Lessen voor Jan de Wit

Waar blijft de hellehond van de Zuidas?

De parlementaire enquêtecommissie ‘financieel stelsel’ begint binnenkort aan de tweede reeks openbare verhoren. Het onderzoek moet leiden tot een grondige aanpak van de financiële sector. Tachtig jaar geleden boekte de Amerikaanse Senaat vanuit een vergelijkbare situatie succes.

IN NOVEMBER houdt de parlementaire enquêtecommissie ‘financieel stelsel’ onder leiding van SP-Tweede-Kamerlid Jan de Wit haar tweede serie openbare verhoren. Het eerdere werk van de commissie leverde een opsomming op van de benodigde veranderingen in de financiële sector, maar niet de politieke wil om die te realiseren. Drie jaar nadat de bankiers de economie lieten ontsporen eisen ‘de markten’ nu op hoge toon dat de politiek alle schuld op zich neemt. De komende verhoren bieden politici de laatste mogelijkheid de bankiers aan te spreken op hún verantwoordelijkheid. De laatste kans om de weg te effenen voor de hervormingen die nodig zijn om de financiële sector weer in dienst van de samenleving te laten functioneren. Hervormingen zoals de Amerikaanse president Roosevelt die in de jaren dertig van de vorige eeuw doorvoerde. De vraag voor Jan de Wit en zijn commissie is: hoe deze laatste kans te benutten?

Bijna tachtig jaar terug, januari 1933, bevond aan de andere kant van de oceaan een voorzitter van een parlementaire enquêtecommissie naar de financiële crisis zich in een vrijwel even hopeloze situatie als Jan de Wit. Peter Norbeck, de Republikeinse senator voor Zuid-Dakota, had in de tien maanden dat hij leiding gaf aan de commissie weinig tot niets bereikt. Ondanks de diepe ellende van de Grote Depressie die volgde op de beurskrach van 1929 stonden de bankiers nog stevig op hun voetstuk. De wet die een einde moest maken aan het gegok met spaargeld stond op het punt te sneuvelen. De bankierslobby betoogde met succes dat het niet ging om wetten, maar om mensen. En dat de Amerikanen konden rekenen op de eerlijkheid van hun bankiers. Mannen die zich bewust waren van hun publieke taak, en deze beter dan wie ook konden vervullen. In maart 1933 zou het mandaat van de enquêtecommissie verlopen. Een commissie die al in geen maanden meer iets had ondernomen. Meerdere commissieleden wilden er voortijdig een punt achter zetten. Bovendien bedankten gerenommeerde juristen voor de eer om de verhoren te leiden.

Toch kon de kersverse president Franklin D. Roosevelt nog geen drie maanden later een grondige hervorming van de financiële sector doorvoeren. Binnen honderd dagen joeg hij de wetten die het Westen de rest van de eeuw van diepe financiële crises zouden vrijwaren door een gewillig Congres. Pas toen rond de millenniumwisseling Roosevelts wetten waren ontmanteld, kon de financiële trein weer ontsporen.

WAT VERKLAART deze opmerkelijke omslag in het voorjaar van 1933? In belangrijke mate is dit het succesverhaal van één man, de in een Siciliaans bergdorpje geboren Ferdinand Pecora, een kleine Italiaanse immigrant die zou uitgroeien tot de schrik van Wall Street. Pecora toonde de natie dat niet elke bankier de goudeerlijke kasbewaarder is waar deze zich voor uitgaf. Daarvoor volstonden tien in grote haast voorbereide verhoordagen. In zijn boek The Hellhound of Wall Street doet de Amerikaanse hoogleraar Michael Perino het verhaal nauwkeurig uit de doeken.

Toen senator Norbeck op 22 januari 1933 Ferdinand Pecora belde met de vraag of deze de verhoren wilde leiden, verkeerde Pecora in de veronderstelling dat deze al over waren. Pecora, inmiddels een succesvol advocaat in New York, had minder dan een maand de tijd om zich voor te bereiden. De verwachtingen waren dan ook niet hoog gespannen.

Pecora’s voornaamste slachtoffer was Charles E. Mitchell, bij tijdgenoten beter bekend als ‘Sunshine Charlie’. Mitchell was de bestuursvoorzitter van City Bank, de grootste bank van het land. De bank ook die in de roaring twenties voorop liep met het ‘democratiseren’ van de financiële wereld. Iedereen kon een rekening openen bij een van de City Bank-kantoren die als paddenstoelen uit de grond schoten. City Bank was innovatief: kantoren op de begane grond, zodat iedereen binnen kon lopen. City Bank was agressief: verkopers sleten hun aandelen aan de deur en op zondag bij de uitgang van de kerk. De nieuwe spaarders, ‘kleine maar zich ontwikkelende kapitalisten’ volgens de bedrijfsfilosofie, werd geadviseerd om hun spaargeld te beleggen in nieuwe technologieën als elektriciteit, gas, vliegtuigen en in de opkomende markten van Zuid-Amerika. Beleggers hoefden zich geen zorgen te maken, want de ervaren staf van City Bank had uitgebreid onderzoek gedaan naar de kredietwaardigheid van deze bedrijven en landen. Het grote publiek liet zich gemakkelijk verleiden. Toen in 1929 de aandelenkoersen naar beneden doken, verdwenen de spaarcenten in het putje van Wall Street.

