Poëzie: Ilja Leonard Pfeijffer en Rob Schouten

Vuurvogel met rare muts

In zijn nieuwe bundel ‹Het glimpen van de welkwiek› wil Ilja Leonard Pfeijffer de lezer ervan doordringen dat verstaanbaarheid geen eigenschap is van goede poëzie. Voor Rob Schouten ligt dat anders.

Iemand uitte onlangs de verzuchting: «Ik lees nooit meer poëzie die me iets doet, waar ik iets bij voel.» Of poëzie bedoeld is om iets bij te voelen, weet ik niet, maar de klacht is begrijpelijk. Veel dichters van vandaag zoeken in de eerste plaats naar ideetjes, filosofietjes en taalkunstjes. Poëzie is nu eenmaal niet meer de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. De dichter is zich bewust, bijna overbewust van zijn plaats in de geschiedenis van de literatuur. Hij weet dat hij als een dwerg op de schouders van reuzen staat, en alle poëzie uit het verleden met zich meetorst.

Als we Ilja Leonard Pfeijffer lezen, moeten we dat ook concluderen. Maar het zal ook niet de wens van Pfeijffer zijn om de lezer iets te laten «voelen» bij zijn poëzie, of ervoor te zorgen dat zijn gedichten de lezer «iets doen». Pfeijffer doet zijn eigen ding, en dat doet hij met overgave. Obsessief, zelfs, wat voor een dichter nooit slecht kan zijn.

Ilja Leonard Pfeijffers ding is: «balkend in de taal der engelen spreken». Want hij, tuimelende gestalte die door een wolksplit neervalt vanuit de hemelen op het land van mensen — hij, de tuimelmens, is vleugelflenstig. Hij, de dichter, is niet zomaar iemand, niet zomaar een mens. Maar, de hemel zij geprezen, hij heeft het goed voor met mensen. Dus ontmantelt hij zich en geeft zich bloot en begint balkend in de taal der engelen te spreken.

Dat begint als rede tot de burgers van de stad:

ga rustig slapen stadsgenoten ik ben uw dichter

ik zal u licht ontkennen wat is

dient herschapen wat namen draagt

zal ik voor u benoemen

ik zal uw helderheid verhelpen

(…)

of u mij maar wilt volgen stadsgenoten ik zal u diep

vervoeren mijn listen en lagen uw en mijn lachen

het slechtste gezelschap laat u voelen dat u mens

onder mensen bent het genoegen is geheel

mijnerzijds laat alles zinnen zijn

u bent naar mij conform

ons pakt dus slaap rustig

stadsgenoten ik zal voor u

verduisteren

Voorwaar, geen bescheiden inzet, van een bundel die sowieso weinig bescheidenheid uitstraalt. Met een omslag als een roman uit de jaren tachtig, met een afbeelding als van Rob Scholte, met een omvang die blaakt van het vertrouwen. Het vertrouwen van de dichter in zichzelf.

Ilja Leonard Pfeijffer kennen we wellicht door zijn recente poging de poëzie op te luisteren met een polemiek. Het is al een tijdje geleden, en het was in het tijdschrift Bzzletin, maar Ilja Pfeijffer had de moed, of volgens sommigen, de overmoed, om woest en onbehouwen de aanval te openen op het uitdijende genre van de performing poetry. In een boos artikel maakte Pfeijffer podiumdichters als Ingmar Heytze, Bart Droog en Ruben van Gogh met de grond gelijk, en hun poëzie eveneens, en legde eens en voor altijd aan Nederland uit wat poëzie nu eigenlijk was, «echte» poëzie, «goede» poëzie.

Verstaanbaarheid was ongewenst, omdat dat eendimensionaliteit veronderstelt. Onbegrijpelijke poëzie is derhalve altijd beter dan gemakkelijke. Onbegrijpelijke gedichten kunnen door hun meerduidigheid de complexiteit van ons gedachteleven oproepen.

Pfeijffer wond zich op over de groeiende schare zichzelf dichter noemende sujetten die performend door het land trekken en niet alleen jongerencentra onveilig maken met hun zelf bedachte verzen maar tot aan de Nacht van de Poëzie serieus worden genomen.

Daar zit iets in, wat Pfeijffer zei.

Maar hij wilde wel erg graag.

Ilja Pfeijffer wilde erg graag vooral zijn eigen poëzie laten zien als «echte» poëzie.

