H.J.A. Hofland

Waanwereld

Ik kan dat laatste journaal over Irak nergens vinden, roept een televisietechnicus in paniek. Hindert niks, zegt zijn collega. Pak maar een oud. Geen mens die het verschil ziet. Het is de tekst bij een politieke tekening in de International Herald Tribune van 25 maart. Vorige week hebben we erbij stilgestaan dat vijf jaar geleden de oorlog begon. Begin deze week is de vierduizendste Amerikaanse soldaat gesneuveld. Hoeveel Irakezen zijn omgekomen valt op geen vijf nullen te schatten. Dat is een onderwerp waarover de voorstanders van het eerste uur van tijd tot tijd ruzie maken met de eerste tegenstanders. Die houden het op een half miljoen. De vroegste krijgshaftigen zeggen: Nee! Hoogstens tachtigduizend. Propaganda maken voor je eigen gelijk door de andere partij met lijken te beschieten: het is een meningsverschil waarover je je diep moet schamen.
Irak is behalve een militaire en politieke mislukking van megaformaat ook het failliet van de retoriek. In Amerika heeft de politieke taal een nieuw hoogtepunt van ongeloofwaardigheid bereikt. Na de dageraad van de democratisering van Irak en vervolgens het hele Midden-Oosten, the End of Major Operations (op 1 mei 2003), de soevereiniteitsoverdracht, de verkiezingen, de berechting en executie van Saddam Hoessein, de nieuwe burgeroorlog, de surge, de benchmarks, na alles wat steeds minder Amerikanen (en Nederlanders) zich op de mouw hebben laten spelden, is langzamerhand het einde in zicht. Niet van de oorlog maar van de opgepompte taal der politieke geweldenaars.
In de politiek is het verschrikkelijk moeilijk een nederlaag te erkennen. John F. Kennedy heeft het gedaan, na de mislukking van de invasie in Cuba, de nederlaag van de Varkensbaai in 1961. Daarna is er geen wereldleider meer geweest die voor een rampzalig verkeerde beoordeling en daarop volgende catastrofe zijn verontschuldigingen heeft gemaakt. En ook president Bush heeft onlangs nog laten weten dat hij de oorlog geslaagd vindt, omdat we van Saddam Hoessein verlost zijn.
Politieke taal heeft altijd een element van demagogie in zich. Dat is onvermijdelijk. De politicus moet nu eenmaal de massa voor zich winnen om tot daden te kunnen overgaan. Daarom is het voor de politicus geoorloofd krasse beeldspraak te gebruiken, te overdrijven, desnoods zijn tegenstander als de heraut van het onheil af te schilderen. Maar hij mag niet op grond van een consequent volgehouden valse voorstelling van zaken zijn electoraat koeien met gouden horens beloven. Winston Churchill kondigde de Britten in eerste aanleg niets anders dan bloed, zweet en tranen aan. De leiders in Washington voorspelden in 2002 in Irak een walk-over. Eigenlijk zouden ze zich nu voor een krijgsraad moeten verantwoorden, niet voor de mislukking op zichzelf, maar omdat ze beter hadden kunnen weten, en het verkeerde alternatief kozen, wat aan vierduizend van hun soldaten het leven heeft gekost.
Is er een kans dat na George W. Bush de politieke taal zich zal herstellen? Een verkiezingsstrijd biedt niet de ideale omstandigheden om de glasheldere waarheid aan de dag te brengen, maar aan de ande-re kant is er een grotere kans dat de politici hun uiterste standpunten zullen formuleren. Hillary Clinton en Barack Obama hebben de consequenties uit de mislukking getrokken: zo vlug mogelijk weg uit Irak. Bij John McCain is er moeilijker achter te komen. Hij noemt zichzelf conservatief, maar hij heeft liberale neigingen. En ook is hij doelwit geweest van de sinistere achterklap waarmee Amerikaanse verkiezingen nu eenmaal gepaard gaan. Dat hoeft ons in Europa verder niets aan te gaan.
In dit geval draait het in de eerste plaats om zijn standpunt met betrekking tot Irak, en daarna om welk beleid hij in het Midden-Oosten zou voeren. Het valt niet mee. Hij heeft zich laten ontvallen dat Amerika desnoods nog honderd jaar in Irak blijft. En zijn denkbeelden over Israël en Palestina missen scherpe contouren, waarmee hij de verdenking op zich laadt op dezelfde voet verder te willen. Niet met de ver-sleten verkooppraatjes, maar wel in essentie is dit de benadering waaraan we nu vijf jaar gewend zijn.
Over de uitkomst van de worsteling tussen Clinton en Obama valt nog niets te zeggen. McCain zal wel de Republikeinse kandidaat worden, maar hij is verwikkeld in een strijd met zijn belagers in eigen kamp over zaken die met de wereldpolitiek niets te maken hebben. Wat hij daarna met Irak (en Afghanistan) wil, belooft meer van hetzelfde. Een taalkundige redding uit de waanwereld waarin het Westen deze eeuw terecht is gekomen, zit er voorlopig niet in.