Vuilnisman

‘DAT SOMS de soep over je heen slaat als je de container van een restaurant leegt, is tot daar aan toe. Maar maden, daar wordt ik onpasselijk van. Dan wil ik over mijn nek. Soms zie je ze langs de bak wegkruipen, vooral bij de Chinees. Vaak doen ze te veel vuil in een container zodat de klep niet meer dicht kan. Dan kunnen de vliegen erbij en die leggen hun eitjes graag in vleesafval. Maden die over je heen lopen, dat went nooit. Godzijdank was ik vorig jaar tijdens die hete zomer op vakantie. Volgens collega’s was het toen vreselijk.

Vroeger, toen we bij Bedrijfsafval nog met zakken werkten, was het nog erger. Hadden die Chinese restaurants hun afval een week lang in de tuin staan. Die scheurden open. Dan kreeg je het helem††l over je heen. Natuurlijk word je dan kwaad, maar je kan er niets aan veranderen. En die troep m¢et weg. Om ziektes te voorkomen. Vreselijk belangrijk, dat werk van ons.’
‘IK BEN BEGONNEN in de Bolletjesploeg. Dan doe je alles. Gras tussen stenen weghalen, straten vegen, plantsoentjes schoffelen, parken bijhouden. Daarna kwam ik bij Vegen in vaste dienst. Uiteindelijk heb ik gesolliciteerd bij Huisvuil. Ik begon daar als belader. Dat klinkt mooi, maar het enige wat je doet is zakken in de wagen gooien. Uiteindelijk mocht ik op kosten van de Reiniging mijn groot rijbewijs halen.
Nu ben ik chauffeur/belader. Da’s een combifunctie, dus ik rouleer. Ik zit in het bedrijfsafval Çn in het huisvuil, rayon Amsterdam-Rivierenbuurt. Als chauffeur zit je goed bij Huisvuil. Degene die rijdt gooit het minst, want tegen de tijd dat je uit de wagen bent, hebben de anderen de zakken al in de bak gemikt. Bij Bedrijfsafval moet ik vaker achter het stuur vandaan. We zitten maar met z'n twee‰n op een wagen. En bedrijfsafval zit in van die grote, zware containers, dus dat moet met vier handen.
Er zijn containers van 1000, 660 en 240 liter. We hebben een speciale wagen om ze te legen. Dat doen we op maandag, woensdag en vrijdag. We rijden naar bedrijven die klant zijn van het stadsdeel. Dat is allemaal commercieel geregeld tegenwoordig. We krijgen een lijst mee waarop staat voor hoeveel containers een bedrijf een contract heeft afgesloten. We houden bij wat we meenemen. Een goochemerd kan best twintig zakken naast zijn containertje zetten, maar die teken ik aan. Daar moeten ze extra voor betalen.’
'IN ONS RAYON zijn veel winkels. Winkeliers die een contract hebben, kennen ons wel. Je ziet ze soms drie keer per week. Het is belangrijk dat de relatie goed blijft. Zij moeten van dat vuil af en wij willen lekker kunnen werken. Ik ben niet zo dat ik ga vragen om een bakje koffie of een stukkie fruit. Maar uit zichzelf bieden ze het meestal niet aan. Dat komt doordat sommige winkeliers goed de kolere hebben in ons van Bedrijfsafval. Vroeger betaalden ze een vast tarief. Tegenwoordig moeten ze soms wel drie of vier keer zo veel dokken. Het is hun eigen schuld. Bedrijven lieten veel meer vuil ophalen dan waarvoor ze betaalden. Dat werd doorberekend aan de particulieren. Dus werd Bedrijfsafval in het leven geroepen, ongeveer twee jaar geleden. Vroeger konden winkeliers maar een keer in de week hun bedrijfsvuil aanbieden. Hadden ze die zooi zes dagen lang in de winkel staan. Nu kan het desnoods drie keer in de week worden opgehaald. Is toch prachtig voor ze? Helemaal als ze ruimtegebrek hebben.
Als je geen Chinezen op je weg vindt, is Bedrijfsafval een prima job. Containers naar de wagen rollen, bevestigen, knoppie indrukken en klaar is kees. Je hoeft de containers niet te sjouwen, de wagen tilt ze op. En je zit lekker lang in de auto, want de adressen liggen verspreid over het rayon.
Nee, dan huisvuil. Daar zijn geen containers bij, enkel zakken. Veel zwaarder dan bedrijfsafval. Gelukkig doe ik dat maar twee dagen per week.
Een groep zakken netjes bij elkaar noemen we een pluk. Een puist is een berg op elkaar geflikkerde zakken. Die kom ik liever niet tegen. Vandaag waren we in een wijk waar gerenoveerd wordt. Dan heb je geheid puisten. Keukenkastjes, klein hout, alles wat in een zak past, proppen ze erin. Het is de bedoeling dat mensen huisvuilzakken, de GFT-bak en grof vuil netjes naast elkaar aanbieden. Maar meestal ligt alles door elkaar. Dan moet je eerst de GFT-bakken wegtillen voordat je de zakken kunt laden. Als er dan ook nog grof vuil in de weg ligt, word je niet goed.