Het hoenderhok waar deze knuppel in tuimelde was te klein om grote discussies te kunnen losmaken. De vele (podium)dichters die zich aangesproken voelden verloren zich in eindeloze verbolgen e-mails naar elkaar en naar de redacties van dag- en weekbladen, maar alleen dichter-criticus Rob Schouten bleek geneigd om, heel grootmoedig, de «polemiek» zo serieus mogelijk te nemen en er in Vrij Nederland een stuk over te schrijven, waarin hij het gekrakeel-in-de-dop wegzette als een oprisping die nu eenmaal hoort bij literatuur.

Toen was het weer stil.

Dat Ilja Leonard Pfeijffer de Nacht van de Poëzie opende, bewijst dat hij niet door de altijd energieke, altijd militante afdeling Performing Poets in een donker steegje is opgewacht en aan zijn eigen haren is opgeknoopt. Hij leeft gewoon nog. Sterker nog, zijn nieuwe bundel is net uit.

In die bundel, Het glimpen van de welwiek, maakt Ilja Leonard Pfeijffer zijn radicale uitspraken waar. Zo lijkt het. In vele toonaarden, en met vele metaforen, en in vele, vele bladzijden betoont hij eer aan de ware poëzie — sorry, zijn ware poëzie. Ten overvloede legt hij de «affaire» nog eens uit (of laat hij de reden van zijn boosheid nog eens zien), in het gedicht vuurvogel (van vier pagina’s):

poëzie is geen poging tot pogen te prevelen

wat de onuitsprekelijk sensibele ziel in eenzelvige stilte

denkt niet te vermoeden omtrent het onzegbare

van verstilde binnenmeren

want wie zich het zeggen ontzegt

zal niet zingen

poëzie is geen verstaanbaar verslag in eenvoud ingediend geen

doorlichting van ontbonden factoren die scherp en zinnig belicht

helderheid put want het klontert en het schift en

niets in jouw hoofd is helder ontleed

wie klaarheid zegt is klaar met zeggen

en hij zal niet zingen.

«Puistig provoceren op een popi podium is geen poëzie», kortom. Wie klaarheid zegt is klaar met zeggen. Altijd leuk om te lezen hoe de dichter zichzelf en zijn werk serieus neemt en «verkondigt». Want dat is het: Ilja Leonard Pfeijffer verkondigt zichzelf en zijn poëzie. Niet één keer, maar drie, vijf, zeven keer.

Bijna elk gedicht in Het glimpen van de welk wiek is poëticaal. En in alle gedichten is de sprekende ik een ander, hoger soort mens dan de andere mensen, en neemt hij een positie in tussen aarde en hemel. Als een bemiddelaar, als een afgezant, als een «hoger» wezen dat zich heeft verwaardigd neer te dalen tot dat tragische wezen de mens om hem genadig te zijn en te plezieren met zijn stem, en zijn taal, en zijn woorden, en zijn genialiteit.

Dat is bij uitstek een romantisch uitgangspunt: de dichter, o onbegrepene, is een door het grauwe, middelmatige, ongeletterde volk uitgekotste eenling die, zo schrijnend alleen omdat hij de kwelling van het dichter-zijn moet dragen, zijn unieke talent niet verwerpt maar integendeel trots als zijn grootste kracht aanvaardt en de wereld wil betoveren met de schoonheid, de muziek van de poëzie.

Onbegrijpelijkheid betekent niet per definitie meerduidigheid of complexiteit. Onbegrijpelijkheid kan ook gewoon onbegrijpelijke onzin zijn. Het gedicht kygnos begint zo: «of wringt iets? Nogal log in vogelvlucht/ krakeel je krijtwit schraapt je zwanenhals/ ten krijgersyell valt je dondert als/ bij heldere hemel tergend uit de lucht». Geen onzin, wellicht, maar een overdaad aan beelden die, indien voortgezet, vermoeiend wordt en ten slotte de vraag oproept of de dichter hier niet zijn uiterste best aan het doen is om te imponeren, om indruk te maken met zijn reusachtige woorden- en beeldenschat.

Het gaat door. Beelden op en onder elkaar, tuimelend en talrijk. Spelen met letters, als een kind met een blokkendoos. En zelden bouwt het iets dat niet omvalt en in elkaar dondert.

Dan wordt het allemaal teveel. Te veel ik. Te veel grote spraak. Te veel tovertaal van een te particulier soort. Te veel toevallig lijkende metaforen. Te veel taaltrucs. Te veel van het vele. Te veel woorden. Woorden uit alle registers, uit alle domeinen van de taal, woorden die, doordat ze zo talrijk en verscheiden zijn, na een tijdje volkomen gratuit worden, en in plaats van zeggingskracht alleen maar meer zeggingszwakte krijgen.

