Lessen in militaire ethiek

Vuur je wel, vuur je niet?

Ondanks ethische regels loopt het geweld van militairen soms uit de hand. Zie Israël, waar tijdens de laatste belegering van Gaza gold: ‘Vuur openen, ook op reddingswerkers’. De ethische dilemma’s gaan ook Nederland aan, nu de krijgsmacht steeds vaker in oorlogssituaties opereert.

‘AAN DE GOLANI-SOLDATEN, succes met de oorlog’, staat in het Hebreeuws op een stuk papier geschreven. Daaronder heeft een kinderhand een Israëlische militair getekend. ‘Liefs, de S.-familie.’ Het papier werd gevonden in een huis dat tijdens de gevechten in Gaza was gevorderd door Israëlische soldaten van de Golani Brigade. Voor vrijwel geen enkele (joodse) Israëliër leed het enige twijfel: de Israeli Defence Forces (IDF) waren de good guys die de moordenaars van Hamas gingen ontwapenen, want volgens het humanitaire oorlogsrecht is het lukraak afvuren van zwabberende raketten op bevolkingscentra een oorlogsmisdaad.
Maar in Gaza verdwaalden de goeden in de krochten van het kwaad.
De achterkant van het papier waarop de Israëlische familie S. haar soldaten een hart onder de riem stak, werd gebruikt door een IDF-pelotonscommandant om aantekeningen te maken voor een briefing aan zijn mannen. ‘Rules of engagement’, staat er. ‘Het vuur openen, ook op reddingswerkers.’ Het aanvallen van medisch personeel is een zuivere oorlogsmisdaad, expliciet verboden in de Conventies van Genève.
Tijdens de 23 dagen durende oorlog werd door de IDF een enorme vuurkracht losgelaten op een van de dichtstbevolkte gebieden ter wereld om de veiligheid van de eigen troepen te garanderen. Het totale aantal Palestijnse doden lag boven de duizend, meer dan de helft van hen waren non-combattanten. De IDF gaven toe 89 kinderen te hebben gedood, volgens Palestijnse cijfers waren het er meer dan driehonderd.
Israëlische officieren krijgen lessen in militaire ethiek en worden geacht die kennis, met inbegrip van het humanitaire oorlogsrecht, aan hun manschappen door te geven. Toch werd het oorlogsrecht met voeten getreden. De aantekening over het vuren op ambulances op de achterkant van een kindertekening wijst erop dat het geen incidenten betrof, maar beleid.
Met hun optreden veegden de IDF hun eigen ethische code van tafel, vastgelegd in The spirit of the IDF. Daarin wordt benadrukt dat elke Israëlische militair dient te handelen ‘naar letter en geest van het oorlogsrecht’. Hij mag ‘geen onnodige schade’ toebrengen ‘aan menselijk leven, lichaam, waardigheid en bezit’ en dient ‘speciale consideratie met de weerlozen’ te betonen. Het is niet zomaar een ethische code, maar een die wortelt in de democratische rechtsstaat die Israël is, in de joodse religie en in de joodse geschiedenis van vervolging en holocaust. ‘De IDF zijn het meest morele leger ter wereld’, sprak minister van Defensie Ehud Barak trots na het beëindigen van de Gaza-operatie.

WAT GEBEURDE in Gaza toont de beperkingen van de militaire ethiek. Is de moraal waarop het oorlogsrecht is gestoeld wel houdbaar in moderne oorlogssituaties? Heeft het zin je officierscorps lessen militaire ethiek te laten volgen? Het zijn vragen die ook Nederland aangaan, nu de krijgsmacht steeds vaker in oorlogssituaties opereert.
‘Er moeten strakke regels zijn voor elke soldaat en officier’, legt de Israëlische militaire historicus Martin van Creveld uit. ‘Wie mag doden? Welke vijanden mogen precies gedood? Met welk middel, onder welke omstandigheden en met welk doel? Dat moet je militairen heel goed inprenten, anders verandert je leger in een woeste bende. Dan krijg je totale chaos waarin iedereen iedereen mag doden.’
