Waakzaam hebbedingetje

Het Nederlands wordt meer en meer schrepel, terwijl het toch zo vief is. Gelukkig laat de nieuwe Van Dale ons zien hoe lenig, soepel, buigzaam, plooibaar, flexibel en smedig onze taal kan zijn.

Medium taaldorp 20kleur 20op 20maat 20dinsdag

Wat is een goede lezer? Vladimir Nabokov stelde die vraag altijd aan het begin van zijn beroemde reeks literatuurcolleges aan Cornell University en hij had er een kleine quiz voor ontworpen. Uit een lijstje van tien stellingen over ‘de goede lezer’ moesten studenten de enige vier juiste selecteren. Moest de goede lezer lid zijn van een boekenclub, zich identificeren met de held, een woordenboekhebben, verbeeldingskracht bezitten, zich op de
sociaal-economische invalshoek concentreren? Enzovoort. De oplossing leverde de kernachtige profielschets van de nabokoviaanse ideale lezer. Dat was degene met: verbeelding, geheugen, wat artistiek gevoel en een woordenboek.
Die eerste drie begrijp ik, maar hoe vaak gebruik je nu werkelijk een woordenboek bij het lezen? Vorige week verving ik mijn oude driedelige Van Dale door de nieuwe editie. De vorige had ik in 2007 gekregen toen ik meedeed aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal (elf fouten in de tekst van Jan Wolkers). In die acht jaar heb ik hem denk ik acht keer opengeslagen.

De Dikke Van Dale op je bureau is zoiets als een Beethoven-buste op de piano. Een heel praktische functie heeft die niet. Hij is vooral een symbool. Zoals Beethoven streng op de pianist neerkijkt, hem voortdurend herinnert aan het hogere doel, zo herinneren die drie monumentale boekwerken de schrijver aan de rijkdommen van de taal, aan het verbale kapitaal dat is geconserveerd in deze schatkist.
Het uiterlijk van de nieuwe editie, door vormgever Joost Grootens, lijkt dat te onderstrepen. De grijswitte ruggen met woorden in reliëfdruk geven deze Van Dale iets sculpturaals, en zeker in de deels open cassette met schuine kleurenvlakken is duidelijk dat we hier te maken hebben met een fris en sterk staaltje Dutch design. Ook binnenin heeft de vormgever veel werk verricht. Er zijn kleuren gekomen, blauw en grijs, die ingewikkelde haakjes overbodi maken. Met één icoontje is duidelijk of een woord vrouwelijk of mannelijk is. En zo zijn er nog wat verbeteringen aangebracht die het boek rustiger en overzichtelijker maken, en je, anders dan de eerdere donkere, dikbedrukte en streng ogende naslagwerken, uitnodigen om er wat vrijblijvend in rond te bladeren.
In de media krijgt aandacht voor taal vaak een wat oubollig aureool. De taal wordt graag gekoesterd als gekkigheidje en grondstofleverancier voor woordspelletjes en taalquizzen. Jaarlijks is er het rituele, inmiddels al wat sleetse dictee in het antieke decor van de Eerste Kamer. Er zijn allerlei verkiezingen van het Woord van het Jaar. Op Facebook en Twitter registreren waakzame leden trouw de lolligste taalfoutjes die ze tegenkomen in reclamefolders en krantenkoppen. Tot vervelens toe krijgen we bij de verschijning van elke nieuwe Van Dale weer te horen welke geinige woorden Marten Toonder en Koot & Bie destijds uitdokterden, en welke woorden er nu uit de golven van de actualiteit zijn komen aanspoelen. De klimaatvluchteling, de comazuiper, de onderwaterhypotheek, de participatiemaatschappij en natuurlijk de beyoncévlieg als de dartele mascotte van dit legertje nieuwkomers.

