Ik kijk de zee, de zee kijkt mij. Knipoogt naar mij. Krachtige ogen gericht aan het onvergankelijke. Vuurtoren van een beter eiland. Lieflijk in haar veelbladerig gewaad schenkt zij mij haar baarmoeder. Vruchtwater in vol ornaat. Vrucht in ‘n ring der vruchten. Atol van duizend rijken. Elk even klein en ondoordringbaar blauw.

Onverschillig voor de droefenis van de wereld stort ze avond na avond duizend purperen tinten over mij uit. Ze is mijn maagd. Mijn genade. Mijn onbevlekte heilsoord. Vrij van sporen. Vrij van smet en mens.

Op een avond fluistert ze: ‘Ik ben klaar om jou te kiezen.’

Elke avond sterven wij samen onder de naakte maan. Wij maken een rijk van bloemen en palmen. Wij kussen de grond en omhelzen schapen en lammeren. Langs het strand zoek ik schelpen en in de duizend rotsspelonken vind ik vogelnesten met eieren die ik voor haar meebreng. Langs de baai die uitloopt in een landtong vol zand en koraalbanken speur ik naar kruidige bloemen en destilleer parfum voor haar.

In ’t voorjaar ontluikt ze als een anjer in m’n armen en in de koude winters schuilen we in een bamboehut. ’s Morgens struin ik met hengel en garnalennet langs de oevers van een kreek, verborgen door een zoom van dicht struikgewas.

De zon smelt het wier. Blote voeten bijten groene mieren. De maan is hier groter, de sterren talrijker. De gouden kruin peilt het blauw. Mijn ziel stijgt op en put mij uit met haar eindeloze klim. Het is geen goud. De scherpe rand schaaft me diep. Ik slaap onder slanke palmen als de golven mij wiegen. Baas noch knecht, koning noch profeet, geld noch goud. Wij zijn Adam en Eva. In het klein doen wij de schepping over.

Het pad waarover mijn ziel voortraast kent asfalt noch ijzer. Het grafschrift prijkt op een ronde, gladde steen; zo’n steen waarmee je genoeglijk je aars afveegt.

Ik zou zegenen het uur/ waarop ik rust vind en duur/ mijn
schip was gebroken, het spel was uit/ om mijn kwijnend
bestaan gaf ik geen fluit/ maar het beeld van een
maagd/ kwam mij over het graf heen nader/
moeder was mij reeds een zware last/ niet zoon maar clown
is de naam die mij past

De steen zakt weg onder een oude, taaie, langbladerige kokospalm die duizend warme seizoenen lang een koele schaduw over de steen werpt. Soms valt een grote noot op de steen die openbarst, zodat over ’t graf zoete kokoswater vloeit en rode bloemen bloeien.


Mohammed Benzakour is schrijver en columnist