Ger Groot

Vuiltje

Op de foto staat een bouwput met daarin drie mannen. Een van hen nog met de voeten in het vloeibare beton, de andere twee staan dicht bijeen. Eén kijkt met half afgewend gelaat de ander aan, diens linkerhand rust losjes op zijn wang. Zijn blik lijkt ingespannen gericht op zijn collega, maar de afstand is te groot om dat precies te zien. Het onderschrift verduidelijkt wat er gebeurt: ‘Vuiltje, Gent, 2002’.

De foto werd genomen door Hans Aarsman en is opgenomen in de bundel Teder, samengesteld door Daniel Koning en Bernd Wouthuysen (uitgeverij Lubberhuizen). In totaal 88 foto’s van 87 fotografen verzamelden ze in een boek dat de wereld van de persfotografie moest weerspreken. Nieuws is altijd slecht nieuws, zo schrijven ze in hun korte toelichting. De andere zijde daarvan krijgt in dit boek alle ruimte.

Dat is een hachelijke onderneming, want goedheid leent zich licht voor kitsch en schmieren, zo stelt de filosofe Marjolein Februari in haar voorwoord vast. Liever wapenen we ons dan ook tegenover onze eigen vertedering en trekken het cynische harnas aan dat ons bij voorbaat voor teleurstellingen behoedt. Wie voorbereid is op een harde wereld wordt door haar nooit meer werkelijk getroffen. En wie zich ook gewapend toont, bespaart zichzelf het risico van de belachelijkheid.

En daarmee, zo schrijft Februari, ‘is de wereld weer een iets onaangenamer plek geworden om te verblijven’. Het risico van de vertedering heeft dan ook iets van de hachelijkheid van het redden van de wereld zelf. Bij voorbaat weet ze dat ze het zal verliezen van zowel de tegenkanting van de realiteit als van de smalers die hun menselijk kapitaal daarop voor alle zekerheid vast inzetten. Het gevolg is even paradoxaal als onvermijdelijk. Beschaamd voelt zich van begin af aan iedere poging de wereld vrij te pleiten van een cynisme dat zichzelf alleen maar realistisch kan noemen door te verzwijgen dat het zelf op die goede wereld parasiteert.

Heimelijk gaat immers ook de cynicus uit van de betrouwbaarheid die hij in de wereld zo opzichtig ontkent – wetend dat zijn eigen hypocrisie bevestigt wat hij zelf verkondigt: vertrouw geen mens, vertrouw geen wereld. In zo’n universum is elke tegenspraak buitenspel geplaatst en kan tederheid zich slechts tonen in een beschroomde aandrang die zich niet laat afschrikken door het risico van ridiculiteit of slechte smaak.

Van die hachelijkheid getuigt dit boek bijna negentig foto’s lang. Soms scheren ze langs het vanzelfsprekende van lieve meisjes of mooie horizonnen. Soms zoeken ze het andere uiterste in een bebloede torero na het gevecht, politierekruten met een pistool in de hand, Groene Baretten in draf – één wordt, uitgeput, aan het ransel door een ander meegetrokken – of bouwarbeiders met grove vingers en een vuiltje in het oog.

Tussen die uitersten in zitten de foto’s: de Ethiopische moeder die het waterhoofd van haar baby op een behandeltafel vlijt; het naaktportret van een oude man, de vader van de fotograaf vermoedelijk, een moeder in Jakarta die haar dochter kamt, haar hutje op geen meter afstand van een langsrazende trein.

Teder is alleen het gebaar van de metaalarbeider die een vat met vloeibaar ijzer in de gietvorm schenkt – of liever nog zijn blik: al het andere op de foto ademt oud-industriële kilheid. En daarom, aldus Februari, is het onze blik die deze foto’s teder maakt. Niet de wereld is het, maar de wijze waarop we haar zien. In onze blik wordt het gevaar dat alles wat beminnenswaard is onophoudelijk bedreigt tegelijk erkend en afgewend. De tederheid waarmee we kijken wil een pantser zijn dat wat ontroering wekt beschut tegen wat het zou kunnen schaden.

Daarom veronderstelt zij dat de cynicus gelijk heeft in zijn geloof in slechtheid overal – maar ongelijk in de uitputtendheid daarvan. De tederheid weet zich daartegenover niet de mindere, maar evenmin de sterkste. Alleen in die ongewisheid kan ze zich ontplooien – en daarom zijn zoveel van de foto’s in dit boek zo ambigu. De sterkste zijn misschien wel die, die op zichzelf haar niet direct oproepen. Zij hebben de verzameling en titel van dit boek nodig om erin los te maken wat ze vervolgens onbetwistbaar gaan belichamen.

Het bloed op het gescheurde vest van de torero toont de kwetsbaarheid die plotseling gaat spreken uit zijn blik. De ogen van de jonge politieman staan nog vol ongeloof over het wapen in zijn hand. Groene Baretten zijn aan het eind van hun Latijn – en toch sleept de een de ander erdoorheen. Een grove Gentse bouwvakker veegt eindeloos geduldig een vuiltje uit een oog.