Ger Groot

Waan

Wat moet je met een gedicht dat zegt: Wann,/ wann blühen, wann,/ wann blühen die, hühendiblüh,/ huhediblu, ja sie, die September-/ rosen?// Hüh — on tue… Ja wann?// Wann, wannwann,/ Wahnwann, ja Wahn, -/ Bruder…? De titel ervan helpt niet veel verder: Huhediblu, een woord zonder betekenis.

Het gedicht staat in de bundel Die Niemands rose van Paul Celan en dat maakt al iets meer duidelijk. Wie Celan zegt, zegt Endlösung. Celan is de dichter die Adorno’s uitspraak dat na Auschwitz dichten onmogelijk geworden was, loochende met zijn verpletterende Todesfuge, eindigend met de regels: ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete/…/ er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutsch land// dein goldenes Haar Margarete/ dein aschenes Haar Sulamith.

Niet alleen Adorno moest toegeven zich te hebben vergist. Ook wie na de Tweede Wereldoorlog geen Duits meer wilde of kon spreken, had aan dit gedicht een soort verzoening kunnen ontlenen. Het had de huiver voor die taal misschien niet weggenomen, maar had haar wel voor een deel van haar schuld verlost. Todesfuge rehabiliteerde het Duits en dat kon alleen maar gedaan worden door een shoah-overlevende als Celan.

Hij moest daarvoor een nieuw soort poëzie en zelfs een nieuw soort taal uitvinden, zei Celan-vertaler Ton Naaijkens vorige week bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap Duitse letterkunde en vertaalwetenschap in Utrecht. Zelf achtte Celan zijn moedertaal ook niet langer geschikt om «mooi» te zijn. «Hij zocht», aldus Naaijkens, «wat hij noemde ‹waarheid› in de woorden en beschouwde zichzelf als een realist — ‹auf meine Weise›.»

Todesfuge is nog een tamelijk «gewoon» en toegankelijk gedicht, maar daarin staat het betrekkelijk alleen. Celans werk is berucht hermetisch, al had hij zelf een hekel aan dat woord. De werkelijkheid die hij opriep was zozeer van hem en de woorden die hij ervoor gebruikte moesten zo ver uit een bezoedelde taal worden weggetrokken dat zijn gedichten balanceren op de rand van de communicatie. Of eroverheen vallen, zoals Huhediblu.

Valt daar nog iets aan uit te leggen? Iedere vertaling, aldus Naaijkens in zijn oratie, is een interpretatie — en bij Celan gaat daarmee meer denk- en speurwerk gepaard dan bij welke andere dichter ook. Ruim tien jaar geleden gaf Naaijkens het fragment uit Huhediblu aldus in het Nederlands weer: wanneer,/ wanneer bloeien, wanneer/ wanneer bloeien de, hoeiendebloei,/ hoehedebloe, da die, de september-/ rozen?// Hu — on tue… Wanneer dan?// Wanneer, wanwanneer,/ waanwanneer, ja, waan -/ broeder…

Of dat in de Naaijkens-vertaling van Celans volledige dichtwerk die in mei verschijnt hetzelfde blijft, weet ik niet. Maar heel veel begrijpelijker wordt het vers er niet door. Dat is misschien ook te veel gevraagd. Tenslotte, zo merkt Naaijkens op, moet de vertaler niet alleen het gedicht voor zichzelf ontcijferen. Hij moet het ook weer in de oorspronkelijke vorm terugduwen, inclusief de gewilde duisterheid daarvan, en dat kan de nodige frustratie opleveren. Vertalers vechten altijd tegen de verleiding explicieter en helderder te willen zijn dan het origineel was.

Toch viel tijdens een studiedag over het werk van Celan, afgelopen weekend in Kortenhoef, het gedicht plotseling op zijn plaats. Celan-onderzoekster Barbara Wiedemann las het voor tijdens een lezing over de waanzinsaanvallen van de dichter: gehaast, bezeten en bijna panisch. De woorden rolden over elkaar heen en werden plotseling allerbegrijpelijkst. Het was gekkentaal, en moest dat daarom ook in de vertaling blijven. Die laatste kon wel vertolken — Naaijkens zelf vergeleek vertalen in zijn oratie met het uitvoeren van een partituur — maar hier was het de vertolking van een voordracht die het gedicht plotseling deed spreken.

De vraag of het woord «waan» in het gedicht al niet duidelijk genoeg was geweest, doet net zo weinig terzake als die naar de noodzaak van Celans hermetisme. Feit is dat de klank van het woord ervoor nodig was om het te doen oplichten, net zoals een roep om grotere toegankelijkheid nu eenmaal niets aan het oeuvre van Celan verandert. Wat telt, is dat het, hoe raadselachtig ook, eist te worden gelezen zoals het is — en dat het daartoe de kracht bezit, ook al weten we niet precies waarom en hoe.

Er zijn nog twee studiedagen rond Celan in Kortenhoef, op 16 maart en 18 mei. Reserveringen 035- 6560540, henkabma@planet.nl