Bij aanvang van de verhoren verkeerde het land in een erbarmelijke staat. De helft van de werknemers in de industrie zat zonder baan, de journalisten die nog werkten hadden de helft van hun salaris ingeleverd en in Central Park roosterden de mensen voor hun tentjes de duiven die ze te pakken hadden weten te krijgen. Terwijl in de stad honger werd geleden, dreven boeren hun vee het ravijn in omdat de marktprijzen de kosten van transport niet dekten. Sinds de beurskrach van 1929 hadden duizenden banken de deuren gesloten. Een depositogarantiestelsel was er niet, waardoor miljoenen spaarders berooid achterbleven. Bankruns waren aan de orde van de dag. Bij het begin van de verhoren escaleerde de situatie verder toen de banken in Michigan, met Detroit als het industriële hart van het land, de deuren sloten.

De kwalijke rol van City Bank en haar voorzitter bij het ontstaan van de crisis was overigens niet onopgemerkt gebleven. Senator Carter Glass, de financiële nestor van de Senaat, stelde dat Mitchell een grotere verantwoordelijkheid droeg voor de financiële ellende van het land dan de volgende veertig bankiers bij elkaar. De kritiek spitste zich vooral toe op het gebrekkige voorspellingsvermogen van Sunshine Charlie, de man die altijd enkel de zon in het water had zien schijnen. Weinigen verdachten hem van kwade opzet. Zijn positie aan het hoofd van City Bank stond niet ter discussie en Mitchell was nog altijd een veelgevraagd adviseur. De burgemeesters van New York raadde hij aan vooral te bezuinigen. Toen Pecora hem opriep als getuige stond Mitchell op het punt naar Italië te vertrekken om Mussolini te adviseren over de stabilisering van de lire.

Mitchells positie wankelde vanaf de eerste verhoordag door de onthullingen over de beloning van de top bij City Bank, het ontduiken van belastingen, het manipuleren van de aandelenhandel en de uitgifte van dubieuze obligaties. Zo bestond de beloningsstructuur van het hogere management van City Bank uit een volgens Mitchell ‘laag basissalaris’, nog altijd tweemaal dat van een succesvolle advocaat als Pecora, met daarbovenop een bonuspot die volliep als de winst een bepaalde grens oversteeg. Hierdoor had het management een sterke prikkel om alles te doen wat maar nodig was om de winst boven die grens te tillen. Aangezien deze bonuspot tweemaal per jaar werd uitgekeerd, deden risico’s die verder weg lagen dan een half jaar nauwelijks ter zake. Elke begeleide beursgang leverde het management direct geld op. Eventuele daaropvolgende koersdalingen kwamen voor rekening van de belegger. Mitchell verdiende tussen 1927 en 1929, omgerekend naar dollars van vandaag, een half miljard dollar.

Al dat geld moest natuurlijk wel ergens vandaan komen. Uitgebreid vertelde Pecora hoe City Bank daartoe zijn klanten om de tuin leidde, bijvoorbeeld door de uitgifte van uiterst onbetrouwbare obligaties. De bankiers drongen bij Zuid-Amerikaanse landen aan op het nemen van leningen en vertelden de spaarders dat ze een vrijwel risicovrije hoogrenderende investering in de aanbieding hadden. Interne memo’s van City Bank stelden dat Peru in het verleden ‘zorgeloos’ met zijn verplichtingen was omgegaan, dat de staatsinkomsten te laag waren en de president zich had omringd met ‘schurken’. Niets hiervan bereikte de glimmende prospectus op basis waarvan de klanten van City Bank werd aangeraden hun spaargeld aan de Peruaanse overheid te overhandigden. De prospectus van de Braziliaanse staat Minas Gerais meldde dat opeenvolgende besturen van de provincie gekarakteriseerd werden door een ‘prudente en voorzichtige’ aanpak van de financiën. Toch wat anders dan de interne memo die stelde dat de krediethistorie van Minas Gerais getuigde van ‘volledige onwetendheid, onzorgvuldigheid en verwaarlozing’. Dat de provincie het geld gebruikte om oude schulden aan City Bank af te betalen bleef eveneens onvermeld.

