W.f. wertheim

WILLEM FREDERIK Wertheim had behalve zijn naam nog iets anders gemeen met Willem Frederik Hermans. Zij hadden beiden een grote minachting voor de hypocrisie van de politieke en culturele elites. Daarom waren zij niet alleen beroemd maar ook gehaat. Daarmee houden de overeenkomsten op, want Wertheim had geen last van politiek cynisme. Hij was eerder een naïeve verlichtingsoptimist, en naast wetenschapsman was hij ook politiek activist.

Anders ook dan Hermans bezweek Wertheim voor de totalitaire verleiding. Volgens een van zijn studenten, de huidige hoogleraar culturele antropologie Jan Breman, roeide Wertheim zijn leven lang tegen de stroom in. Dat oordeel zou hij zelf maar gedeeltelijk onderschreven hebben. Want de stroom waar hij tegenin roeide, was in zijn wereldbeschouwing slechts een bovenstroom waarop de stuurlieden van de elites hun slavenschepen met moeite drijvende hielden. Zelf roeide hij mee op de emancipatiegolven die misschien minder sterk waren, maar die toch meer en meer zouden rijzen. Ten slotte zou, door evolutie of revolutie, de golfslag der emancipatie de slavenschepen vernietigen.
Wertheims bekering tot het geloof in de massa, de pendant van zijn groeiende weerzin tegen de bestuurlijke elite, ontstond in Nederlands Indië, waarheen hij begin jaren dertig, net afgestudeerd meester in het Indisch recht, afgereisd was om carrière te maken. Dat ging aanvankelijk zo voorspoedig dat hij op 29-jarige leeftijd tot hoogleraar benoemd werd aan de Rechtshogeschool te Batavia. In een interview dat ik in 1985 met hem had, vertelde hij het daar best naar zijn zin te hebben gehad. Via de Rechtshogeschool stond hij in direct contact met de voormannen van de Stuw-groep, die een progressievere koloniale politiek voorstonden dan de minister van Koloniën in Den Haag.
Door het contact met Indonesische studenten raakte hij op de hoogte van wat er onder de Indonesische bevolking leefde. ‘Op een gegeven moment kwam ik thuis en zei tegen mijn vrouw: “Alle goede studenten zijn eigenlijk nationalist.”’ Dat zette hem aan het denken.
DE OMSLAG KWAM pas door zijn deelname aan de in 1940 ingestelde commissie-Visman, die zich moest buigen over de toekomstige staatsrechtelijke verhouding tussen Nederland en Indonesië. Wertheim kreeg daarin de taak om de juridische aspecten van de rassenproblematiek te behandelen. Hij kreeg steeds meer weerzin tegen de hypocriete wijze waarop de racistische grondslagen van de koloniale politiek werden verdoezeld en ontkend. En tegelijkertijd groeide zijn sympathie voor de nationalistische beweging. Hij slaagde erin om tegen de wens van de voorzitter, maar met steun van de Indonesische leden van de commissie, zijn opvattingen over de rassengelijkheid in grote lijnen in het verslag te doen opnemen.
In 1941 werd Wertheim gevraagd zijn leerstoel in het Indisch recht te verruilen voor een leerstoel in de sociologie. Hij accepteerde het aanbod niet, omdat hij meende te weinig te weten van het vakgebied. Kort daarop werd Indonesië opnieuw bezet, deze keer door de Japanners. Wertheim gebruikte zijn tijd in het kamp om zich de grondbeginselen van de sociologie eigen te maken. Terug in Nederland werd hij in 1947 benoemd als hoogleraar algemene sociologie. Hij hield zijn inaugurale rede over 'het sociologische karakter van de Indo-maatschappij’. Daarop volgde Het rassenprobleem: De ondergang van een mythe (1948).
Tot zover was er eigenlijk nauwelijks sprake van roeien tegen de stroom in, waarvan zowel de Volkskrant als Trouw in hun necrologieën melding maken. Wertheim was nu werkzaam aan de 'Rode Faculteit’ en het maatschappelijk klimaat was door de Tweede Wereldoorlog drastisch veranderd. Het kolonialisme was geheel in discrediet geraakt.