We weten steeds meer over de tegennatuurlijke en tegelijkertijd verslavende werking van oorlogvoering. Volgens Dave Grossman, een Amerikaanse kolonel die onderzoek doet naar de psychologische drijfveren van militairen, druist oorlogvoering in tegen het menselijke instinct. Er zijn geen zoogdieren die hun soortgenoten op grote schaal uitmoorden. Ze gaan elkaar te lijf, maar vaak niet met het doel te doden. In On Killing: The Psychological Cost of Learning to Kill in War and Society laat Grossman zien hoe in de loop der eeuwen strijdmachten zich hebben ingesteld op het aanleren van gewenst gedrag bij hun strijders. Doden kun je leren en vluchtgedrag is te voorkomen, door soldaten te drillen, door hen zo vaak aan dezelfde oefeningen te onderwerpen dat automatismen hun bewuste denken uitschakelen.
Is de natuurlijke barrière eenmaal verdwenen, dan wordt pas goed duidelijk waarom het instinct de mens zoveel mogelijk van het moorden tracht te weerhouden. ‘Dat eerste moment, je eerste dode, dat is vreemd, omdat je het nog nooit gedaan hebt’, vertelt een Vietnamveteraan in First Kill (2001), een indringende documentaire van Coco Schreiber. ‘Maar daarna, bij mij tenminste, ging het goed voelen. Dus toen dacht ik: hier klopt iets niet. Er is iets mis met dit beeld.’ Een andere veteraan vertelt over de roes. ‘Beter dan welke drug ook. Zo anders. Het was een roes die je je niet kunt voorstellen. En je bleef maar doorgaan met doden.’ De mannen zijn aan de medicijnen, zware tranquilizers. Ze kunnen zich niet meer handhaven in de burgermaatschappij nu ze ervaren hebben wat die hun ontzegt.
Volgens Christ Klep, militair historicus aan de Universiteit Utrecht, kunnen ethische regels niet garanderen dat het geweld van militairen in de hand wordt gehouden. Het zijn vaak personen met een hoog ethisch besef die het hardst tekeer gaan, vertelt hij. ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren tandartsen en huisartsen de verschrikkelijkste moordenaars. En in Indië waren aalmoezeniers getuige van martelingen door Nederlandse militairen, zonder daar iets aan te doen.’ In zijn proefschrift Somalië, Rwanda, Srebrenica, over drie ontspoorde vredesmissies, behandelt Klep onder meer het geval van een Somalisch jongetje dat wegens diefstal door Canadese militairen wordt doodgemarteld. Een officier gaf toestemming hem wat klappen te geven. ‘Als je hem maar niet doodslaat’, voegde hij daaraan toe. Vervolgens liep het geweld volledig uit de hand. Christ Klep: ‘Dat kan dus niet. Deze officier had meteen de norm moeten stellen: jullie blijven van dat jongetje af. Als leidinggevenden eenmaal grensoverschrijdingen toelaten, kun je die onmogelijk terugdraaien.’

LUITENANT TER ZEE der 1ste klasse (Speciale Diensten) Rodney de Vries raakte in 1993 zwaar gewond in Cambodja, toen een mijn onder zijn voertuig explodeerde. Hij had een klaplong, zijn hielen waren gebroken en zijn ruggenwervels raakten misvormd. Hij moest opnieuw leren lopen. Nu doceert hij leiderschap en militaire ethiek aan het Instituut voor Defensieleergangen in Den Haag. In de Nederlandse krijgsmacht is ethiek gekoppeld aan militair leiderschap. De klassen bestaan doorgaans uit zo’n 25 officieren van uiteenlopende onderdelen. ‘Ieder van ons heeft een moreel kompas. Het zal je niet lukken om een constante koers te varen, maar als je het kompas in de gaten houdt, kun je je koers bijstellen als je te veel afwijkt’, zegt De Vries. Bewustwording, daar gaat het hem om. Hij gaat er niet van uit dat hij zijn cursisten nieuwe waarden kan bijbrengen, wel dat hij al bestaande waarden kan belichten en bespreken. Dat gaat verder dan wijzen op de Conventies van Genève en het Handvest van de Verenigde Naties. ‘Het gaat om persoonlijke waarden. Waar sta jij voor? Waarom doe je dit eigenlijk, waarom dien je bij de krijgsmacht? Dat heeft grote invloed op hoe je een missie uitvoert.’
Kunnen lessen ethiek het drilmatige handelen doorbreken? Een aangeleerd automatisme, zoals maximaal vuren als je in een hinderlaag terecht komt, kan nogal wat onschuldige slachtoffers opleveren. ‘Ik geloof in ons drilmatige oefenen en handelen, maar ik geloof ook dat je boven het drilmatige een gewaarwording moet hebben en bewust beslissingen moet kunnen nemen.’ Hij vertelt hoe een kleine eenheid op een bergkam oog in oog kwam met de Taliban. ‘Het was precies zes tegen zes, iedereen had een doorgeladen wapen. Vuur je wel, vuur je niet, je kijkt elkaar in de ogen, wat moet je doen? Ze hoorden elkaar bidden. Als één besloot te vuren, zou niemand het overleven. Allemaal hadden ze de ervaring: liever niet, alsjeblieft niet, het is niet nodig nu.’ De Taliban en de Nederlanders lieten elkaar gaan, ze gunden elkaar het leven. Het wederzijds respect steeg uit boven hun drill. ‘Als dat respect er niet meer is, wordt de kans op afglijden naar barbaarse methoden vele malen aannemelijker’, zegt De Vries.
Om de bewustwording op gang te brengen legt hij de officieren dilemma’s voor. ‘Situaties waarin je je handen niet niet vuil kunt maken. Ik wil een dialoog.’ Hij begint zijn eerste les met een scène uit de verfilming van Bravo Two Zero, het waargebeurde verhaal van een Britse special forces-patrouille in de Iraakse woestijn. Opeens kijkt een herdersjongen over de rand van de droge rivierbedding waarin het team schuilt. ‘Wat doe je, schiet je hem dood of niet?’ De Britten schoten niet, het jongetje verraadde hen. Een dilemma dat later in het lesprogramma aan de orde komt, is ontleend aan een bekend ethisch vraagstuk opgeworpen door de Britse ethicus Bernard Wiliams. Je bent te gast in een Zuid-Amerikaans dorp waar de commandant net twintig rebellen gevangen genomen heeft. Hij wil ze allemaal doodschieten, maar als jij er één doodt, belooft hij de rest te laten gaan. ‘Het gaat me niet om hun keuze, maar om de discussie. Militaire ethiek is toegepaste ethiek. Leren zelf na te denken.’

DAT IS OOK HET DOEL van de multimedia-installatie Onder vuur: Militaire dilemma’s in het Delftse Legermuseum. Alleen geldt die bewustwording niet de officieren, maar het publiek dat in de schoenen stapt van een VN-militair. Tussen afweergeschut uit de Tweede Wereldoorlog en een ‘Afghaanse’ Mercedes-jeep van het Korps Commandotroepen, bij de opstelling verlevendigd met levensgrote bewapende en geüniformeerde poppen, bevindt zich een afgeschermde ruimte. Daar draait een film, gebaseerd op de gebeurtenissen in Srebrenica voordat de Serven de enclave onder de voet liepen. Waar de Nederlandse VN-militairen voor ingrijpende beslissingen komen te staan, kiest de kijker door op een knop te drukken. Hij is gewaarschuwd: ‘Confronterend voor veteranen. Niet geschikt voor onder de 12 jaar.’
‘Je leert als officier dat je soms zult moeten kiezen tussen leven en dood. Vaak was het kiezen tussen twee kwaden’, vertelt in het begin van de film de acteur die de Nederlandse commandant speelt. De film is levensecht, het geluid is overdonderend en de dilemma’s zijn ingrijpend.
Moet een zwaargewonde moslimstrijder door de Nederlanders worden meegenomen? Zo niet, dan sterft hij.
Ja/nee.
Wie kiest om hem mee te nemen, loopt in de armen van de Serven, die de strijder ontdekken. Moet hij worden uitgeleverd of breken de Nederlanders door de Servische controlepost, waarmee ze zichzelf en de hele enclave, met tienduizenden vluchtelingen, in gevaar brengen?
Ja/nee.
Wie hem uitlevert, hoort het schot waarmee de strijder wordt afgemaakt. Een mevrouw die wat onwillig de dilemmatraining ondergaat, onder lichte dwang van haar mannelijke compagnon, slaat de hand voor de mond. ‘Ik weet niet of ik dit wel kan.’
