de Theems en de bijhorende horizonvervuiling citeerde de Conservatieve Lord Baker of Dorking een paar regels die Wordsworth had gewijd aan het uitzicht vanaf Westminster Bridge: ‘Earth has nothing to show more fair:/ Dull would he be of soul who could/ Pass by a sight so touching in its majesty.’

De transformatie uitte zich in het nieuwe logo van de partij. De fakkel van het strijdlustige kapitalisme is vervangen door een eik, getekend door een kind, zoals dat in het contemporaine Engeland hoort. Deze boomsoort kan worden gezien als een directe verwijzing naar het gedachtegoed van Edmund Burke, de aartsvader van het Britse conservatisme, waar ‘de koning van het woud’ staat tegenover de ‘vrijheidsbomen’, veelal linden, die door de Franse revolutionairen werden geplant. Volgens Burke moet een fatsoenlijk politiek systeem de kenmerken van een eik bezitten: langzaam maar zeker groeien, ijzersterk zijn en diep in de aarde wortelen. In de filosofie van Burke en in de poëzie van Wordsworth zijn het de vorsten, de machtigen, zelf die als eiken bescherming bieden aan de kleinere gewassen, de subjecten, om hen heen, hetgeen tegenwoordig bekendstaat als compassionate conservatism.

Hoewel de traditionele conservatieven zich ophouden in de shires, is het natuurlijke domein van de Cameroons – milieubewuste urbanites als opvolgers van de egoïstische yuppen – het platteland in de stad, de boerenmarkten van Portobello, Greenwich en Borough in Londen. Dit zijn de literaire salons van de 21ste eeuw, waar niet wordt gebabbeld over T.S. Eliot of W.H. Auden maar over Wensleydale en Colchester Blue. De urbanite is de synthese tussen de bevlogen idealist met sandalen en de plattelandsconservatief in tweed. Net als Cameron hebben deze zogeheten minced metrosexuals, verwijfde stedelingen, nauwelijks interesse voor marxisme, kapitalisme en andere ‘ismen’ die tot niets anders leiden dan extremisme. Ze zijn, op z’n Engels, intelligent zonder intellectueel te zijn.

Een typische metroseksueel is Zac Goldsmith, de enige joodse varkensboer ter wereld, hoofdredacteur van The Ecologist en zoon van James Goldsmith, miljardair en voormalig lijsttrekker van de anti-Europese Referendum Party. En natuurlijk de milieuadviseur van Cameron. Deze Golden Boy of English environmentalism steunt waar mogelijk de kleine middenstand tegen de almacht van de grote supermarkten. Napoleons denigrerende opmerking dat Engeland een middenstandsnatie is, beschouwt hij als een compliment. Voor hem en andere conservatieven hangt een beter milieu nauw samen met een terugkeer naar kleinschaligheid, waarbij een appel niet eerst vijftigduizend kilometer aflegt eer deze bij de consument is en waarbij voorverpakte maaltijden weer plaatsmaken voor vers onbespoten eten. Het tekent de nieuwe verhoudingen in de politiek. New Labour is de stem van Big Business, terwijl de Cameroons opkomen voor de kleintjes.

Uit het voorgaande blijkt tevens dat ‘groen leven’ een statussymbool geworden is, waarbij de positieve impact op het milieu eigenlijk bijzaak is. Wat heeft plaatsgevonden, is de omkering van de these van Thorstein Veblen. Deze Amerikaanse zoon van Noorse immigranten werd eind negentiende eeuw beroemd door zijn theorie over de rijke sociale klasse, de leisure class. Deze vrijetijdsklasse onderscheidt zich van andere door nietsdoen en ostentatieve consumptie. Veblen had vooral de Amerikaanse nouveaux riches op het oog. Voor hen was het verspillen van geld en middelen een manier om hun superioriteit te tonen. Aan het begin van de 21ste eeuw is het omgekeerde het geval. Conserveren is in Groot-Brittannië juist iets om tegen op te kijken. De Cameroons rijden rond op de fiets of in zuinige auto’s als de Toyota Prius en de G-Wiz, kopen biologisch eten en hechten meer waarde aan Goldsmith’ Happy Planet Index dan aan het bruto nationaal product. Zij lezen boeken als How Many Lightbulbs Does it Take to Change a Planet? of Rubbish: A Chronicle of Waste.

