Ger Groot

Vuurtoren

Het vuurtorentje op de Parijse Salon du Livre is afgebroken. Franstalige uitgevers, critici en vooral lezers zullen het opnieuw moeten doen zonder het baken dat hen gidste naar de literatuur van Nederland en Vlaanderen, Schwerpunkte van dit jaar. Lukt dat? De uitstaltafels van de Brusselse Librairie Tropismes stemmen redelijk optimistisch. Voor littérature néerlandophone hoef je niet alleen meer naar een half plankje met verstofte Vlamingen, van Lampo tot Van de Woestijne.

Naast de onvermijdelijke Mulisch en Claus liggen er nu ook Kristien Hemmerechts, Lieve Joris en Hans Maarten van den Brink: de laatste zelfs — net als de Groten — met een pocketeditie van Over het water. In vierkante decimeters uitgedrukt is de Nederlandse literatuur nu net zo zichtbaar als de Scandinavische, waarmee ze bezuiden Rijsel al snel werd verward.

Ten noorden van Antwerpen begint het vikingland: zo ziet volgens de essayist Pierre-Jean Brassac in Franse ogen «het noorden» eruit. Air France situeerde Kopenhagen nog maar een paar jaar geleden op een vluchtschema op de plaats van Rotterdam zonder dat het iemand opviel. Zelf geeft hij toe er weinig anders over te hebben gedacht, totdat hij in Nederland kwam wonen en er een boek over schreef.

Tot in zijn titel toe schuwt Brassac de clichés niet. Le royaume qui porte l’eau à la mer (Het koninkrijk dat water naar de zee draagt — Uitg. Autrement): stereotieper kan bijna niet. We komen veel fietsen tegen bij Brassac, veel protestantisme, veel gordijnloze ramen en natuurlijk veel water. Het is het Nederland dat iedereen al tientallen keren aan buitenlandse vrienden heeft moeten uitleggen.

Maar de ergernis daarover is onheus. Wat Brassac ziet is wat Nederland in de ogen van bezoekers werkelijk exotisch maakt en waarin — zoals bij alle clichés — ook een kern van waarheid schuilt. Zijn boek is een verwonderde rondblik door een land dat veel vreemder is dan het zelf wil toegeven, en tegelijk een poging tot verklaring daarvan.

Mopperen doet daarover alleen de autochtoon die zich ofwel te veel herkent ofwel te weinig, omdat zo’n Fransman er natuurlijk niets van begrijpt. Dat de Nederlandse cultuur, net als de taal, voor buitenstaanders ondoordringbaar moet blijven, is één van de diepe overtuigingen die het land gemeen heeft met China of Japan.

Ook dat stelt Brassac vast en daarin toont hij de Nederlandse ziel dieper te hebben gepeild dan zijn vlotte en springerige schrijfstijl doet vermoeden. Ongemak maakt bij het lezen gaandeweg plaats voor bewondering voor Brassacs kennis van het Nederlandse taaleigen en de soms scherpzinnige observaties die hij daarmee verbindt: het bijzondere van de uitdrukking «houden van», van het praten over koetjes en kalfjes en van het woord «dooddoener» zelf: faiseur de mort.

Verplicht is een uitweiding over de Hollandse dijken en misschien ook over het zetten van zoden daaraan (mettre de mottes sur la digue). Maar het morele gewicht van het woord illustreren met de uitdrukking een dijk van een wagen verraadt opmerkingsgave. En de Franse transcriptie van het onvermijdelijke woord «gezellig» (cHezellecH) maakt de nationale cultuur voor de autochtoon bijna net zo uitheems als voor de bezoekers die je dit boekje in handen zou willen duwen.

Ook Brassac verwondert zich over de onbekendheid van Nederlandse schrijvers uit heden en verleden, voor zover ze niet Spinoza, Erasmus of Hugo de Groot heetten. Misschien is ook daar de heimelijke exclusiviteit van de Nederlandse cultuur schuld aan, schrijft hij. Nederlanders lijken er niet van overtuigd dat hun literaire bekommernissen met de kleine dingen des levens ook anderen zouden kunnen interesseren. Ten onrechte, meent Brassac, die in zijn «vijf seizoenen in Nederland» net zoveel gelezen als gefietst moet hebben en op wiens bladzijden de schrijvers (van Van Eeden tot Van Dis) elkaar verdringen.

Geërgerd maakt hij melding van de cultuurpolitieke laksheid waarmee Nederland zijn literatuur heeft verwaarloosd. Dat laatste is niet helemaal waar meer. Het vuurtorentje op de Salon du Livre stond er niet alleen dankzij een toenemende Franse interesse, maar ook na veel lobby- en subsidiëringswerk dat in de afgelopen jaren merkbaar «zoden aan de dijk» heeft gezet. Het baken is weg, de barrière geslecht. Het wachten is op een springvloed aan vertalingen.