Zo gaat het door totdat ook de moslimstrijders zich tegen de Nederlanders keren. Moet de missie gestaakt worden? Nederland kwam toch om te helpen? Staken betekent de dood van duizenden, doorgaan voert uiteindelijk naar de keuze waarvoor Nederland werkelijk kwam te staan. De Serven vallen aan, met een overmacht. Terugvechten of assistentie verlenen bij het afvoeren van de vluchtelingen, ‘om zicht te houden op de situatie’? Wie kiest voor terugvechten, komt niet te weten wat dat zou hebben opgeleverd. In werkelijkheid vocht Dutchbat niet en werden meer dan zevenduizend moslimmannen door de Serven vermoord. De dilemmafilm maakt die keuze voorstelbaar, tot ontsteltenis van de onwillige mevrouw.

‘OORLOG IS EEN CONTINU what-if-spel’, zegt Christ Klep. Hij hielp mee bij het ontwikkelen van de dilemmafilm. ‘Als je het van een afstandje bekijkt, dan is wat werd besloten in Srebrenica ethisch gezien erg fout geweest. Je mag geen mensen die je onder bescherming hebt uitleveren aan de vijand als je niet zeker weet dat ze goed terechtkomen. Maar het praktische argument kreeg de overhand. De Serven dreigden de Nederlandse compound te beschieten als Dutchbat niet meewerkte. Maar maakt dat de beslissing om niet te vechten ethisch verantwoord? Er waren ook argumenten ter verdediging van de atoombommen op Japan en het bombardement van Dresden. Oorlogvoering is een aaneenschakeling van excessen. Lessen militaire ethiek kunnen daaraan helaas niets veranderen.’
‘Het vraagt veel moed om niet te vervallen tot het niveau van de tegenstander’, zegt een majoor. Hij volgde de lessen militaire ethiek en leiderschap van Rodney de Vries en diende onder meer in Uruzgan. Hij maakt onderscheid tussen ‘thuis-op-de-bank-ethiek’ en de ethiek in het veld. ‘Wat ik heb geleerd van de ethische training is dat je zo lang mogelijk moet blijven nadenken. Maar in het veld heb je weinig tijd. Je moet vaak in een split second beslissen.’ Voorbeeld: thuis op de bank is de beslissing over het gebruiken van Afghanen als menselijk schild gemakkelijk. Nooit doen. Maar in Uruzgan knoopte hij een gesprek aan met een bewoner op een plek waar hij een hinderlaag vermoedde. ‘Op die manier zouden we het allemaal overleven, mijn kerels net zo goed als die Afghaan.’
Militaire ethiek is allang geen academische kwestie meer voor de Nederlandse krijgsmacht. In Uruzgan worden op alle niveaus voortdurend ethische vragen gesteld, merkte De Groene Amsterdammer tijdens verscheidene bezoeken aan de militairen aldaar. De kolonel sloot burgerslachtoffers niet uit als de Taliban zijn voorpost, in de nabijheid waarvan enkele huizen stonden, maar bleven bestoken. (Hij wist ze overigens te vermijden.) Een boordschutter vertelde dat hij zijn doelwitten in een roze wolk van bloed en lichaamsdelen uiteen had zien spatten. Maar hij had duidelijk gezien hoe zij bezig waren een mortier op zijn kameraden af te vuren. Dus had hij er vrede mee.
Ook infanterist Ben kwam er ethisch gezien wel uit, nadat hij met zijn peloton een hinderlaag had overleefd. Hij doodde zeker één, wellicht twee strijders. In zijn dagboek schreef hij: ‘Had er van tevoren over nagedacht hoe het zou zijn om te doden. Maar toen het gebeurde, was het alleen maar goed. Blij dat die kerel niet heeft kunnen doen wat-ie wilde doen, ons doden. Kill or be killed. Maar ik ben niet trigger happy. Absoluut niet. Toen die drie Taliban op me afkwamen, met dat meisje in die rode jurk voor hun uit, toen heb ik de trekker niet overgehaald.’
