Over Haren, YOLO, zelfbewustzijn en literaire paardenmiddelen

Waar ben je bang voor?

Ironie zit in het DNA van ons tijdperk, maar de jonge generatie schrijvers en intellectuelen kijkt er anders tegenaan dan de voorgangers. Als je iets wilt bouwen, kan ironie nooit je materie zijn.

Medium de ironie voorbij

Het Project X-feestje kun je met recht een ironisch feestje noemen. De duizenden jongeren die naar Haren kwamen wisten dat er geen verjaardag was, geen gratis bier, geen optredens, en toch droegen ze zelfgemaakte T-shirts waarop ze het ongelukkige jarige meisje Merthe feliciteerden, hadden ze massaal feesthoedjes op en bliezen ze op roltoeters.

Ze deden alsof er een feest was, en schiepen daarmee het feest. Het was allemaal heel postmodern verantwoord.

Volgens de commissie-Cohen lag de schuld van het escaleren bij de burgemeester, die te weinig bestuurlijke bevoegdheden inzette en wiens ‘er is geen feestje’-mantra hopeloos impotent bleek; bij de gemeente die de opzwepende werking van sociale media volledig over het hoofd zag; en bij de politie zelf, die oog in oog met een zich onkwetsbaar voelende groep jongeren met te weinig middelen te weifelend optrad. De commissie-Cohen had nog veel meer reuze interessante dingen ontdekt, bijvoorbeeld hoe Facebook werkt (Cohen: ‘Een eerste bericht in een serie is een “post”. Op een post kunnen “reacties” komen’), dat jongeren opvliegend kunnen zijn (‘Wat je je moet realiseren is dat jongeren dingen spannend vinden’), maar dat er achter de rellen geen kwade invloed zat van bijvoorbeeld hooligans. Het waren gewone jongeren, die zich lieten gaan. Ook had oud-pvda-leider Job Cohen een verklaring waarom de jongeren naar Haren gingen, hoewel ze allemaal de berichten hadden gelezen dat er geen feestje zou zijn: de overgrote meerderheid ging naar Haren vanwege ‘YOLO’, de term die de huidige jeugdcultuur zou dekken en meteen de ondertitel was van zijn rapport: You Only Live Once.

Aldus Cohen, geboren in 1947. Hij legde uit dat hij in zijn jeugd de term ‘YOLO’ ook kende, het gevoel dat het leven erom draaide dat je grote dingen mee moest maken, al formuleerde men het in zijn tijd anders, namelijk als ‘Und ihr könnt sagen, ihr seid dabeigewesen’.

Alles zit daarin. Om te beginnen dat geen jongere vandaag nog Duits spreekt – opleidingen Germanistiek bloeden al jaren dood. Daarnaast dat YOLO een term is die zó 2012 is dat alleen Kamercommissies hem nog durven te gebruiken. En bovendien dat YOLO in de jonge volksmond zelden oprecht wordt gebruikt – het is een hartenkreet doorspekt met ironie. Jongeren zeggen het niet als mantra om zichzelf aan te moedigen. YOLO is nooit de conclusie van een zin als ‘Ik ga na mijn eindexamen een jaar ­weeskinderen helpen in Afrika – YOLO weet­jewel’, het wordt niet geroepen vlak voordat jongeren aan bungeejumptouwen van bruggen afspringen, of door mensen die op het punt staan hun nier te doneren aan een zieke vriend of vriendin.

Je hoort ’m eerder achter in de Starbucks: ‘Kom, we bestellen nog een tall mokka frappuccino. YOLO.’ Of: ‘In principe had ik aan zes McNuggets best genoeg… maar ik bestelde er toch negen. YOLO.’

In het eerste officiële nummer van literair tijdschrift Das Magazin begint een kort verhaal van Daan Heerma van Voss ermee. De eerste zin: ‘“De shit is aan”, zei Emile tegen zichzelf. “YOLO.”’ De shit, die in dit geval aan is, bestaat uit drie lethargische jongens die op de bank hangen en filosoferen over het beginnen van een literair tijdschrift.

In haar veelbesproken essay How to Live without Irony stond Christy Wampole helaas niet stil bij de kreet YOLO, al raakt alles wat ze schrijft eraan. Voordat ze bij de vraag arriveert hoe ironieloos leven er precies uitziet, beschrijft ze eerst hoe het ironische leven werkt. Als testcase neemt ze de hipster die je vandaag de dag in alle grote steden en op alle universiteiten tegenkomt: een jongen of meisje geboren in de jaren tachtig en negentig, die nostalgie belichaamt naar een tijd die hij of zij nooit heeft mee­gemaakt, zich hult in hopeloos verouderde mode (een snor, een hoedje, te korte broeken), zich bezighoudt met verouderde techniek (walkman met cassettebandjes) en met verouderde hobby’s (een volkstuintje). De hipster, schreef Wampole, ‘harvests awkwardness and self-consciousness. Before he makes any choice, he has proceeded through several stages of self-scrutiny. The hipster is a scholar of social forms, a student of cool.’

Wampole erkende dat de hipster de vlees­geworden ironie was, de overtreffende trap, maar zei ook dat ironie iets is wat bij veel mensen (van pak ’m beet onder de veertig) dusdanig geïnternaliseerd was dat ze ernaar leven zonder het zelf door te hebben. Dus stel jezelf de vraag, zei Wampole: doe ik me vaak onverschilliger voor dan ik ben? Trek je expres niet-mooie kleren aan? ‘Met andere woorden, is jouw stijl een anti-stijl?’ En: hoeveel hyperbolen gebruik je? Welk percentage van wat je zegt betekent daadwerkelijk iets?

Met andere woorden: hoe vaak zeg je ‘YOLO’ en betekent dat iets reëels? Wanneer doe je nou echt iets omdat je maar één keer leeft, omdat je maar één kans hebt en je alles moet uitproberen? Door naar Haren te gaan? Echt?

‘Dude, stond je nou met die ene dikke chick in de hoek te…’

‘Gast: YOLO.’


Voordat How to Live without Irony in het opiniekatern van The New York Times verscheen (17 november 2012) was Christy Wampole ‘gewoon’ een assistent-professor Frans aan Prince­ton. Inmiddels is haar essay een landmark geworden in het Amerikaanse debat over ironie, dat de afgelopen jaren in alle hevigheid werd gevoerd. Op de website van de NYTimes alleen al reageerden meer dan zevenhonderd mensen, op alle zichzelf een beetje serieus nemende culturele websites en blogs verschenen concurrerende essays, vaak negatief over Wampole, die te vaag zou zijn, alle jongeren over een kam zou scheren met een subgroep, of gewoon een hormonale afkeer van hipsters zou hebben.

De aandacht was zo overweldigend dat de Times een paar dagen na de publicatie Wampole zelf maar interviewde. Ze vertelde dat ze het idee heeft dat haar studenten op Princeton in de klas slim zijn, professioneel, betrokken – maar wanneer ze ze meemaakte in de persoonlijke omgang, in gesprekken, of in het campusleven, dan pas merkte ze hoezeer de ironie deel uitmaakte van hun dna: ‘Er is een soort constante hyperbolische insteek in alles wat ze zeggen, en hun omgang bestaat vaak uit een ondoor­broken reeks van korte ironische opmerkingen die steeds eindigen in een totale negatie van welk onderwerp er besproken wordt.’

Natuurlijk, erkende Wampole, heb je het dan al snel over hoogopgeleide jongeren, uit minstens de betere middenklasse; de jongeren die een scherpe blik hebben op de cultuur waar ze deel van uitmaken en daarmee een vlijmscherp zelfbewustzijn kweken. Hoe hoger dat zelf­bewustzijn, hoe kwetsbaarder ze zich voelen voor afwijzingen en mislukkingen, hoe meer ze ironie gebruiken als een afstompend valkussen. Want een ironisch leven is een leven dat niet aangevallen kan worden, omdat het zichzelf al overwonnen heeft. In een ironisch leven draag je, bijvoorbeeld, niet-modieuze kleren die je ook zelf niet mooi vindt, dus niemand kan je erop aanspreken dat je kleren niet mooi zijn. Mooi is kwetsbaar, anti-mooi juist kogelwerend. Ironie is zo de meest zelfverdedigende modus die er is, omdat het je de mogelijkheid geeft alle verantwoordelijkheid voor je eigen keuzes te ontlopen. ‘To live ironically is to hide in public’, schreef Wampole, want: ‘Somehow, directness has become unbearable to us.’

Om het weer naar Haren te vertalen: helemaal uit je dak gaan op een feestje dat geen feestje is, hoort bij het ironische leven. Proberen helemaal uit je dak te gaan op een feestje dat je zelf hebt georganiseerd, met je beste vrienden, is zo ondraaglijk direct dat we het maar niet eens proberen.


Het onhandige van Wampole is tegelijkertijd dat je je afvraagt of ze met haar essay nu precies op tijd kwam, of juist net te laat. Want is dit ook niet het tijdperk van ultra-oprechte indie- artiesten als Arcade Fire, Vampire Weekend en Mumford Sons? Zijn de door intellectueel jong oud goedgekeurde films van Judd ­Apatow en Wes Anderson niet geheel ironieloze excursies naar eerste liefdes, huiselijk geluk en ouder worden? Zijn de hipsters met hun rare hobby’s en gekke kleding niet met een oprechte poging bezig uit de mainstream te stappen, om een eigen invulling aan hun leven te geven? En leven we in de letteren niet in het tijdperk van David Foster Wallace, die sinds zijn zelfmoord in 2008 tot een soort martelaar van de anti-ironie is uitgeroepen, en zeker over de jongere generatie Amerikaanse schrijvers een slag­schaduw werpt?

Die zelfmoord, op 46-jarige leeftijd, is een soort kruis van Christus dat boven de ironie-discussie hangt. Bij leven schreef Wallace maar twee romans – vuistdikke, vol voetnoten en kleine lettertjes, academische dingen die ondanks de gloedvolle recensies lang niet zo veelgelezen zijn als hun status zou doen vermoeden: The Broom of the System (1987) en Infinite Jest (1996). Zijn zelfgekozen dood had meer te maken met klinische depressies die hij van jongs­ af aan niet wist af te schudden, dan met iets anders, maar het leek samen te vallen met wat hij in zijn fictie en in zijn essays op duizend-en-één manieren en vormen predikte: dat het allerbelangrijkste in het leven is je te richten op wat echt belangrijk is, en dat wat echt belangrijk is zich niet altijd als vanzelfsprekend openbaart, dat het tijd en energie kost en waarschijnlijk geen instant bevrediging ­oplevert. Dat was, zoals hij het formuleerde in een speech aan zojuist afgestudeerden,‘being able truly to care about other people and to sacrifice for them, over and over, in myriad petty little unsexy ways, every day’, met als eindresultaat dat je uiteindelijk zult bevinden ‘that you, perhaps, are not alone.’

Doordat Wallace voor de dood koos, lijkt het bijna alsof zijn generatie (collega’s en lezers) hem te kort is geschoten, dat hij, perhaps, wel alleen was. Dat de ironie die als mist tussen mensen in hing, bij Wallace nog dichter was.


Als het aan P.F. Thomése lag kwam Wampole veel te laat. Op de opiniepagina’s van NRC Handelsblad schreef hij half februari een pleidooi voor de ironicus, die ‘raak (kan) schieten door heel precies net naast het doel te mikken.’ Een pleidooi dat volgens hem hoogstnoodzakelijk was, want de ironie leek aan alle kanten ingesloten te worden door moralisme. Allereerst vertaalde Thomése ironie als een zuiver literaire vorm: ironie was één ding zeggen, en iets anders bedoelen. ‘Lees maar, er staat wat er niet staat.’ Maar ook hij vertaalde het naar een bredere levenshouding, namelijk naar het besef ‘dat het mogelijk ook helemaal anders zit. Het eigen ongelijk als leidraad voor het denken.’

Daarmee kwam Thomése dan ook op zijn afkeer van David Foster Wallace: diens oproep tot authenticiteit zag hij als een oproep naar een taal waarin ‘echt’ en ‘puur’ en ‘waar’ zonder aanhalingstekens worden geschreven, een schreeuw om de invulling van ‘kernbegrippen als “eerlijkheid”, “oprechtheid”, “werkelijke betekenis” en – waarom ook niet – “God”’. Er volgde een uitleg van Thomése, wat er precies mis was met deze ‘eerbiedwaardige woorden’, maar als je tussen de regels door las (er staat wat er niet staat, niet waar) kon je zijn motivering al veel eerder zien. De door hem zo gewaardeerde ironicus opereerde immers uit de overtuiging van het alom aanwezige ongelijk, dus het idee dat iemand gelijk heeft, dat iets een ‘werkelijke betekenis’ heeft, een absolute waarde, is onvoorstelbaar/onverdraagbaar. Je krijgt het idee dat dat ene grapje, dat ene overdrijvinkje – dat ‘waarom ook niet – “God”’ – de eigenlijke reden was waar het Thomése om te doen is. Om God. Thomése kan niet iemand een waardeoordeel horen geven zonder aan een dominee te denken. Daarom kan hij niet anders dan tegenover ironie moralisme zetten (alsof je haute cuisine uitsluitend tegenover een opgewarmde drol kunt zetten); het is niet zo dat Wallace zonder aanhalings­tekens wil denken, het probleem is dat Thomése niet meer zonder kan.

Wat je (ik) vooral dacht als je Thomése las: waar ben je bang voor? Waarom zou het jou dwars zitten dat iemand ergens van overtuigd is waar jij niet van overtuigd bent?

Op de literaire website Ooteoote noemde de essayist Merijn Oudenampsen de hang van Thomése naar ironie vanuit de losse pols ‘een zeker generationeel trauma. Het is het trauma van de verzuiling, van de generatie die in opstand kwam tegen de verkrampte pastoren- en domineemoraal en de dwingende sociale controle uit de jaren vijftig. Het nihilisme verschafte een ontsnappingsroute voor deze generatie van cultuurmakers. Het wees hen de weg naar een ruimte waar vrij adem gehaald kon worden.’ Die lijn kun je verder doortrekken, naar de jaren tachtig waarin de vrije markt voorrang kreeg boven engagement, en naar de jaren negentig toen ironie een perfect middel was om de laatste restjes Koude Oorlog-denken op te ruimen.

Maar inmiddels is dat landschap geruimd. De jongere generatie schrijvers heeft de verzuiling niet meer meegemaakt, zij kijkt uit over een landschap dat wijd open ligt en dat nu bebouwd kan gaan worden.


Nog iets generationeels: in de week na Tho­mése’s essay was ik te gast op een literaire avond in De Balie. Onderwerp van discussie was wat ‘Generatie IK LIT’ werd genoemd, het idee dat jonge schrijvers het schrijven van literatuur niet als einddoel zien, maar als middel – om bekend te worden, om populair te zijn, om meer volgers op Twitter te krijgen. Et cetera.

De zaal zat vol en ik zou graag zeggen dat dat met mij te maken had, maar het zegt eerder iets over de populariteit van schrijversavonden in Amsterdam in het algemeen. Het ging allemaal prima, ik droeg mijn nieuwe jasje, ik maakte ten minste drie grappige grappen, maar de interviewster bleef mij en de andere jonge schrijvers dezelfde vragen stellen: was het moeilijk een contract te krijgen bij een uitgeverij? Kun je leven van je schrijverschap? Voelen jullie je hip als schrijver? Zijn schrijvers de nieuwe dj’s?