Veelzeggend is dat dit vrijwel altijd samenstellingen zijn. Als het maatschappelijke debat taalvernieuwing oplevert, dan lijkt dit altijd het gevolg van een wedloop van wie de gekste stapelconstructies kan maken. De debaters gebruiken samenstellingen van het type gelukszoeker, mantelzorgboete, dobberneger of kopvoddentaks om de werkelijkheid een zetje naar eigen hand te geven, om een wereldbeeld slim te framen – ook een nieuw toegevoegd woord.
Veel schaarser en knapper is de kunst om al bestaande woorden door een slimme opstelling of invulling weer te laten glimmen, de kunst om de taal op te blinken. Opblinken, jawel, die heb ik er ook in gevonden, met een verwijzing naar de Vlaamse schrijfster Saskia de Coster: ‘De stad wordt opgeblonken door de zon.’
Gerrit Komrij kon dat ook zo goed, de taal opblinken. Neem dit zinnetje uit Humeuren en temperamenten (2010): ‘Drift is de toestand waarin je in staat bent tot het ergste en waarin de ergste daad niet meer betekent dan een loos gebaar.’ Wie gebruikt drift nog als zelfstandig naamwoord? Ja, op drift, driftig, dat kennen we allemaal, net als het driftleven, driftkikkers en de doodsdrift, maar de pure, van alle verzachtende franje ontdane kracht die drift heet? Komrij, in hetzelfde stuk: ‘Misschien bestaat er ook maar weinig echte hartstocht, echte drift meer. Er zijn, tenslotte, heden ten dage ook verdomd weinig heiligen meer over. Drift is, als de extase, ongrijpbaar.’

Toen Kees van Kooten twee jaar terug op tv zijn dicteetekst uitsprak vol tongbrekende imbroglio’s en przewalskipaardenmiddelen dacht ik met heimwee terug aan het dictee uit ‘mijn’ jaar, 2007, met die postume tekst van Jan
Wolkers. Wolkers gebruikte ogenschijnlijk simpele woorden. Het ging over een ‘vieve engel’, of het ‘schrepele lichaam’ van Jimi Hendrix. Schrepel. Volgens Van Dale betekent het ‘schraal’ en ‘mager’, en in tweede instantie ‘schriel’ of ‘kaal’, en toch heeft geen van al die woorden die strak geboetseerde juistheid van dat ene woord, waarbij je ziet hoe de ribben en de gewrichten zich aftekenen in het vlees: schrepel.
Zo hoop ik ook op eerherstel en reanimatie van dat secuur gekozen woord ‘vief ’, volgens Van Dale ‘vlug van beweging (zowel lichamelijk als geestelijk)’, en, op de achtergrond, minder gangbaar, maar er wel in resonerend: ‘onstuimig, opvliegend’. Een behoorlijke vracht aan betekenis dus, en in onze prachttaal past die gewoon in één lettergreepje: vief.

Eén zo’n opblinker doet mij meer dan een bijenkorf vol beyoncévliegen. Vief, schrepel en drift bezorgen me precies die tinteling in het ruggenmerg, dat volgens Nabokov het belangrijkste orgaan is om literatuur mee te lezen. Het zijn woorden die in hun precisie de juiste nuance raken, en nuance en precisie zijn nu eenmaal de eerste slachtoffers van onze populistische tijd met zijn grove knip-en-plakwerk, zijn hyperbolen en zijn hysterie.
Nabokov legt niet expliciet uit waarom zijn ‘goede lezer’ een woordenboek moet bezitten, maar al zijn colleges, gebundeld in Lectures on Literature, maken wel duidelijk dat het hem gaat om zulke precisie. Welke kleur hebben de ogen van Fanny Price in Mansfield Park, in wat voor een insect verandert Gregor Samsa nu eigenlijk? ‘We ought to remain a little aloof ’, stelt hij. En let hierbij op de nauwkeurigheid van dat lastig te vertalen aloof: ergens tussen terughoudend en afzijdig in. Lezen vereist voor hem een combinatie van een artistiek en een wetenschappelijk temperament: ‘De enthousiaste kunstenaar neigt ertoe om al te subjectief te zijn in zijn houding tegenover boeken, en daarom kan een wetenschappelijke koelte van het oordeel de intuïtieve hitte wat temperen.’
Ook Nabokov gaat het overduidelijk om het genot van het secuur gekozen woord. Soms duikt een woord op dat zo trefzeker en stipt is dat het lijkt alsof de hele zin ineens op het lichtnet is aangesloten. Of in een mooier beeld, dat Herman de Coninck eens achteloos tussen haakjes liet vallen in een essay: ‘Zoals een beroepsinbreker aan een cijferslot prutst: zo klikt een gedicht soms ineens.’ Aan zulke speelse precisie, aan het genot dat zulke vondsten je als lezer geven, ontbreekt het volgens mij steeds meer. Zoals cijfers nauwkeurig kunnen zijn tot achter de komma, zo kan taal dat ook zijn, maar daarvoor is het wel vereist dat je je taalvermogen lenig houdt, je de nuances aanvoelt tussen, ik noem maar wat, lenig, soepel, buigzaam, plooibaar, flexibel en smedig. Ook daar kan het woordenboek bij helpen, door zulke synoniemen – die ik van synoniemen. net plukte – achter elkaar in te tikken. Of door zomaar wat door de papieren versie te bladeren – een activiteit die de meesten van ons na hun twaalfde staakten. Of door inderdaad Nabokovs advies op te volgen en af en toe eens zo’n zonderling woordje op te zoeken uit een roman of een gedicht. Ik heb geen cijfers die het kunnen staven, maar mijn indruk is, en ik hoor dat ook van mensen die ik spreek uit het onderwijs, dat het verbale palet van studenten en leerlingen aan het slinken is. In hun werkstukken en scripties drukken ze zich eenvormiger uit, houden ze krampachtig vast aan een handjevol wat stijve, grijze, ambtelijke uitdrukkingsvormen. Verwonderlijk is dat niet, als je het fletse taalgebruik van overheidsfolders, journalistiek en politiek in ogenschouw neemt.

We mogen best iets dankbaarder putten uit de rijkdom van de taal die ons, veel meer dan het koningshuis, het voetbalteam of zelfs de grondwet dat kan, allemaal aangaat en daarom verbindt. In de Volkskrant verscheen vorige maand een pleidooi om het schoolvak Nederlands op te splitsen in verschillende disciplines, namelijk de formele grammaticale kant, versus het ‘communicatieonderwijs’. De auteur, neerlandicus Peter Kortz schreef: ‘Dit communicatieve aspect vindt zijn weerslag vooral in spreek-, luister- en schrijfonderwijs. Literatuur behoort tot de kunsten en dient als zodanig gedoceerd te worden. Dit nieuwe paradigma doop ik: het taal- en letterkundig, communicatief en taal beheersend paradigma. Nederlands moet worden opgesplitst in drie disciplines: taalkunde, letterkunde en taalbeheersing. De leerlingen krijgen vervolgens onderwijs van specialisten in een van deze vakken.’ Het aantal leraren Nederlands verdrievoudigen? Mijn zegen heeft hij. Literatuur behoort tot de kunsten? Amen. Maar die drie opsplitsen over aparte docenten, gedoopt in naam van het verlossende paradigma van Peter Kortz? Alsjeblieft zeg.
Het gevaar van zo’n monodiscipel voor het ‘taal beheersende’ onderdeel is dat de verzakelijking, die nu al zo virulent is, genadeloos doorzet. Ooit is de ‘communicatie’ inderdaad van de ‘schrijfkunst’ gescheiden, maar van oudsher waren ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. En hoewel al die schrijfmethodes en communicatiestrategieën uiteindelijk allemaal voortbouwen op de klassieke retorica merk je daar in de praktijk weinig van, zo stram en glansloos zijn de tekstverwerkersvruchten uit de kantoortuinen. Met al het gehamer op ‘communicatie’, het overdragen van de boodschap enzovoort heeft de inhoud het gewonnen van de vorm en is er bij gemeenten en op ministeries niemand meer in staat een leesbaar rapport of persberichtje te tikken. Alle aandacht is uitgegaan naar het ‘wat’, ten koste van het ‘hoe’, dat immers ‘tot de kunsten behoort en als zodanig gedoceerd dient te worden’.
Laat de leraar Nederlands die taalbeheersing en communicatie doceert in hemelsnaam ook degene zijn die poëzie en romans leest en zijn klas ermee begeestert. Al was het maar omdat schrijvers en dichters de opblinkers zijn van
onze taal.