De dichter is niet een vuurvogel, zoals Ilja Leonard Pfeijffer wil, de dichter in Het glimpen van de welkwiek is een doordraaiende monomaan met een kop vol woorden, en met een kop vol ideeën over wat poëzie is, en daar voornamelijk over schrijft in plaats van haar te doen ontstaan.

Hoe lang is dergelijke poëzie vol te houden?

Rob Schouten lijkt in dat opzicht een stap verder, als je dat zo kunt zeggen. Zijn poëzie is een soort verademing na Het glimpen van de welkwiek. In de eerste plaats door zijn talent tot relativeren. En door zijn humor. Door de afstand die hij neemt (kan nemen) van zichzelf. Schouten is ook wel egocentrisch, net als Pfeijffer — en alle dichters moeten egocentrisch zijn, want daar begint de poëzie: bij een uit het lood getrokken observatie, interpretatie en representatie van de wereld door een overvol ik —, maar waar de laatste lijkt te verdrinken in de modder van een overstromend ego, daar weet de eerste steeds op tijd een lachspiegel tevoorschijn te toveren waarin hij zichzelf beziet, en aan het lachen maakt. En daarmee zijn lezers aan het lachen maakt.

Schouten leek als een wijze vader boven de jongenspolemiek van Pfeijffer–podiumdichters te staan. Door zijn relativerende opmerkingen was het alsof hij (1954) die jonkies (1968) iets leerde, iets uitlegde, rustig en geduldig maar onontkoombaar, over de aard van de poëzie.

Rob Schouten laat in zijn nieuwe bundel Infauste dienstprognose zien «hoe het echt moet». Of in elk geval hoe het ook kan. Nergens draaft hij door, nergens verdwaalt hij in het spiegelpaleis van het particuliere bewustzijn, nergens zijn zijn woorden groter dan hijzelf, nergens zijn zijn gedichten, als bij Pfeijffer, als tot barstens toe opgeblazen ballonnen aan een touwtje in de hand van een klein jongetje dat met grote trotse ogen naar zijn trofee kijkt maar geen zicht meer heeft op de wereld. Ook Schouten dicht over het dichterschap, maar bij hem is het net even iets anders dan bij Pfeijffer. Bij Schouten is de dichter geen vuurvogel en spreekt hij niet balkend in de taal der engelen, nee, de dichter woont in een mensenhuis, heeft beide mensenbenen op de grond en praat in mensentaal. In het gedicht Huisstijl toont hij iets van zijn opvattingen over het eigen dichterschap:

Niet waar ik woon en met wat aan de muur

maar toch toegankelijk: wat brommerig

hoor ik en met de actuele grijzen

der jaren negentig – het is per slot

geen sanatorium, er mag ook best

het nodige gesodemieter in.

Voor akoestiek moet je niet bij mij zijn,

ook niet voor schreefloos, als het aan mij ligt.

Het mag natuurlijk nooit commercieel worden

of modieus of niet te lezen. Zeg maar de vorm

waarvoor ik langzaam heb gekozen

(de vorm die mij gekozen heeft? – Nee hoor!)

Ziet u mij deze tekst voordragen dan

niet in mijn hemd of met een rare muts,

of ik het met verbeten kop opschreef.

(…)

Rob Schouten eindigt dit gedicht met de woorden: «Raar gedicht, dag!» Dat is exemplarisch voor zijn poëzie in Infauste dienstprognose. Altijd een lichte toon en een sterke relativering, maar zonder grappig of koddig te worden. Wat op het eerste gezicht vrij lichte poëzie lijkt, is in werkelijkheid veel en veel dieper en rijker. Het gaat over grote dingen, maar daarvoor gebruikt de dichter geen grote woorden. Het gaat ook over de poëzie, maar de dichter heeft het woord «poëzie» niet nodig om er iets over te zeggen. Waar Ilja Pfeijffer verzuipt in de taal en zich verstrikt in de woorden, speelt Schouten een intelligent spel met taal, tekst, teken en betekenis. Door net even dat beetje afstand van zichzelf te nemen, waardoor de blik wordt verruimd. En dat kan precies het verschil zijn tussen blijven lezen en voortijdig afhaken. Echter, irritatie is toch ook een gevoel?

Ilja Leonard Pfeijffer

Het glimpen van de welkwiek

Uitg. De Arbeiderspers, 104 blz., ƒ39,90

Rob Schouten

Infauste dienstprognose

Uitg. De Arbeiderspers, 62 blz., ƒ34,90