Vurig verlangen naar harmonie

IN ZIJN NIEUWE roman De Phoenix neemt Paul Claes de lezer opnieuw mee naar een ver verleden. Daar lijkt hij zich als romancier het meest thuis te voelen. In zijn romandebuut De sater (1993), het boek waarmee hij een Ako Literatuurprijs-nominatie afdwong, was de klassieke oudheid zijn decor. De zoon van de Panter (1996), een verhaal over de Verlosser, speelt in het Nabije Oosten en neemt een apocriefe reconstructie van een van de vele verketterde evangeliën tot uitgangspunt. Die roman gaat in veertien elkaar aanvullende en tegensprekende versies in op de altijd wijkende goddelijke waarheid.

God en het geloof zijn opnieuw prominent aanwezig in De Phoenix. Daarin zet Claes een flinke stap richting de moderne tijd. Hij komt nu uit in de Renaissance, het tijdperk van ontdekkingstochten, van vaak bloedige veroveringen op vreemde continenten en van nieuwe denkbeelden. De humanistische intelligentsia uit deze jaren heropent de schatkamers van de oudheid en ontdekt daarin allerlei verloren gegane ideeën en inzichten.
Het is met name deze denkwereld die Claes bovenmatig interesseert. Het avontuurlijke in zijn nieuwe roman zit dan ook niet in spannende of huiveringwekkende verhalen over list, strijd, ontberingen en bedrog, maar in het ingenieuze spel dat hij ensceneert met het overgeleverde gedachtengoed, met de ambitieuze Pico della Mirandola (1463-1494) als spil. Hij was de eerste die de mens en niet God in het middelpunt van de schepping zette.
Je zou De Phoenix een allegorie over het lezen kunnen noemen, geschreven in de vorm van een whodunnit. Tegelijk is het boek een hommage aan de omnivore lezer, de rusteloze spoorzoeker en onverzadigbare beschouwer van allerlei gevoels- en denkwerelden. Zelf is Paul Claes er een van niet geringe reputatie. Zo verdiende hij zijn sporen als exegeet van het werk van Hugo Claus en Rainer Maria Rilke en leverde hij bekroond vertaalwerk van onder andere de poëzie van Rimbaud. Hij maakte een knappe pastiche van Joyces Ulysses en stak die roman ook nog eens met een bijzondere vertaling in een nieuw jasje.
DE PHOENIX is historische roman, liefdesgeschiedenis, filosofisch tractaat en detective in één. Het is 1694. Het ‘zondige Babylon’ Florence beleeft dankzij de Platoonse Academie een periode van geestelijke bloei. De weetgierige en erudiete Giovanni Pico della Mirandola, de Phoenix geheten, beleeft er zijn laatste levensjaar. Evenals 'Aristoteles aanvaardde hij slechts één eretitel: ho anagnostès, de lezer’. Hij is kind aan huis bij de Medici’s, bevriend met de grote dichter Poliziano en de asceet Savonarola, de boeteprediker die beroemd werd om zijn striemende donderpreken over hel en verdoemenis en tenslotte zelf op de brandstapel veraste.
Claes roept in zinnen die nogal eens doen denken aan de maniëristische taal uit de geschriften van weleer, de jaren in herinnering waarin de grote Florentijnse denkers een stoutmoedige poging ondernamen om zelfs de grootste tegenstrijdigheden in geloof en wijsbegeerte met elkaar te verenigen.
Het streven naar een eenheid van tegendelen is een voortdurend terugkerend verlangen bij de hoofdpersoon van de roman. Plato, Aristoteles, Mozes, Hermes Trismegistus, Jezus van Nazareth die als de 'oude Phoenix met geurige kruiden gebalsemd en begraven’ was, worden in één adem genoemd en met elkaar in verband gebracht. Pico werpt zich op als de grote verzoener tussen deze ogenschijnlijk nogal verschillende denksystemen, zoals hij ook - als eerste in de geschiedenis - een filosofische vrede tot stand wil brengen tussen christendom, jodendom en islam. Deze pogingen om het contradictoire te verenigen krijgen in Claes’ schrijfstijl een equivalent in het overvloedig gebruik van zinsconstructies die op tegenstellingen berusten.
Niet toevallig begint het boek met een hoofdstuk dat 'De wedergeboorte’ heet, een levendige herschepping van Botticelli’s beroemde schilderij La Primavera, waarmee Claes de ecfrasis beoefent, de renaissancistische stijloefening waarin een schrijver dankzij het woord een beroemd kunstwerk tot leven wekt. Tegelijkertijd gaat het om een eigenzinnige interpretatie van dit schilderij, waaruit elementen als de figuur van de Lente waarvoor de beeldschone Simonetta Vespucci model stond, de zwevende Amor, de schriftgod Hermes en de drie dansende Gratiën verderop in de roman voortdurend een rol blijven spelen bij Pico’s kijk op de gebeurtenissen rondom de mysterieuze dood van Poliziano, en in zijn beschouwingen over filosofie en geloof.
BOTTICELLI’S doek kan worden gelezen als een boek waarin de diverse gestalten, bij een juiste interpretatie ervan, hun geheimen prijsgeven. Pico’s uitgangspunt is de volgende redenering: 'Als de wereld een afspiegeling was van de hemelse orde, en de kunst een beeld van die afspiegeling, kon de beschouwer van kunst door de nevel van verwijzingen het verborgen netwerk lezen dat alles met alles verbond.’ Zo kondigt de Simonetta-figuur alvast de vermoedelijke moordenares van zijn vriend aan, verwijst de pracht van het schilderij naar de volmaakte schoonheid van God die aan zichzelf genoeg heeft, en ontdekt Pico dat Hij daarbij de overvloed was 'van de liefde, die de wereld schept om zich daarin uit te storten. En tenslotte was God de opperste Wellust die terugkeert naar zijn oorsprong en zich met zichzelf verzoent.’
De roman portretteert Pico della Mirandola met veel gevoel voor zijn ultieme gedachtenleven: gissend over de aardse liefde als voorwaarde om de hemelen te leren kennen, redenerend over de verhouding tussen schoonheid, waarheid en liefde, op allerlei niveaus stoeiend met de magie van het getal drie, te beginnen bij de drieëenheid. De lezer betrapt hem bij zijn fanatieke bestudering van de kabbala - die vooral ook intrigeert omdat in het Hebreeuws iedere letter een getalswaarde heeft -, waarna hij hem uiteindelijk ziet uitkomen bij de opvatting dat in de taal het lot besloten ligt.
Pico’s lot is dan al bezegeld. Maar hij zal niet sterven zonder zich nog deze ervaring eigen gemaakt te hebben: 'Niet hij heeft gelijk die zijn tegenstander met welgekozen woorden uitschakelt, maar hij die door even moeizame als eenzame studie de waarheid in zichzelf vindt.’
De Phoenix is compact geschreven. Dat Paul Claes, met zijn overvloed aan kennis, de feiten wel eens voorrang geeft op het fabuleren, waardoor hij de lezer soms weinig lucht laat, is hem wat mij betreft vergeven. Hij heeft Pico della Mirandola in een rijk boek meesterlijk losgezongen uit de dode letters waarin hij begraven ligt. In een taal die vaak kwistig strooit met klassieke zinnen en beelden herrijst hij erin als een man van vlees en bloed.