Waar ben je nu?

De Eerste Kamer behandelt volgende week de Wet Bewaarplicht Telecommunicatiegegevens. Dit is belangrijk, want als de senaat met de wet instemt, worden al onze telefoon- en internetgegevens afgetapt en voor een jaar bewaard, zodat de overheid die kan opvragen voor de bestrijding van ernstige misdaad en terreur.
De dataretentierichtlijn is reeds drie jaar geleden in het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie aangenomen. Deze richtlijn regelt dat lidstaten hun providers en telecombedrijven verplichten alle verkeersgegevens van hun klanten op te slaan, te bewaren en zo beschikbaar te houden voor politie en justitie. Lidstaten kunnen zelf alleen nog de bewaartermijn bepalen: van een half jaar tot twee jaar.

In Nederland koos onze ijverige Justitieminister Ernst Hirsch Ballin meteen voor achttien maanden. De Tweede Kamer wist dat terug te brengen tot een jaar. Binnen de Eerste Kamer leven principiële bewaren tegen deze ingrijpende maatregel. De senatoren hebben hun huiswerk goed gedaan. Ze lieten experts uitzoeken of het systeem waterdicht zou werken. De uitkomst was dat het een forse inbreuk is op de privacy. En een zinloze. De bewaarplicht is namelijk te ontduiken, omdat de wet (nochtans) geen betrekking heeft op de nieuwe vormen van elektronische communicatie, zoals de social networks (Hyves, LinkedIn), msn, skype en op de gratis mailprogramma’s, zoals gmail en hotmail. De handige jongens lachen zich rot om de achterhaalde kijk op de digitale samenleving van de plannenmakers in Brussel
Experts toonden ook dat 98 procent van de data uit spam bestaat en dat kunnen providers niet scheiden van inhoudelijke berichten. Wat de diepgang daarvan is, weet je als je op een terrasje of in de trein ongewild een gesprek opvangt. Waar ben je nu? Wat eten we vanavond? – tussen al dat gebabbel moet de overheid naar de spreekwoordelijke speld – ‘relevante informatie’ – in de hooiberg zoeken.
Nut en noodzaak van dit systeem worden betwijfeld. Bovendien kan de overheid in de toekomst al die gegevens van burgers, hoe onnozel ook, gebruiken voor andere doeleinden. Daar komt bij dat mensen in e-mails vaak impulsief en onnauwkeurig hun emoties en gedachten formuleren. Die uitwisseling kan steekwoorden bevatten die vallen binnen de risicoprofielen, waardoor het Openbaar Ministerie denkt ‘op het spoor te zijn van gevoelige informatie’. Het risico is dat het OM dan opsporingsbevoegdheden krijgt die het voorheen niet had. En het gaat voorbij aan het beginsel dat gedachten vrij zijn.
Dat de overheid hiermee een gevaarlijke weg inslaat, is aan Hirsch Ballin en diens politieke medestanders niet besteed. De christenen en socialisten in deze regering willen als geobsedeerde ouderlingen het gedrag van burgers controleren om grip op de gemeenschap te krijgen
Wat kan de Eerste Kamer nu doen? GroenLinks stelt dat er twee mogelijkheden zijn om zich te verweren: tegen stemmen totdat in 2010 de richtlijn in Brussel is geëvalueerd of de termijn terugbrengen tot het minimum van zes maanden. In het eerste geval moet de minister terug naar de tekentafel in Brussel, in het tweede geval naar de Kamer. Beide uitkomsten zal Hirsch Ballin tandenknarsend moeten aanvaarden. Hopelijk is de senaat zo wijs zich niet te laten lenen voor het accorderen van dit systeem dat het mogelijk maakt dat de overheid precies weet waar je bent en wat je denkt.