DEZE ONTHULLINGEN luidden het einde in van het vroege kapitalisme, het kapitalisme in zijn meest rauwe vorm: zonder overheidsgaranties, regels of toezicht. Roosevelts voorganger, president Hoover, stelde nog dat het ongrondwettelijk zou zijn als de overheid regels ging opstellen voor de New Yorkse beurs. Wie is de overheid om het beter te weten dan de vrije markt? Nu stelde Time Magazine dat de gedragingen van de bankiers niet verboden waren, omdat geen wetgever ze voor mogelijk had gehouden. Sunshine Charlie moest nog tijdens de verhoren terugtreden als bestuursvoorzitter van City Bank. Roosevelt verklaarde bij zijn inauguratie dat de financiers ‘van hun troon waren gestoten’ en voerde een omvangrijk pakket wetten in om de financiële sector voortaan in toom te houden: een informatieplicht voor beursgenoteerde ondernemingen, een toezichthouder voor de beurs en een scheiding van zaken- en spaarbanken. Daarmee legde Roosevelt de basis voor wat de Amerikanen zien als hun ‘gouden periode’, de jaren van economische voorspoed na de Tweede Wereldoorlog. Jaren waarin de internationale financiële wereld aan strenge regels was onderworpen en de economie niet kon ontwrichten.

Helaas valt bij het terugkijken op de vorige grote financiële crisis vooral op hoezeer we weer in oude fouten zijn vervallen. Neem de beloningsstructuur van de moderne zakenbankiers en hedgefondsmanagers die niets verschilt van die van het hogere City Bank-management. Gebleven is ook het blinde vertrouwen in de beoordeling van specialisten waar de belangenverstrengeling vanaf druipt; de credit rating agency’s van nu verschillen wat dat betreft niets van de onderzoeksafdeling van City Bank en zijn tijdgenoten. Gebleven is ook de draaideur tussen de Amerikaanse overheid en Wall Street, die elkaar over en weer gunsten verlenen. De voorzitter van de Democratische Partij schreef eind jaren twintig in zijn dankbrief aan J.P. Morgan, naar aanleiding van de aankoop van een pakket aandelen beneden de marktprijs, dat hij hoopte ‘in de toekomst de kans te krijgen eens wat terug te doen’. Zeventig jaar later was het de Democratische minister van Financiën Rick Rubin die, nadat hij Roosevelts verbod op het combineren van zakenbank- en spaarbankactiviteiten had teruggedraaid, een onduidelijke maar vorstelijk beloonde adviespost accepteerde bij het daardoor mogelijk geworden fusieproduct van twee financiële giganten, genaamd: Citibank. Inderdaad, Sunshine Charlie’s City Bank, vele jaren en fusies verder, en inmiddels de grootste financiële instelling van de wereld. Toen eind 2008 de financiële markten instortten was het deze Citibank die van alle banken de meeste overheidssteun nodig had.

Net als toen verloren ook nu enkele financiële topmannen een belangrijk deel van hun fabelachtige fortuin. Charles Mitchell ging financieel ten onder met zijn City Bank. De ondergang van Lehman Brothers kostte topman Richard Fuld naar eigen zeggen 85 procent van zijn vermogen dat in Lehman-aandelen was geïnvesteerd. Om te voorkomen dat schuldeisers er beslag op zouden leggen verkocht hij zijn huis van 13,5 miljoen dollar voor honderd dollar aan zijn vrouw. Ook Mitchell kon, dankzij gulle leningen van oud-collega-bankiers, na zijn faillissement op stand blijven wonen. We hoeven dus geen medelijden te hebben met de topbankiers.

EEN VERSCHIL tussen toen en nu is de politieke reactie. Roosevelt joeg de financiële sector in 1933 overtuigend terug in zijn hok. Daar is nu geen sprake van. Van de grootspraak over ‘nieuwe vormen van kapitalisme’ van kort na de val van Lehman is weinig tot niets terechtgekomen. In Nederland hebben de banken met een gedragscode de politiek in de wachtstand gezet. Bescheiden internationale afspraken over scherpere kapitaalsregels (het zogenaamde Basel-III-akkoord dat het eigen vermogen verhoogt van drie naar zeven procent, maar bijvoorbeeld Griekse schuld nog steeds met een risicoweging van nul op de balans laat staan) stuiten nu op hevig verzet van banken. Alleen de Zwitsers hebben besloten om de eis aan het eigen vermogen op te schroeven naar een werkelijk veilig niveau. De Zwitserse eis van twintig procent is ingegeven door het feit dat hun financiële gigant UBS een verlies leed van dertien procent. Aan de omvang en complexiteit van de banken is niets gedaan, en alleen in het Verenigd Koninkrijk bestaan hier serieuze plannen voor. Banken zijn eerder groter dan kleiner geworden. Bankiers weten zich daardoor nog altijd verzekerd van een publiek vangnet. Tegelijkertijd kunnen ze nog steeds volop speculeren. De Amerikaanse poging om dit in te dammen (via de zogeheten Volcker Rule) is gestrand. Ondertussen overtreden de Nederlandse banken zelfs in deze matige economische tijden de eigen code rondom het uitkeren van bonussen. Echte hervormingen weten de bankiers tegen te houden met het argument dat het water ze al aan de lippen staat.

