Ger Groot

Waan (2)

Literatosis is de ziektenaam die de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti bedacht voor de obsessie met boeken en de boekenwereld. Onder auteurs, critici en – wat minder – uitgevers en boekhandelaren kom je die nog wel eens tegen. Onder lezers misschien ook: wellicht zelfs vooral onder hen. Het is een ziekte die het hardst toeslaat bij wie het verste afstaan van de verhandeling van het boek als waar. Wanneer boeken nog fysieke voorwerpen zijn, met als voornaamste eigenschap dat ze heen en weer geschoven worden (over de toonbank, in het magazijn) is de literaire aanwezigheid nog zo dun dat ze nauwelijks infectiegevaar oplevert.

Ik kan daar zelf van meepraten. De enige periode in mijn leven waarin ik van de boeken die door mijn handen gingen er letterlijk niet één wilde bezitten, was toen ik als krantenmedewerker tijdelijk inviel voor een zwangere boekenredactrice. Dagelijks deed ik niet anders dan boeken verplaatsen: van de postkamer naar mijn bureau, van mijn bureau naar recensenten en van weigerachtige besprekers naar weer andere recensenten. De gedachte ook maar één boek mee naar huis te nemen (tot op dat moment en ook na afloop weer een constant slissend slangetje in mijn corrupt geweten) boezemde me weerzin in. Geen morele, maar fysieke: ik was lichamelijk immuun geworden voor iedere literatosis_._

Wellicht werkt dat niet bij iedereen zo. Er zijn ongetwijfeld boekhandelaren die zich ook buiten werktijd gretig met boeken omringen. In Herinneringen van een engelbewaarder beschreef W.F. Hermans een uitgever die zijn huis letterlijk bezoomd had met lage boekenkasten langs iedere wand, zelfs in het trappenhuis. Hij werd er danig voor gestraft. Bij de Duitse inval achtte hij het raadzaam zijn hele collectie, schatkamer van verboden ideeën, in de tuin te verbranden.

Dat moet een hele klus geweest zijn, want anders dan veelal wordt gedacht branden boeken niet gemakkelijk. De intussen overbekende foto van het in de Blitz gebombardeerde Holland House bewijst dat. Van dak en interieur is weinig meer over, maar vrijwel ongeschonden staan de boekenkasten van de bibliotheekzolder nog overeind. Dat kan de man geruststellen die ik ooit het bouwplan van zijn nieuwe huis hoorde beschrijven. De centrale zuil erin moest één groot boekenmagazijn worden, waaromheen alle verdiepingen zouden worden gedrapeerd. Zo zou het huis letterlijk door papier gedragen worden: een brandvrij fundament van louter geest.

Hier was duidelijk sprake van literatosis_._ Het werk van de man had dan ook níets met het boekenbedrijf uitstaande. In een veel beperktere mate geldt dat ook voor schrijvers, en nóg weer minder voor critici. Natuurlijk, zij frequenteren uitgevers, redacties en misschien zelfs boekenbeurzen. Maar veel minder dan de daar werkzamen zijn zij blootgesteld aan de fysieke overload van geboden papier, die evenveel weerzin kan oproepen als te veel oliebollen bij oudjaar. Hun literaire waan neemt dan ook andere vormen aan. Niet het boek obsedeert hen, maar de daarin neergelegde wereld. Zij zijn geneigd alles te denken in termen van literatuur.

Hoe ver dat kan gaan, beschrijft Enrique Vila-Matas in zijn wonderlijke roman De waan van Montano. Montano is een markant geval van schrijversliteratosis_,_ zoals de ik-figuur erin een nóg markanter geval van kritische literatosis is. Geen voorval doet zich in zijn leven voor of hij verbindt het wel met een romanpassage, de persoonlijkheid van een schrijver of het mechanisme van de intertekstualiteit. Wonderlijk is dat niet; het behoort tot de professie van de criticus dat te doen. Maar die beroepshebbelijkheid ontwikkelt zich gemakkelijk tot wat Vila-Matas ‘de literaire ziekte’ noemt. Daarin wordt iedere werkelijkheid opgeslokt door en grondstof van een gedroomde realiteit op papier: even brandvrij als vluchtig.

Vila-Matas illustreert dat geestig, zij het gaandeweg ook wat vermoeiend, met de eindeloze rij van wereldschrijvers die zijn criticus voor de geest komen bij zulke futiele handelingen als thee zetten, een wandeling maken of asperges eten. Kafka en Musil zijn zijn favorieten. En Borges natuurlijk: de belichaming van de bibliotheekgeworden wereld waarin het postmodernisme zijn saturnaliën viert.

Of dat helemaal gezond is, weet ik niet. Ook Vila-Matas spreekt tenslotte niet voor niets van ‘ziekte’ en van ‘waan’. Een literatuur die slechts zichzelf nog tegenkomt, wordt even hachelijk als het gelijk van een tekstdeconstructie die nooit meer het papier verlaat. Vila-Matas probeert nog te redden wat er te redden valt, maar de twijfel blijft. Iets ontbreekt er aan deze ál te literaire poëzieschool – maar de lezende criticus in mij kan daarbij niet om een bekentenis heen. Onetti’s term literatosis heb ook ik tenslotte maar bij Vila-Matas aangetroffen.