Terwijl de traditioneel ingestelde leden van plattelandsgemeenschappen, de urbanites van Notting Hill of de vrijwilligers van Friends of the Earth zuinig aan doen, is verspillend consumeren de norm geworden van ‘the man on the Clapham omnibus’, zoals de gewone man in Engeland wordt aangeduid (‘the man in the Ford Mondeo’ zou trouwens een betere typering zijn). Voor deze mensen is ‘consuminderen’ een vloek, een soort omgekeerde decadentie en bovendien in strijd met de grondprincipes van retail therapy. De economie van een gedemocratiseerd hedonisme valt of staat met consumeren en het creëren van afvalbergen. Na Ben Nevis en Snowdon vormt de ijskastenberg zo langzamerhand het hoogste punt van het green & pleasant land.

Een symbolische rol hebben de zogeheten carrier bags gekregen, plastic tasjes die door Tesco, Sainsbury en andere supermarkten sinds de jaren zeventig gratis worden uitgedeeld. Gemiddeld verbruikt een Brit er 134 per jaar. Langzaam dringt het besef door dat zo’n zakje tot in de 27ste eeuw in de natuur zal blijven liggen of belandt in de magen van dolfijnen, en komen er plannen om ze net als in Nederland, Ierland en Frankrijk te belasten, of zelfs helemaal te verbieden. In het voorjaar van 2007 schakelde Sainsbury de bekende tassenontwerpster Anya Hindmarch in om een houdbare tas te ontwerpen. Ze maakte er eentje met de magrittiaanse tekst: ‘I’m not a plastic bag’, en honderden mensen stonden in de rij om voor vijf pond zo’n hippe tas te bemachtigen, een tas die eigenlijk te mooi was om te gebruiken. Onnodig te zeggen dat caissières hem in een plastic tas deden.

De ijskastenberg en de plastic tasjes zijn tekenen dat het verlichte eigenbelang van de Conservatieven sinds grofweg de jaren zestig heeft plaatsgemaakt voor een absoluut eigenbelang van de neoliberalen. De publieke zaak, de basis van elk effectief milieubeleid, is in de laatste drie decennia nagenoeg verdwenen. De balans tussen conservatisme en liberalisme, een constante in de Britse geschiedenis, is vooral in de jaren tachtig doorgeslagen naar een radicaal individualisme. In 1988 waarschuwde de Conservatieve premier Margaret Thatcher tijdens een lezing bij de Royal Society voor klimaatverandering. Denkend aan Burke zei de kruideniersdochter: ‘De kern van de Tory-filosofie en het beschermen van het milieu zijn hetzelfde. Geen enkele generatie bezit onze planeet. We hebben een levenslange pacht met een plicht tot reparatie.’ Ondanks deze woorden en het feit dat ze nooit vergat haar boodschappentas mee te nemen naar de supermarkt leidde Thatchers beleid in de praktijk tot een neoliberale ieder-voor-zich-en-God-voor-allen-mentaliteit, een maatschappij waar iedereen eerst voor zichzelf zorgde en als er tijd over was, wat meestal niet het geval bleek te zijn, voor een ander. Berucht was Thatchers uitspraak dat iemand die na zijn 26ste nog steeds de bus moet nemen, die van Clapham bijvoorbeeld, een mislukkeling is, wat nauwelijks een aanbeveling kon worden genoemd om meer van het milieuvriendelijker openbaar vervoer gebruik te maken. Het sceptische conservatisme staat in de schaduw van het cynische neoliberalisme. Het zou nog een kleine twintig jaar duren eer de Conservatieven een serieus milieubeleid gingen ontwikkelen en hun wortels als natuurlijke milieupartij gingen herontdekken.

Intussen is de vertrouwensband tussen burger en overheid sterk verzwakt. Politici hebben jarenlang geroepen dat staat en overheid moeten plaatsmaken voor de vrije markt. Nu burgers zijn vervangen door consumenten blijkt het lastig om mensen aan te spreken op hun burgerplicht. Er heerst cynisme aangaande de goede bedoelingen van de overheid, zeker in deze tijd van effectbejag en propaganda. Elke milieubelasting wordt gezien als een slinkse manier van de overheid om meer geld binnen te krijgen, en wanneer energie- en waterbedrijven vragen om zuiniger aan te doen, is de eerste reactie vaak, overigens niet zonder reden: ‘Wanneer we allemaal onze elektriciteitsconsumptie hebben gematigd, zullen de elektriciteitsbedrijven dan hun lagere winsten en omzetten accepteren?’ Op zijn beurt deinst het politieke establishment – en het koninklijke, aangezien prins Charles onvermoeibaar strijdt voor een schoner milieu – terug voor ingrijpende maatregelen. Toen een minister in 1998 het plan opperde een rubbish tax in te voeren, waarbij de burger meer betaalt naarmate hij meer afval produceert, eiste de communicatiemanager dat dit voorstel direct ‘uit het nieuws’ werd gehaald.

Dat het invoeren van die persoonsgebonden afvalbelasting zou hebben geleid tot een enorme toename van zwerfvuil heeft te maken met het ontbreken van een gemeenschapsgevoel, de ouderwetse Gemeinschaft. In kranten duiken verhalen op over de oorlogstijd, waarin vrouwen en kinderen lege blikjes verzamelden, waarin iedereen zijn eigen stukje straat en stoep schoonhield. Binnen de neoliberale cultuur van Thatcher en zonen is Aristoteles’ voorspelling uitgekomen dat wat niemand beheert, door niemand zal worden verzorgd, of het nu gaat om de atmosfeer, het strand of de berm van een autoweg.

Verscheidene intellectuelen ergeren zich aan dit verval. Theodore Dalrymple vermoedt dat de Britten in het stadium zijn beland dat ze er helemaal geen erg meer in hebben: ‘Tijdens een recente autoreis van Londen naar Glasgow merkte ik dat de berm van de weg een langgerekte vuilnisbelt was – mensen raken van hun afval af zoals schapen en koeien hun stront achterlaten, zonder zich er bewust van te zijn, zorgeloos, zonder na te denken.’ Ook televisiepresentator Jeremy Paxman stoort zich aan de desinteresse van zijn landgenoten voor het milieu waarin ze leven. Paxman vergeleek mensen met dieren: ‘De reden dat mensen hun troep uit het raam van hun auto gooien is, zo moge duidelijk zijn, dat ze het niet binnen willen hebben. Ze willen het niet binnen hebben omdat dit een ruimte is waar ze zich persoonlijk verantwoordelijk voor voelen. “Buiten” is van iemand anders, of, waarschijnlijker, van niemand. Zwerfvuil gaat over meer dan de verlelijking van ons land. Het vertelt ons iets over wat voor een land we zijn geworden. Net als dieren bevuilen mensen doorgaans niet hun eigen nest. Maar ze vinden het gewoon om rotzooi te dumpen net zoals imbecielen zich geroepen voelen om bushokjes te vernielen, bankjes in het park kapot te maken en telefooncellen als urinoirs te gebruiken: ze hebben niet het gevoel dat de openbare ruimte van hen is.’

De overheid probeert middels prullenbakken en borden het tij te keren, maar de geest lijkt uit de fles te zijn. Een illustratie hiervan was een waarschuwingsbord langs een autoweg met de mededeling: ‘Dit is geen stortplaats’. Daarachter lag een opeenhoping van blikjes, flesjes, bumpers, oude kranten en theeketels.

Bovenstaande tekst is een bewerking van een hoofdstuk uit Londen denkt _(uitgeverij Boom)

Medium londendenkt

Bestel_