In hetzelfde jaar waarin Wertheim zijn aanval opende op de racistische aspecten van het koloniale bestuur, kreeg oud-premier Gerbrandy, inmiddels voorzitter van het comité Handhaving Rijkseenheid, een spreekverbod opgelegd voor de radio. 'De tijden zijn veranderd en Wertheim verandert mee’, zo gromde menig bestuursambtenaar verbitterd. Wertheim had zijn eerste groep vijanden opgedaan. Het leger van oud-bestuursambtenaren beschouwde hem als een laffe overloper.
In 1965 maakte Wertheim in De Groene Amsterdammer als eerste in Nederland de massamoorden van Soeharto bekend. Toen moest zijn wetenschappelijke carrière eigenlijk nog beginnen. Pas in 1971 zou hij een studie publiceren waarmee hij wereldberoemd zou worden: Evolutie en revolutie. Daarin ontvouwde hij een cultuursociologische variant van de klassieke marxistische geschiedtheorie. In de wereldgeschiedenis zou sprake zijn van een voortdurende ontwikkeling in de richting van meer gelijkheid, en dat proces nam de vorm aan van dominant en contrapunt. De massa verzette zich op alle mogelijke manieren tegen de onderdrukkende elites. Vroeger of later zou een tegenelite het roer overnemen en de maatschappij een menselijker gezicht geven. Wertheim meende in de Culturele Revolutie van China een autenthiek voorbeeld te zien van zijn contrapunttheorie.
DE AMSTERDAMSE studenten die zojuist in opstand waren gekomen, vonden in Wertheim de ideale leermeester. Hij was oud (in mei 1968 was hij de zestig al gepasseerd), hij was beroemd en hij leverde een bijzonder erudiete en eigentijdse onderbouwing van de ideologie van de studentenbeweging. En opnieuw maakte Wertheim zich veel vijanden onder zijn collega’s. Terwijl hij gedurende zijn hele leven een 'klassieke’ en dus enigszins aristocratische hoogleraar was geweest, werd hij nu plotseling een warm voorstander van de democratisering van de universiteit. Terwijl de studenten actievoerden tegen de autoritaire macht van de hoogleraren, werd Wertheim door hen in een riksja naar de faculteitsraad gebracht.
Toen zijn collegae Michael Korzscek en Bart Tromp zijn opvattingen over de Chinese Revolutie met een overvloed aan empirisch materiaal met de grond gelijk maakten, hield Wertheim voet bij stuk. Pas in de laatste jaren van zijn leven begon hij zijn theorie over de Culturele Revolutie voorzichtig te herzien, ook al bleef hij het Chinese communisme in grote lijnen verdedigen, zoals hij dat veertig jaar eerder met het stalinisme had gedaan. Nu pas roeide hij, oud en koppig, tegen de stroom in. In 1981 verzorgde hij, samen met zijn vrouw A. H. Wertheim-Gijse Weenink, een heruitgave van een revolutionair pamflet getiteld Aan het Volk van Nederland, in 1781 geschreven door de Gelderse Joan Derk, Baron van der Capellen tot den Poll. Het echtpaar schreef een uitvoerige inleiding. De door Wertheim zo bewonderde Joan Derk was in de patriottentijd revolutionair democraat geworden, uit pure weerzin tegen de corruptie van het stadhouderlijk bestuur, maar tegelijkertijd bleef hij op en top een aristocraat. 'O, landgenoten’, schreef Joan Derk, 'Onze dierbare Oranjevorsten, hoe fraai ze zich ook door hun vleiers en loontrekkers laten afschilderen, zijn vorsten, net als alle vorsten ter wereld. Zij krijgen dezelfde verdorven opvoeding; zij zuigen van hun jeugd af aan dezelfde sentimenten in, dezelfde hoogmoed, trots, heerszucht, dezelfde begeerte om zich boven alles te verheffen.’ En niet alleen de Oranjes moesten het ontgelden: 'Uit gekken en guiten bestaat bijna onse gehele natie, de Regenten geheel. Die verdoemde pruiken ik kan ze niet velen.’
Het zijn woorden die Wertheim, tweehonderd jaar later, nog steeds uit het hart zijn gegrepen. En met dezelfde aristocratische naïviteit als Joan Derk van der Capellen tot den Poll, heeft hij zijn leven gewijd aan het bestrijden van deze onrechtvaardigheid en corruptie van de elites. Wie de bourgeoisie liet sidderen, kon op Wertheims steun rekenen, al werd soms een kwart van de bevolking daaraan opgeofferd. Hij was een groot geleerde en zijn beoordelingsfouten waren even groot.