Waar begint het gedicht?

In 2015 verscheen bij Stanza 34 van Çağlar Köseoğlu. Een chapbook van nog geen 24 bladzijden en 12 teksten, met op de rechterpagina zinnen die samen verdacht veel op poëzie lijken en op de linkerpagina ironische, intrigerende stellingen of vragen van één regel, zoals ‘Mustafa is een formeel principe’ en ‘Mustafa is de stichter van Turkije’, verwijzend naar Atatürk. In de korte ‘Noot’ gaf Köseoğlu een voor mij broodnodige bijsluiter bij deze kleine, politiek geladen en beladen bundel: ‘De titel 34 verwijst naar het aantal civiele doden als gevolg van een luchtaanval van het Turkse leger op 28 december 2011. De 34 Koerdische jongens en jonge mannen uit het zuidoostelijke Uludere waren ongewapend en keerden op dat moment terug van grenshandel met familieleden in Noord-Irak. Ze werden gebombardeerd door twee F-16’s.’

De toelichting laat geen misverstand bestaan over de woede, de verontwaardiging en het gevoel van machteloosheid achter 34, maar in de gedichten zelf kiest Köseoğlu voor meerduidigheid, lijkt hij als de dood voor stereotypering en gemakzuchtig engagement, terwijl hij tegelijkertijd iets wil zéggen. Het levert poëzie op die mij confronteert met mijn blinde vlekken en de vele gaten in mijn kennis.

Ook Nasleep, Köseoğlu’s nieuwe bundel die als debuut wordt gebracht maar wat mij betreft kan gelden als zijn tweede werk, heeft een toelichting die me op weg helpt, want wederom kiest de dichter rücksichtslos voor het experiment en een directheid die van geen contextualiseren wil weten. De bundel neemt de nasleep van de protesten rondom het Gezipark in 2013 als vertrekpunt, en wil verkennen ‘wat er is overgebleven van dit historische moment waarin een andere wereld voor het grijpen leek’. In die bewoording ligt de ontgoocheling al vervat.

Nasleep lijkt op een sos van een strijdbare, moedeloze samenleving. Zo’n noodkreet is per definitie niet bijster overzichtelijk of samenhangend, en daar is het de dichter ook niet om te doen. De teksten smeken om slow reading. Geen poëzie waar je lekker bij kunt wegdromen of die het goed doet op bruggen of kussenslopen, maar die uitdaagt in taal, vorm en inhoud. Köseoğlu lijkt zich hyperbewust van zijn werkwijze, en flirt met het gemakzuchtige verlangen van de lezer naar onverbloemde stellingname in titels als ‘Pppssssstttt, ben jij ook geïnteresseerd in politiek?’ of ‘totale oorlog, anders begint het gedicht nooit’.

Ja, waar begint het gedicht? Direct in de eerste regels ‘de politie wordt weggejaagd uit Gezi Park door demonstranten die het overnemen/ als een metafoor voor iets totaal anders en totaal onverschilligs/ dus ik begon na te denken over totaliteit, over winkelen als een wereldsysteem’? Of begint het pas écht in de daaropvolgende regel, ‘Tayyip istifa Tayyip istifa Tayyip istifa Tayyip istifa Tayyip’, waarin Köseoğlu de protesterende menigte van destijds opnieuw laat schreeuwen om het aftreden van president Recep Tayyip Erdoğan?

Köseoğlu vliegt heen en weer tussen werelden en houdingen, tussen ernst, ironie, humor, cynisme en desillusie. De ene keer lees ik: ‘we zijn allemaal woontorens rondom Taksim, gebouwd voor speculatieve doeleinden en mooi’, en dan weer: ‘alles moet veranderd worden door iedereen anders blijft iedereen nergens/ maar ik bedoel je wéét dat liberalen niet naar mensen in parken luisteren, toch?’ In ‘totale oorlog, anders begint het gedicht nooit’ lijkt de hypocrisie van de internationale gemeenschap voorbij te komen in regels als ‘beschaafde landen kijken toe hoe in Egypte een door het volk gekozen leider wordt afgezet’ en ‘wij zijn hier niet gekomen om macht uit te oefenen, maar om te dienen’. Ook hier blijft het gedicht ambigu en ambivalent, met regels als ‘dit is onze porno en dit is onze pornomuziek/ geef ons 400 lijken en we houden het voor gezien’. In ‘poetics of küresel demiştim sana plosieven ki’ is de meertaligheid op het eerste gezicht ronduit hermetisch en uitdagend:

başbakan barricades net als ons quote unquote
kiss your peaceheads bize ne gating fencing air
inmiddels bevestigd Türk müsün therefore he is

Oorlogstaal? Verzetstaal? Taal die de censuur wil omzeilen door te verkruimelen? Als ik lees: ‘wat heeft Egemen Bağış jou eigenlijk ooit misdaan?’, is dit dan de ongefilterde stem van de macht die de handel en wandel van deze corrupte politicus goedpraat, of is het een cynisch commentaar óp die uitspraak?

Wat gebeurt er na de opstand, met degenen die ‘achterbleven in de nasleep’? Het lijkt niet helemaal voor niets. Al is het ‘revolutionaire moment’ voorbij en de ‘politieke horizon weer gesloten’, toch zijn er onherroepelijk ‘nieuwe werelden’ in gang gezet. Klinkt hoopvol. Dit niet: ‘dit is een gedicht voor het Egyptische volk/ jullie mogen me nu uitlachen’ en: ‘het plein als locus van politieke verandering// zo klinkt het falen van de toekomst.’

De dichter voegt zijn stem bij alle anonieme achtergebleven stemmen, en wil zien wat poëzie nog kan uitrichten:

ik bedoel er zijn dingen die een gedicht pretendeert te doen
maar die het uiteindelijk nog niet doet en
die jij gewoon kunt verwezenlijken in je eigen tijd

Köseoğlu wil ‘poëzie die verdergaat dan het reproduceren van onze impasse’ en gooit me in het diepe met zijn meertalige, veelvormige werk. Hij heeft zo zijn twijfels over de haalbaarheid van poëzie, de haalbaarheid van een gemeenschap. Toch schrijft hij, en hoe. Vanuit IJsselmonde, godbetert.

twitter-hater Erdogan nu zelf aan het roken: it won’t do

Turk weet dat hij geen Koerd is maar hé volgens mij word ik

exploitatie van corruptie door polyfonie met democratie voor

mijn zoon luister goed: jij bent degene die erachter zit

macht als een brute repressieve kracht fuck governmentality

voor het eerst ontwikkeld als een kritiek op Chantal Janzen

Macedonië! Griekenland! schiet op ons we willen allemaal

een discontinue ontologie als een esthetische strategie films

is de Europese Unie een fascistische organisatie of

wat zeggen de vogels de lente die boven het graf uitstijgt

op zoek naar gedichten over de politie dan zit je hier goed

wie zijn wij zonder jóú — grote, welgevormde, sublieme