Dat er in de zaal al wat geroezemoesd werd viel me op, maar dat het ’t publiek zo hoog zat werd pas duidelijk bij het vragenrondje. Toen kwam de zaal ronduit in opstand. Waarom werden er geen vragen gesteld over wat ons elke avond achter de computer deed plaatsnemen om te schrijven? Waarom hadden we het niet over wat ons echt bezig hield? Er kwamen nog veel meer vragen: is ironie nog wel relevant in de literatuur, en zo niet, wat zegt het dan dat Grunberg de meest gelauwerde auteur lijkt te zijn, is hij geen ironicus? (Ik denk het niet, zei ik. Of niet meer. De gekke frictie in Grunbergs romans ontstaat volgens mij juist doordat hij zijn personages ironisch behandelt, maar inzet om moralistische vraagstukken te behandelen.)

Maar de belangrijkste vraag was even simpel als direct: wat is als schrijver je materie? Met terugwerkende kracht, bedacht ik, was dat wat me het meest dwarszat aan Thomése’s betoog. Als je iets wilt bouwen, kan ironie nooit je ­materie zijn. Waarom zou je iets willen opschrijven dat alleen tussen aanhalingstekens kan staan?

En het bleef nog lang onrustig in De Balie.


De critici van Wampole werd het gemakkelijk gemaakt: ze hoefden alleen maar te wijzen op wat er in de Engelse letteren aan de hand is, de golf gerenommeerde schrijvers die je onder de vlag van de ‘New Sincerity’ kunt scharen, de Nieuwe Oprechtheid, gevormd door de nazaten van Wallace, met hoogliteraire romans, vol postmoderne vormvariaties en vertelmanieren, die desalniettemin nergens ironie nodig hebben. Dave Eggers groeide uit tot de meest invloedrijke schrijver van zijn generatie, met vol­komen geëngageerde romans over vluchtelingen uit Soedan, door veiligheidsdiensten onteerde moslims in New Orleans, en Amerikanen die de krediet­crisis net niet lijken te gaan overleven. Gerespecteerde auteurs als Zadie Smith, Michael Chabon en Jonathan Franzen schrijven oprechte, (ook in Nederland) populaire romans met een sterk gevoel van moraliteit – ja, ­sommige dingen zijn nobel, sommige dingen zijn kwaadaardig, en je bent geen moralist als je dat opschrijft. Je bent eerder opportunist als je dat niet doet, of als je het telkens tussen aan­halingstekens moet zetten.

Maar nu zijn dat de meest succesvolle voorbeelden, die bovendien allemaal al meer dan tien jaar lang romans publiceren. De jongere romanschrijvers die de afgelopen twee, drie jaar de markt op zijn gekomen, zijn wel opgegroeid met de zelfbewuste mindset, ze zijn ‘scholars of social forms’, zoals Wampole ze noemde, door media als Facebook getraind in zelfreferentie. Ze hebben zichzelf zo geprogrammeerd dat elke beslissing voordat zij genomen wordt door alle gradaties van zelfonderzoek heen gaat, met ironie als airbag. Maar een kunstwerk maken, een roman schrijven of een film draaien is geen ironisch Project X-feestje, waar iets wordt afgebroken. Het is per definitie iets opzetten, iets maken waar je zelf in gelooft, het is, om maar even in deze metaforiek te blijven, het feestje zelf organiseren.

Dat is niets nieuws – de dood van David Foster Wallace is niet écht een waterscheiding – maar het is de houding ten opzichte van ironie die is gedraaid. Misschien dat de generatie schrijvers van Thomése de stap naar ironie moest maken, door de betutteling heen, om volwassen te worden; de nieuwe generatie zal om volwassen te worden de stap moeten zetten door ironie heen.