Grof vuil is wat ze niet in een zak krijgen. Oude deuren, bankstellen, hele rollen vloerbedekking. Daarvoor hebben we de grofkieper, een wagen met een kraan. Die pakt alles op en kiepert het in zijn laadbak. Rijden op de grofkieper is wel relaxed. Eentje bedient de kraan, de ander zorgt ervoor dat het vuil zo staat opgesteld dat het makkelijk weggehapt kan worden. Maar ja, soms zetten de mensen het grove spul vijftien meter van de stoeprand en dan moet je alsnog sjouwen.
Of het staat pal naast een auto. Het wil wel eens gebeuren dat het uit de happer dondert, bovenop een wagen. Dan moet je een briefje onder de ruitenwisser doen, dat ze contact kunnen opnemen met de Reiniging. Best lullig misschien, maar als de mensen hun vuil niet goed aanbieden, maak je automatisch schade.
Het gaat de laatste tijd wel beter door het betaald parkeren. Geen auto’s meer dubbel, niet meer in de bochten. Maar we nemen nog steeds af en toe een spiegel of een bumpertje mee. Dat is onvermijdelijk.’
'WAARDERING VOOR dit vak? Van wie? De mensen die het huisvuil aan de stoeprand zetten, zie je niet. En ze maken er af en toe een janboel van. Z£lke puisten. Daar spreekt niet veel waardering uit. We hebben natuurlijk wel de reinigingspolitie. Die zetten we erop als het echt niet deugt. Als er zakken met puin tussen het huisvuil staan, bijvoorbeeld. Dan wordt uitgezocht van wie die zijn. Moeten ze bijlappen.
Waar veel ouwe mensjes wonen is het vrij schoon. Dat merk je meteen. Er is hier een buurt waar het sociaal een stuk minder is. D††r is het smerig. Afval in kapotte dozen en plastic tasjes, alles door elkaar. En zakken die niet zijn dichtgebonden. Kijk je recht in de inlegkruisjes. Laatste stapte ik uit, midden in een strontluier. Pal naast het wiel lag die. Kon ik niet zien.
Er zijn van die gasten die ’s nachts door de wijk gaan en kijken of ze iets kunnen vinden bij het vuil. Mensen gooien hele goeie spullen weg. Tv’s die het nog doen, videorecorders. Van alles. ’s Ochtends weghalen, ’s middags verkopen. Daarmee kun je redelijk verdienen, maar zelf heb ik absoluut geen zin om in het afval van iemand anders te graaien.
De ergsten zijn de zakkenscheurders. Die scheuren de zakken echt open. Dat wordt een vreselijke puinzooi. Daar doe je niets tegen, want je betrapt ze nooit. We kunnen alleen maar constateren dat het een kolerezooi is en dat doorgeven aan de reinigingspolitie. De ergste troep wordt opgeruimd door de veegploeg die na ons komt.’
'HET VIEL MEE vandaag. We hebben iets meer dan twaalf ton opgehaald. Soms hebben we wel vijftien ton. Per persoon gooi je twee‰neenhalf, drie ton in een uur. We maken vrij korte dagen. Je kunt niet acht uur per dag zakken gooien. Dan ben je binnen een maand afgekeurd. Als je het verkeerd doet, gaat je rug eraan. De eerste dagen heb je last van je vingertoppen, door het grijpen. Maar na drie, vier dagen voel je niets meer. Hoogstens wat spierpijn in je schouders. Tegenwoordig gooi ik zoals het echt hoort: met de benen. Dan heb je geen centje pijn. Als je hier komt werken, wordt je dat niet geleerd. Je komt er vanzelf achter. Ik ga hier nog wel even mee door. Voor mijn rug ben ik niet bang. Ik ben pas twee‰ndertig.
Vrouwen kunnen dit werk best aan. Ik heb ÇÇn keer met een vrouwelijke belader gewerkt. Dat ging prima. Maar je ziet ze zelden op de wagen. Het blijft een echt mannenwereldje. Er wordt stevig gescholden. Je moet mijn maten eens horen als ze weer eens in de stront grijpen. Dat honden tegen de zakken aan piesen, okee. Maar soms liggen de drollen erbovenop. Je vraagt je af hoe zo'n beest op zo'n zak komt. Het moeten flinke honden zijn. Kun je trouwens zien aan het formaat drol.’
'HET VUIL OPHALEN duurt zo'n drie, vier uur per dag. Daarna maken we de wagens schoon. We klappen de cabine naar voren en dan kunnen we de bak in. De restjes wegscheppen en dan flink met de wap. Dat is een hogedrukspuit. Da’s wel nodig, want bij het persen komt veel stinkend vocht vrij. Dat kruipt door de naden van de laadbak. We hebben een slang onder de wagen om het af te voeren, maar soms is die verstopt. Als je dan een bocht neemt of remt, flikkert al die derrie over straat en met een beetje pech over een auto die naast je rijdt. Dat is het risico van ons vak. Voor anderen dan.’