Volgens Klep is de basishouding van de individuele militair belangrijker dan ethische training. ‘Normen bouw je op in lange jaren. Ook al is je cursus nog zo goed, tijdens het gevecht flitsen echt niet de casussen door je hoofd uit je praktijkboek militaire ethiek. Dan gaat het om de adrenaline, om de overall situatie. De ethiek komt pas achteraf.’ Van Creveld is het met hem eens: ‘In elke oorlog zijn militairen bang, en als ze bang zijn schieten ze. Daar kan geen ethiekles tegenop.’ Als militaire ethiek doorschiet, kan die zelfs gevaarlijk worden, meent hij. ‘Je kunt niet tegen je militairen zeggen: ik stuur jullie de dood in, maar je mag zelf niemand doden. Dan houd je geen leger meer over.’

TERUG NAAR ISRAËL. De verontwaardiging over het optreden in Gaza kwam vooral uit het buitenland. Waarom bleef de Israëlische bevolking haar troepen steunen? Volgens Christ Klep is dat een verschijnsel dat zich vaker voordoet. Het duurt doorgaans lang voordat de bevolking zich gaat verzetten tegen het geweld dat door de eigen krijgsmacht wordt aangewend, veel langer dan politici vrezen. De moraal is rekbaar. De media mochten dan kritisch zijn over Srebrenica, de bevolking liet de militairen niet vallen. Hetzelfde geldt voor Uruzgan: voor de missie is weinig steun, voor de troepen des te meer. ‘De bevolking accepteert een opvallende mate van geweld en eigen slachtoffers, zolang daar maar een militaire noodzaak voor is.’
In Israël gebeurt intussen iets opmerkelijks. De IDF passen niet hun manier van oorlogvoeren aan aan de militaire ethiek, maar snijden hun militaire ethiek toe op de oorlogssituatie. Generaal-majoor Amos Yadlin en Asa Kasher, hoogleraar ethiek aan de universiteit van Tel Aviv, leidden een commissie die werkte aan een nieuwe militaire ethiek. Volgens de IDF voldoet het gangbare oorlogsrecht niet meer, omdat dat is ontworpen voor een strijd van staat tegen staat, niet voor asymmetrische (guerrilla)oorlog. Moderne rebellen en terroristen dragen geen uniform, verschuilen zich achter onschuldige burgers en nemen iedereen, inclusief vrouwen en kinderen, als doelwit. Kortom, Israël vecht tegen ‘mensen met volkomen andere waarden’. Volgens de nieuwe waarden die Israël daartegenover stelt, mag iedereen (man vrouw, kind, gewapend, ongewapend) die direct betrokken is bij terrorisme gedood worden. Daarbij is veel collateral damage toegestaan, mits door de actie veel Israëlische levens kunnen worden gered.
Volgens professor Kasher waren ‘de normen op grond waarvan de commandanten in Gaza handelden over het algemeen correct’. Kasher, de ethische architect van de IDF, die in de jaren negentig The spirit of the IDF opstelde, meent dat de levens van Israëlische soldaten niet in gevaar mogen worden gebracht om burgers te sparen in de nabijheid van terroristen. Blijkbaar heeft de Israëlische bevolking er in grote meerderheid vrede mee dat de IDF-ethiek steeds verder afdrijft van het geldende humanitaire oorlogsrecht.
Is dit ons voorland? Israël is niet het enige westerse land dat te maken heeft met asymmetrische oorlogvoering. Op dit moment is ook Nederland in zo’n oorlog verwikkeld in Afghanistan. Martin van Creveld gelooft desondanks van niet. De moraal laat zich niet overal dwingen. ‘Israël is omringd door vijanden en bevindt zich dus in een iets andere positie, begrijpt u?’ Het aanpassen van de militair ethische principes zal Israël volgens hem overigens niet baten. Het is het buitenland dat oordeelt – de eigen bevolking steunt de IDF toch wel – en zonder steun in de wereld kan Israël niet overleven.
‘Stel, u wordt aangevallen door mijn kleinzoon van vijf jaar. U doodt het kind uit zelfverdediging. De rechter zal zeggen: dat was niet nodig. U had andere mogelijkheden als volwassene. Zelfs als het kind met een mes was bewapend, dan nog had u niet het recht het te doden. Dit is de situatie waarin Israël zich bevindt. De buitenwereld ziet de Palestijnen als het kind, ons als de volwassene. Moreel gezien kunnen wij dus niet winnen. En daarom vind ik al 25 jaar dat wij ons moeten terugtrekken uit de bezette gebieden.’