De retoriek van de bankiers was destijds niet anders. Ook toen voorspelden banken een verdere economische neergang als hun zegenrijke werk aan banden zou worden gelegd. En dat bij een aanzienlijk dramatischer economische situatie. Maar, zoals historicus Seligman het treffend verwoordt: ‘De eerste honderd dagen van Roosevelt waren een zeldzaam moment dat het geld wel praatte maar niemand luisterde.’

WAT NU zijn de lessen voor Jan de Wit en zijn commissieleden? Hoe het hervormingsvuur hier te doen oplaaien? Want hoewel de complexe financiële producten die het financiële raderwerk eind 2008 stillegden op Wall Street werden verkocht, waren het ‘onze’ bankiers, verzekeraars en beheerders van de pensioenpotten die gretig dit giftige spul opkochten. Zij hadden wel oren naar een ondoorgrondelijk financieel product, met daardoor onzichtbare risico’s, dat elk jaar een aardig rendement belooft. Zo verloren de Nederlandse pensioenfondsen in de crash twintig miljard euro als gevolg van slecht uitgevoerde beleggingsstrategieën, mocht Royal Bank of Scotland bijna twintig miljard euro afschrijven op de overgenomen ABN Amro-inboedel en staat de Nederlandse staat nog steeds garant voor 25 miljard euro aan Amerikaanse rommelhypotheken van ING. Nederland behoort tot de landen die het hoogste percentage van het nationaal inkomen heeft moeten uitgeven aan het redden van zijn banken. Daar komt de nog veel grotere schade bij die de ontsporing van een economie met zich meebrengt: misgelopen belastinggelden en oplopende werkloosheidsuitkeringen. De staatsschuld in westerse landen steeg door de crisis met zo’n dertig procent van het nationaal inkomen.

En dan is de financiële crisis nog niet ten einde. Nederland is, met zijn uit zijn krachten gegroeide financiële sector, uitermate gevoelig voor de schuldencrisis. Bovendien staan de Nederlandse banken er nog altijd wankel voor. Anders dan hun Amerikaanse collega’s hebben zij de afgelopen jaren verzuimd het eigen vermogen te versterken door nieuwe aandelen uit te geven. Zo beheert ING, gegarandeerd door de Nederlandse overheid, een balans van twaalfhonderd miljard euro, bijna tweemaal wat alle Nederlanders samen jaarlijks produceren. Eventuele tegenvallers moet ING opvangen met een eigen vermogen van 41 miljard euro. Bij een daling in de waarde van zijn bezittingen van drie procent is de bank dus weg. Of beter: is het Nederlandse belastinggeld weg waarmee deze VOC-mentaliteit van ING wordt gegarandeerd.

Als de Nederlandse banken niezen, is heel het land ziek. Het is daarom in het landsbelang dat als de Nederlandse banken de wijde wereld in trekken ze zich goed inpakken en geen gekke dingen doen. Concreet: dat met veel meer eigen vermogen doen (zoals de Zwitsers) en met scherp toezicht. Of nog beter: met de spaargelden afgeschermd van de risicovolle zakenbankactiviteiten, zoals ze nu in het Verenigd Koninkrijk gaan doen. Aan de commissie-De Wit de schone taak de geesten rijp te maken voor een dergelijke grondige aanpak. Wat valt er te leren van Pecora? In de eerste plaats: wil je dat iets goed gebeurt, huur dan een professional in. Ondervragen is een vak. En hoewel je van parlementariërs, toch de controleurs van de regering, best wat mag verwachten op het terrein van de verhoortechnieken, echte door de wol geverfde verhoorders als advocaten en openbaar aanklagers zullen de voormalig leraren en beleidsambtenaren nooit worden. Dat zagen we bij de eerste ronde verhoren, waarbij de parlementariërs nauwelijks vervolgvragen durfden te stellen, laat staan dat ze met het nodige theater de bankier op een leugentje wezen.

Dat is meteen de volgende les: voorbereiding, in staat zijn kundig geformuleerde ontwijkende antwoorden met behulp van relevante feiten te ontmaskeren. Maak het daarbij ook concreet, kom met voorbeelden. En tot slot, heb er zichtbaar plezier in. Pecora had regelmatig de lachers op zijn hand. Als Jan de Wit deze lessen ter harte neemt, wie weet wat er dan nog mogelijk is. De voorbereidingstijd die de commissie nog heeft is ongeveer gelijk aan die van Pecora toen. Dus wat houdt ze tegen?


Rens van Tilburg is senior onderzoeker bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen